De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Op weg naar een nieuw echtscheidingsrecht” 1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Op weg naar een nieuw echtscheidingsrecht” 1)

7 minuten leestijd

Op 14 juli 1969 diende onze minister van Justitie, mr. C. H. F. Polak, een wetsontwerp tot herziening van het echtscheidingsrecht in.

In dit ontwerp wordt gesteld dat duurzame ontwrichting van het huwelijk de enige grond is, zowel voor echtscheiding als voor scheiding van tafel en bed.

Daarmee wordt de mogelijkheid geopend om tot een scheiding te komen, wanneer man en vrouw daartoe een eenparig verzoek indienen. Tot nu toe is dat niet het geval. Nu zijn er nog vier gronden voor echtscheiden; te weten, a. kwaadwillige verlating, b. veroordeling wegens misdrijf, c. toebrengen van zware verwondingen, en d. overspel. Deze vier gronden staan in de wet breder omschreven, maar deze korte omschrijving geeft in elk geval het grondstramien aan. Naast deze gronden bestaat de mogelijkheid te scheiden via de „grote leugen". Dat wil zeggen, dat hierbij één van de partijen de schuld op zich neemt. Er wordt afgesproken dat één van de twee de schuld zal dragen en bij dagvaarding niet zal verschijnen. De gedagvaarde, die niet verschenen is, spreekt overspel niet tegen en op grond daarvan neemt de rechtbank aan dat overspel is gepleegd. Deze weinig elegante manier van wetsgebruik dateert al uit de vorige eeuw, ze is dus al sinds lang in gebruik. Van deze weg tot scheiden wordt zeer veel gebruik gemaakt. Dit onbevredigend stuk uit onze rechtspraak probeert de minister nu dus weg te werken, door ontwrichting van het huwelijk te maken tot de enige grond voor scheiding. Deze ene grond tot scheiding wordt dan vanzelfsprekend nader uitgewerkt. Enkele uitwerkingen daarvan zijn: a. bij een tweezijdig verzoek, dus van man en vrouw samen, moeten zij één jaar bij hun verzoek volharden, om tot scheiding te komen; b. een eenzijdig verzoek tot scheiding, dus van man of vrouw, wordt afgewezen als de andere partij de ontwrichting ontkent, of wanneer de verzoeker zelf de ontwrichting heeft veroozaakt en de andere partij zich daarom bij scheiding niet wil neerleggen; c. het huwelijk moet tenminste twee jaar geduurd hebben; d. blijvende scheiding van tafel en bed kan niet meer geforceerd worden, bijv. om te plagen; e. de verplichting tot alimentatie (vergoeding) wordt losgemaakt van de schuldvraag. Zoals wel eens gezegd wordt, kun je nu „zo maar" gaan scheiden. Daarmee wordt dan bedoeld: op een andere grond dan de bovengenoemde vier uit de huidige wet. Hoewel er heel wat restricties blijven, waarvan ik er enkele aangaf hierboven, als uitwerkingen bij de enige grond tot scheiding, de ontwrichting van het huwelijk dus, is er inderdaad een geheel nieuw element in de wet verschenen, namelijk het uiteengaan met onderling goedvinden. Dat nieuwe element was dus al als de 'grote leugen' dagelijkse praktijk, maar stond niet in de wet.

Wat moeten we daarvan zeggen?

De wet behoort regels te geven voor de maatschappij van vandaag. Ontwikkelingen, ook ontwikkelingen die ons niet zinnen, die tegen de Bijbel ingaan, gaan door. Er mag geen chaos ontstaan en daarom doet de wetgever zijn werk. Afgezien van het feit dat wij er begrip voor dienen te hebben dat er regels moeten zijn, meen ik toch dat aanname van deze wet, een stap achteruit betekent, omdat de Bijbel ons leert dat huwelijken voor het leven worden aangegaan, en niet op lichtvaardige wijze mogen worden verbroken. De Rooms-Katholieke Kerk heeft lange tijd het huwelijk absoluut onontbindbaar geacht, terwijl de protestanten altijd hebben gezegd dat echtscheiding op grond van overspel, vaak ook op grond van kwaadwillige verlating, geoorloofd is. We moeten dus goed inzien dat vanuit Christelijk standpunt bekeken echtscheiding op grond van onderling goedvinden niet aanvaardbaar is. Daar wil ik hier beneden nog op terug komen. Wanneer dat zo gesteld wordt, zullen we er direct oog voor moeten hebben dat er binnen de kerken een duidelijke mentaliteitsverandering is in dit opzicht. Ook denken niet-kerkelijken, niet-Christenen, toenemend anders dan binnen het vroegere min- of meer Christelijke patroon. Zij laten zich de wet niet meer voorschrijven. Om deze reden acht ik de aanstaande wet een neerslag onder andere van voortgaande ontkerstening en onkerkelijking. Het wetsontwerp sluit dus wel aan bij de huidige toestand van onze maatschappij, maar is niet congruent met de Christelijke opvatting van het huwelijk.

