Het ambt van de ouderling
III.
Plaats.
In dit derde artikel willen wij enkele opmerkingen maken over de plaats van de ouderling naast de predikant en evenzeer over de predikant naast de ouderling. Wij riskeren daarmee misschien wel een aantal boze brieven van allerlei ambtsdragers. Maar goed, per slot van rekening is de zaak gewichtig genoeg eenmaal aan de orde te worden gesteld.
Principieel ligt het vrij eenvoudig. In het formulier ter bevestiging van ouderlingen en diakenen wordt duidelijk gesproken van twee soorten van ouderlingen, die in de apostolische kerk zijn geweest. De eersten hebben gearbeid in het Woord en de leer, en de anderen niet. De eersten waren de dienaars des Woords en de herders, die het Evangelie verkondigden en de Sacramenten bedienden; maar de anderen, die niet in het Woord arbeidden, en nochtans mede in de gemeente dienden, droegen een bijzonder ambt, dat zij namelijk over de kerk opzicht hadden en die regeerden met de dienaren des Woords. Verderop in het formulier is sprake van deze soort van dienaren dus anderen, die het Evangelie prediken tot hulp en bijstand. De vergelijking wordt gemaakt van gemene Levieten in de dienst des Tabernakels de priesters bijgevoegd, als medehelpers in hetgeen de priesters alleen niet hadden kunnen doen; blijvende nochtans die ambten altijd onderscheiden. De diepe wijsheid van ons voorgeslacht blijkt voorts uit de toevoeging, dat het goed is, dat hij de dienaren des Woords zodanige mannen tot mede-regeerders worden gevoegd om heerschappij of tyrannie van één alleen te weren. De gehele tendens van het formulier is, dat men moet streven naar een college, een gezelschap, kortom een raad der kerk. De dienaren des Woords hebben de goede raad van de ouderlingen nodig. Bovendien moeten de ouderlingen acht geven op de lering en de wandel van de predikanten. Een gedurig Schriftonderzoek en een voortdurende geloofsoefening worden daartoe van de ouderlingen gevraagd. De opmerkzame lezer zal reeds hebben gezien dat de beduchtheid voor de hiërarchische lijn wel terdege in het formulier doorklinkt. Niet minder wordt een dam opgeworpen tegen de vervlakking van de tijdgeest doordat de wacht moet worden betrokken bij de lering en de wandel van de dienaren des Woords. De ouderlingen worden naar het Woord Gods als studiebron en richtsnoer voor het leven des geloofs verwezen. Daarmee weert men af de onkunde in het Woord. Het is terecht opgemerkt, dat Calvijn door zijn ontwerp van de presbyteriale kerkregering de heerschappij van de paus aan het wankelen heeft gebracht. Gaat men immers uit van het ideaal, dan ontstaat er een hechte gemeenschap van ambtsdragers, predikanten en ouderlingen, waar tòch ieder zijn eigen taak en roeping behoudt.
Er is geen wezensonderscheid, wèl taak onderscheid, tussen predikant en ouderling. In het begin van de tweede eeuw na Christus werd in sommige gemeenten reeds tussen beide wezens-onderscheid gemaakt. De opziener (episcopus) werd hoog verheven boven de ouderlingen (presbyters) en diakenen en als dragers van een bijzonder ambt, als opvolger van de apostelen, als bewaarder der zuivere leer (traditie) en als hoeksteen der gemeente beschouwd. Hiermede werd de hiërarchische weg betreden en deze leidde er toe, om de ouderlingen van al hun zelfstandigheid te beroven. Wij zijn daarmee aangeland bij een gevoelige kwestie. Want hier is nog op de huidige dag het wrijfvlak tussen de ouderling en de predikant. Laten we nu de typische modaliteitsmoeilijkheden ter zijde, dan kunnen we de knelpunten tussen ouderling en predikant gevoegelijk in een drietal facetten onderscheiden.
Vooreerst is er de predikant, die alles alléén doet. De kerkeraad wordt geheel buiten alle belangrijke zaken gehouden. Soms gebeurt dit vanwege een zakelijke instelling, soms uit heerszucht. De besten uit de kerkeraad sputteren aanvankelijk wel eens tegen, laten het er tenslotte noodgedwongen bij zitten. Het kan óók zijn, dat de kerkeraad alles wel goed vindt uit traditiezucht of gewoon uit respect voor de predikant. Al spoedig hoort men hier de woorden „manusje van alles", baas, paus vallen. Bedenkelijk wordt hier een stap gezet op de weg naar de hiërarchie. Het college van de ouderlingen zal hier werkelijk wel eens een „néén" moeten laten horen. Bijzondere gevaren voor predikanten zijn hier de bemoeizucht, de bedilzucht, de vergaderziekte, en niet te vergeten de eerzucht. De ouderlingen hebben het goddelijk recht er op toe te zien, dat de predikanten de studeerkamer niet verzuimen; de vraag mag worden gesteld: moeten de vleugels van zulk een vogel niet wat worden gekortwiekt? De geloofsgemeenschap gaat anders teloor. De gemeente wordt aldus rijp gemaakt voor een eenhoofdige leiding. Dit is de dood voor het presbyteriale stelsel. Het collectieve van het college verdwijnt in het individu. Hier is monarchie.
