De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schepping en evolutie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schepping en evolutie

6 minuten leestijd

(I)

Reacties en commentaar

Het wordt tijd dat ik inga op de vele reacties die ik ontving, mondeling en schriftelijk, naar aanleiding van mijn artikelen reeks over schepping en evolutie, die enkele maanden geleden in ons blad heeft gestaan. Het is mij niet mogelijk op alle reacties afzonderlijk in te gaan. Diverse brieven vragen ook niet om een antwoord omdat alleen maar bedoeld werd een instemmende reactie te geven. In ieder geval geven de vele reacties mij wel aanleiding om te stellen dat het onderwerp zelf onder ons ook midden in de belangstelling staat. Ik wil nu volstaan met enkele hoofdlijnen aan te geven, naar aanleiding van momenten, die of in de diverse reacties terugkwamen of die om een duidelijker uiteenzetting vragen.

Kuitert en Morris

Alvorens ik dit doe wil ik echter eerst ingaan op een mijns inziens misplaatste recensie, die prof. dr. H. M. Kuitert in Trouw van vrijdag 2 januari l.l. heeft gewijd aan het boek van dr. H. M. Morris, De evolutieleer, een theorie op haar retour. Misschien herinneren de lezers zich nog dat ik met de totaal inhoud van dat boek niet bijster gelukkig was. Mijns inziens begaat Morris de fout dat hij uit de Schrift een natuurwetenschappelijke theorie gaat aflezen, die meer speculatief dan reëel is. De vloek over de zonde ziet hij doorwerken in bepaalde natuurwetmatigheden en hij introduceert de oude zondvloed theorie om bepaalde verschijnselen, zoals die in de evolutietheorie zijn ingebouwd, te verklaren en er de evolutietheorie mee te ontzenuwen. Met dit al trekt hij, zij het onbedoeld, toch de Schrift naar het niveau van de wetenschap en wordt de hantering van de Schrift te rationeel, te casuïstisch ook. Bepaalde passages uit het boek van Morris doen mij denken aan het boek van de Duitse auteur, Werner Keller, De bijbel heeft toch gelijk. Elke poging echter om de Schrift acceptabel te maken door middel van een wetenschappelijke bewijsvoering moet schipbreuk lijden. De Bijbel is het boek van Gods openbaring. Gods gedachten zijn hoger dan de onze. Elke poging om deze Godsopenbaring rationeel uit te pluizen is tot mislukken gedoemd. Het zal ook niet bijdragen tot een meerder geloof in de Schrift. Toen Christus zich in hoogst eigen persoon aan Thomas openbaarde moest hij, ondanks het visueel waarneembare, toch nog gebracht worden tot de verwonderde uitroep „Mijn Heere en Mijn God". Uiteindelijk zal het steeds weer moeten gaan om het getuigenis van de Heilige Geest in de harten, waardoor we belijden dat de boeken van het O.T. en N.T. van God zijn. (art. V N.G.B.) Maar dat neemt niet weg, dat Morris in zijn boek voldoende materiaal aandraagt, dat volkomen serieus genomen moet worden. En dan moet gezegd worden dat de titel die prof. Kuitert boven zijn recensie plaatste — „Een schoolvoorbeeld hoe het niet moet" — in hoge mate slaat op deze recensie zelf. We hebben het idee dat prof. Kuitert in deze recensie alle remmen los gegooid heeft. Nergens doet hij een poging om serieus op de goede argumenten in dit boek in te gaan. Hij blijft steken in een smalend betoog. Elke genuanceerdheid is zoek. We willen op de inhoud van die recensie verder niet ingaan. Hij staat ter illustratie naast dit artikel afgedrukt. Hebben we het echter mis als we stellen dat prof. Kuitert in deze recensie illustreert hoe geraakt hij in feite is? Hij mag in eigen theologische gelederen de wind momenteel mee hebben, maar laat hij in deze bespreking niet zien hoe korzelig hij wordt wanneer er mensen zijn, die een andere visie hebben op Schrift en wetenschap dan hijzelf? Hij maakt hiermee zijn eigen positie in deze ongeloofwaardig. Dit duidt inmiddels wel op een enorme omwenteling in theologisch denken van de laatste jaren.

In een proefschrift van dr. J. van der Zouwen over de V.U., wordt opgemerkt dat in een V.U.-folder van de vijftiger jaren de V.U. bij het Gereformeerde volk nog werd aangeprezen als een universiteit, die haar leerlingen argumenten verschafte tegen de evolutietheorie. Het is onvoorstelbaar dat dit nog maar zo kort geleden is. Met Kuitert en Lever is een ander tijdperk ingetreden, dat niet minder is dan een breuk met het verleden. Prof. Lever's boekje „Waar blijven we", is in plaats van een Christelijke visie op de wetenschap en haar resultaten een oppervlakkige vermenging van theologie en natuurfilosofie. Waar Lever in zijn boekje mee bezig is is zijn visie op de bijbel. In prof. Kuiterts „Verstaat gij wat ge leest" vinden we hetzelfde. En dan mag inderdaad wel gezegd worden dat ook Morris bezig is met zijn visie op de bijbel. Maar, en daar wringt de schoen, het wordt bedenkelijk als iemand gaat smalen wanneer zijn eigen visie op de Schrift komt te staan tegenover een visie, waarin in ieder geval de Schrift als openbaring ernstig wordt genomen. Prof. dr. G. C. v. Niftrik zegt: „We zijn geen fundementalisten, al haast ik mij hieraan toe te voegen, dat ik liever in zee ga met een fundamentalistisch opgevatte bijbel dan met een ontmythologiseerde". Hoe het ook zij, er is maar één weg, de weg, die we aangeduid vinden in de N.G.B., de weg van het getuigenis van de Heilige Geest in onze harten. Dan moeten menselijke visies op de Schrift wijken voor de overmacht van Gods openbaring. Dan komt onze eigen visie op de Schrift onder de kritiek van het Woord zelf.

Nog één opmerking hierover. Ik ben geneigd om prof. Kuitert na te zeggen onthutst te zijn over bepaalde argumentaties van Morris, om redenen hierboven aangegeven. Maar niet minder onthutst kunnen we zijn wanneer we het Schriftgebruik in bepaalde V.U. publicaties momenteel onder ogen krijgen. Bij Morris moge de spanning tussen wetenschap en openbaring naar één kant zijn opgelost, bij prof. Kuitert c.s. is deze spanning naar de andere zijde geëlimineerd. De vraag rijst of daar nog voldoende besef is voor het openbaringskarakter van de Schrift. Ik ben geneigd te denken dat een natuurfilosofisch denken daar het besef voor de grenzen van de wetenschap en het unieke van de Godsopenbaring heeft vervaagd. Ik heb er behoefte aan deze dingen hier zo te zeggen. Niet om een poging te wagen om Morris te verdedigen, maar om een tendens aan de andere kant te signaleren, die in hoge mate te denken geeft. De recensie van prof. Kuitert is hier een teken aan de wand. Men leze de recensie zelf om te kunnen constateren dat geen enkel argument tegen Morris' visie wordt gelanceerd en dat ook geen enkele van zijn uitspraken — ook niet waar hij vooraanstaanden uit de natuurwetenschap citeert — wordt ontzenuwd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Schepping en evolutie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's