Boven dit artikel staat als titel: „Op weg naar een nieuw echtscheidingsrecht". Die titel is ontleend aan een boekje van ds. Th. Delleman en mr. G. W. von Meyenfeldt, dat hetzelfde opschrift draagt. Het is vorig jaar verschenen bij Kok te Kampen en kost ƒ4,95. In dit artikel wordt tegelijk een boekbespreking van dit boekje gegeven. Het bevat drie hoofdstukjes, te weten, 1. Inleidende opmerkingen, 2. Wat zegt de Bijbel? en 3. Rechtsherstel.

In het hoofdstukje Inleidende opmerkingen wordt een overzicht gegeven van de huidige stand van zaken. Er wordt aangegeven hoe onze wet nu is, hoe het wetsontwerp tot stand kwam, wat de knelpunten van het huidig beleid zijn, wat de veranderingen zijn; tenslotte wordt een aantal publicaties over deze materie gegeven.

In het tweede hoofdstukje, dat over de gegevens van de Bijbel handelt, wordt gesteld dat de term ontwrichting van het huwelijk, die nu gebruikt wordt, juist die toestand aangeeft, op grond waarvan in de Bijbel overgegaan kan worden tot echtscheiding (o.a. blz. 14). Het is m.i. gevaarlijk dit zomaar te concluderen, aangezien hierbij de schuldkwestie en onze zondigheid buiten beschouwing kan blijven. De problemen, die bij deze materie naar voren komen zijn vele en moeilijk, maar ondanks dat dienen we werkelijk er voor te waken dat de gebrokenheid, die zich hier manifesteert, wordt goedgepraat of gladgestreken. Het is van den beginne alzo niet geweest.

Een hele rij teksten passeert de revue, waarbij goede opmerkingen worden gemaakt, o.a. over het huwelijk als geheim en gebod (blz. 15). Ook komt ter sprake hoe Paulus de jonge Christengemeente adviseert te handelen (1 Kor. 7:10, 11 en 12—16). Ook hoe de heidense wereld, waarin de eerste Christenen leefden, over het huwelijk dacht en wat het verschil is tussen Christenen en heidenen (blz. 17, 18, 23—26). Tenslotte nog een opmerking over punt 3 op blz. 29, waarin gesteld wordt dat de kerk geen echtscheidingsgronden mag vaststellen. Dat moet de overheid doen. Is dat wel zo? Heeft de kerk ook in dit opzicht niet te zeggen wat de Here zegt in Zijn Woord? Of nu de maatschappij zich daaraan houdt of niet.

Nu nog enkele opmerkingen over het derde deel van dit boekje.

Dit is geschreven door mr. Von Meyenfeldt in tegenstelling tot de eerste twee hoofdstukjes, die van de hand van ds. Delleman zijn. In grote lijn genomen is de schrijver ingenomen met de komende veranderingen. Aan de hand van Lukas 12:1—12 ontwikkelt hij zijn gedachten. Ieder mens heeft een rechtsrol te spelen, te vervullen, die in drieërlei functie valt te verdelen, a. de bewijs- of identificatiefunctie, die de mens voor zijn recht moet laten opkomen, b. de toetsing- of legitimatiefunctie, die er voor moet zorgen dat niemand, ook zijn recht niet, ten achter wordt gesteld, c. de vernieuwende of kritische functie, die de mens in staat moet stellen eigen en anderer recht naar de hoogste maatstaf te respecteren en te realiseren. Of wij op deze wijze gebruik mogen maken van de Bijbel is voor mij de vraag. In dit gedeelte van het boek wordt alles van dit Schriftgedeelte uit betrokken op het hier en nu, op deze onze maatschappij. Daar heeft het zeker, zeer zeker mee te maken, maar het oordeel Gods gaat daarboven uit, wanneer wij rekenschap moeten afleggen van onze daden. Ook vanuit Mattheüs 5:20—48 en 23:13—39 is dat te onderstrepen. Is het waar dat een Christen voor alles bij het echtscheidingsrecht zijn startpunt moet nemen in het nederlandse recht van vandaag? (blz. 31). Ik meen van niet. Wij kunnen niet buiten het huidig recht om, maar normerend is de Schrift. En we dienen er naar te staan dat zoveel als mogelijk is, deze ingang heeft in onze wetten. En dat daarboven uit, de profetie blijve gaan. Mag de theologie, de zede, zo maar op één hoop gegooid worden met de huichelarij van de farizeën? (blz. 35) en is het waar dat Christus bij de partij der „niemenietjes" (von M.) hoort (blz. 37)?

Voor informatie kan dit boekje dienen, maar bevredigend is het niet.


„Op weg naar een nieuw echtscheidingsrecht". Een uitgave van Kok te Kampen; prijs ƒ4,95.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

„Op weg naar een nieuw echtscheidingsrecht” 1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's