Daarnaast is er de kerkeraad, die star en strak de wetten stelt. Eén of meer ouderlingen regeren in vorstelijke willekeur. Soms gebeurt dit uit traditiezucht of uit gemakzucht van anderen. De predikant voelt wel het staketsel waarin hij wetens en willens wordt gedrukt, maar kan of wil er geen weerstand aan bieden, omdat hij geen verweer en kracht vindt in het Woord van God. Heel dikwijls heerst hier niet een gehoorzamen aan het levende Woord, maar een doods christendom, dat in handhaving van dode vormen heil en vrede zoekt. Hier vallen spoedig de woorden „bekrompen, achterlijk, benepen". Hier functioneert het presbyteriale stelsel in levende gebondenheid aan het Woord evenmin. Bijzondere gevaren voor kerkeraden zijn hier een angstvallig bewaren van het oude goed zonder zich af te vragen of het wel naar het Woord is. Evenzeer raakt men spoedig het gezicht op de gemeente kwijt. Vaak wordt de predikant overladen met werk, omdat de gemeente steeds groter wordt. Maar in plaats van een nieuwe predikantsplaats te stichten of anderszins naar hulp uit te zien, tracht men angstvallig het oude te bewaren uit angst voor een nieuwe visie. Men moet zich hier eens terdege afvragen of de kerkeraad niet aan levensvernieuwing toe is uit de Heilige Geest. De gemeente kan lijden aan een kerkeraad, die te weinig invoeling heeft. Ook hier stokt het presbyteriale stelsel. Het collectieve van het college zinkt weg in het sociale conservatieve patroon... of soms in het sociale progressieve patroon. Hier heerst meestentijds de oligarchie.
En dan ten derde... predikant en ouderling leven volkomen naast elkander voort. Er is gebrek aan gemeenschapszin rondom het eeuwige Woord. Een ieder gaat zijn eigen weg, conflicten worden niet uitgesproken, waardering niet genoemd. De predikant en de kerkeraad leven beiden niet uit het Evangelie. Alles is puur zakelijk. Het bedrijf der kerk wordt in stand gehouden om haars zelfs wil. Maar er is géén eenheid, die wezenlijk bindt. Men interesseert zich wezenlijk niet voor de boodschap. Wat doet het er toe of men de reformatorische visie nog bewaart? Hier is de onkunde ten top. Wezenlijk is hier luiheid ... ja, lethargie.
Een ieder begrijpt, dat hier excessen, uitersten zijn getekend. Zó, met opzet aangezet, hebben we dit geschreven en geschetst, opdat de lezer zelf verder zal denken. Maar u verstaat, tussen deze drie punten beweegt zich de omgang van predikant en ouderling. Ook in deze verhoudingen zijn allerlei modulaties denkbaar. Maar — wanneer er in de heilige spankracht van de Geest in soepelheid hier niet een levensmogelijkheid wordt gevonden, verstart het presbyteriale stelsel. Verstaan we het goed, dan stokt het presbyteriale stelsel zowel van de zijde van de predikant als van de kant van de ouderling, meestal op één van de volgende knelpunten. 1. Er is gebrek aan gemeenschapszin, geen contact; 2. Men kan als ouderling of predikant niet zelfstandig werken, er is geen initiatief; 3. De luiheid, de futloosheid en de verwaarlozing legt over alles een diepe schaduw. Ook deze kan van beide zijden komen. Overal waar mensen zijn en samenwerken, heeft men hiermede te maken. Men verliest het contact met de gemeenschap, men ontplooit geen visie of men laat alles maar waaien. Ziehier, als schepsel zijn we collectief aangelegd; ook individueel geschapen; maar hebben ook een taak en opdracht. Doorgaans schort het aan één dezer punten. De genezing treedt daar in, waar men verstaat, dat we in een gemeenschap der heiligen zijn gesteld. Er zij zo gemeenschap aan Christus en al zijn schatten en gaven voor ieder van ons en allen tezamen. Voorts moet elk zich schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden.
Intussen, om enkele practische aanwijzingen te geven: zou het niet goed zijn in de kerkeraad een taakverdeling aan te brengen tussen predikant en ouderling? Het is plicht de predikant tijd te laten voor de voorbereiding van zijn preken. Men late de predikant niet alles doen. Toch ontheffe men hem ook niet geheel van het huisbezoek omdat hij anders gevaar loopt alléén met de thuiszittende gemeenteleden in aanraking te komen, zieken en ouden van dagen, terwijl de voluit in het leven staande gezinnen hem voorbij gaan. Men besnoeie vele taken van de predikant, die wezenlijk niets met zijn roeping te maken hebben. Men zou schrikken hoeveel tijd er vergaderd wordt ten behoeve van allerlei instellingen, gasthuizen, rusthuizen etc. Niemand ontkent het grote nut van dergelijke sociale functies. Toch verdient het de aandacht van ieder lezer zich eens ernstig rekenschap te geven van de Bijbelwoorden: Groet niemand op de weg! De lezer zelf zoeke eens naar de betekenis daarvan en trekke zijn conclusie. Vooral met de steeds groter wordende gemeenten en de naar verhouding niet toenemende pastorale hulp zoeke men naar taakverdeling op de wijze van het advies van Jethro aan Mozes. Het herderschap kan aan het leraarschap lijden. Maar het kan ook omgekeerd. Dit is beide schadelijk voor de gemeente. Men streve naar een hecht team van predikant en ouderling. Waar dit aanwezig is floreert het presbyteriale stelsel in ongebroken kracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's