Schepping en evolutie
II
Wetenschap in het kader van de cultuurontwikkeling
Ik heb er in mijn artikelen de nadruk op gelegd dat de bakermat van de moderne natuurwetenschap ligt binnen de kring van onze Christelijke westerse cultuur, en ik stelde dat dat op zich genomen niet zo verwonderlijk is, aangezien zowel de moderne wetenschap als het bijbels geloof één ding gemeen hebben, namelijk het besef dat er orde en regelmaat is in het geschapene. De christen belijdt dat door de Geest van God, die op de wateren broedde, de chaos - het woeste en ledige - werd omgevormd tot een kosmos, waarin de orde en regelmaat de hands Gods achter het geschapene op overweldigende wijze doen uitkomen. En de moderne wetenschap gaat in haar onderzoek juist uit van die orde en regelmaat. De orde en regelmaat zijn de voorwaarden voor een gericht experimenteel bezig zijn.
Iemand schreef mij een brief, waarin nog diverse uitspraken van geleerden van het eerste uur waren opgenomen. Ik citeer uit deze brief: „Dat de natuurwetenschap ontstaan is binnen de West-Europese cultuur zijn we van harte met u eens; Bacon van Verulam (1626) zei: „Slechts oppervlakkige kennis van de natuur vermag ons van God af te voeren, dieper en meer grondige kennis daarentegen leidt stellig naar God terug". Boyle, een groot scheikundige, zei: „De echte natuurvorser kan nergens indringen in de geheimen der schepping zonder overal Gods vinger te zien". Linnaeus verklaarde bij één zijner ontdekkingen: „Ik heb Gods voetstappen gezien". Lavoisier was een gelovig Christen die zei: „De natuurkennis moet leiden tot het ware Christendom". Mädler, een sterrekundige, zei: „Een echt natuuronderzoeker kan geen godloochenaar zijn, natuurwet en goddelijke wet is één en hetzelfde". De historicus Leopold von Ranke zei o.a.; „Hoe uitermate dwaas is het, natuurwetenschap en godsdienst als onoplosbare tegenstellingen op te vatten." Tenslotte nog dit, toen het Morse-stelsel werd ontdekt luidde het eerste telegram van de ontdekker: „Dat heeft God gedaan".
Terecht is mij nu gevraagd of ik bij de bakermat mag blijven staan en niet mede de ontwikkeling van onze cultuur sinds de opkomst van de wetenschap in de zestiende eeuw honoreren moet. Dat is ongetwijfeld juist. Vele grondleggers van de natuurwetenschap waren vrome christenen, maar de ontwikkeling is doorgegaan. Was er in de aanvang het diepe besef, dat het object van onderzoek een bepaald aspect van het geschapene was, waarbij vaak indringende getuigenissen van wetenschapsbeoefenaren inzake de grootheid en grootsheid van Gods schepping voorkwamen, de ontwikkeling van de wetenschap is later steeds meer losgeraakt van deze bij uitstek christelijke achtergrond. De wetenschap ging zich autonoom ontwikkelen, waarbij tevens vermeld moet worden, dat de westerse cultuur zelf zich steeds meer van haar christelijke achtergrond losmaakte.
In de tijd van de Franse revolutie kwamen de wortels bloot van een mondigheids denken, waarin geen plaats meer was voor een belijden dat de vrijheid van ons leven alleen maar verankerd kan zijn in de gebondenheid aan God. Onze christelijke cultuur is langzaam maar zeker ontkerstend. Wie de huidige situatie op zich laat inwerken, kan moeilijk meer stellen dat onze cultuurkring een christelijke is, zij het dat er nog heel wat resten, tekenen van het christelijk verleden aanwezig zijn. Het respect vóór en het geloof in de Schrift als uniek openbaringsgegeven van God is in brede kringen verdwenen, de zesduizend overgeblevenen ten spijt, die de knie niet hebben gebogen voor de tijdgeest. En dit alles heeft consequenties. Begrippen als eeuwigheid, voorzienigheid en dan ook schepping spreken niet meer aan, laat staan dat ze nog functioneren in de denksystemen van onze tijd. Waar de voorzienigheid niet meer beleden wordt is per consequentie ook geen zicht meer op de schepping. En waar de eeuwigheid uit het vizier verdwijnt, komt de tijd centraal te staan en in de tijd de mens, de autonome mens die zich niet meer gebonden weet aan de norm van het Woord, die niet meer weten wil van de claim van God op het hele leven. Het zou van simpelheid getuigen als we zouden miskennen dat deze ontwikkeling consequenties heeft voor het wetenschappelijk bezig zijn. Niemand bedrijft onbevooroordeeld wetenschap. En waar derhalve geen besef meer is van de eeuwigheid, waarin de tijd slechts een stip is, daar verdwijnt ook het besef van Gods eeuwig handelen. Dan wordt het wetenschappelijk bezig zijn een overspannen zaak. Het komt dan niet meer op uit een eerbiedig belijden van de grote daden Gods, zoals die in de schepping liggen uitgespreid, maar het leidt in tegendeel tot een besef, dat alleen dàt werkelijkheid is wat de wetenchap constateert. Dan wordt het leven uitsluitend verstandelijk bepaald en benaderd. Alleen wat verstandelijk te beredeneren is, is ook werkelijk aanvaardbaar. Maar tegelijkertijd verliest men zo uit het oog dat een ander geloof zijn intrede doet, het geloof in de zelfstandige ontwikkeling van de dingen, het geloof in een evolutieproces dat geen rekening houdt met een ingrijpen Gods aan het begin en aan het eind van de tijd. Zo wordt het wetenschappelijk bezig zijn echter overschat en vergeet men de natuurwetenschappelijke uitspraken op hun juiste merites te taxeren en binnen hun eigen geldigheidskader te honoreren.
Niveau's in de wetenschap
In dit verband lijkt het me goed een stukje te citeren van de hand van de fysicus dr. C.C. Jonker, directeur van het natuurkundig laboratorium aan de V.U. te Amsterdam, in de bundel Grensgesprekken Evangelie en Wetenschappen (Uitgave J.H. Kok N.V., Kampen, 1970; pag. 34, 35). Hij schrijft: „De natuur, zo denkt men, wordt met een steeds sterker vergrotende microscoop bekeken en er worden al meer details toegevoegd aan de grote legpuzzel van feiten en feitjes. De natuurwetenschap kent echter een hele schaal van zekerheden, die van geverifieerde feiten loopt tot theoretische uitspraken, die waarschijnlijk zijn en die men voorlopig als juist aanneemt." „De resultaten zijn binnen het geldigheidsgebied van de theorie betrouwbaar (cursivering van mij, J. v. d. G.), daar ze berusten op vaak herhaalde proeven. Ieder vertrouwt bij mist op radar waarnemingen omdat dit gebruik eerst honderden malen is beproefd onder dezelfde omstandigheden. Er worden echter ook veranderingen en vaak zeer drastische, in de verkregen kennis aangebracht, als blijkt dat de gevonden wetten maar beperkt geldig zijn. Bovendien kan het een zeer moeilijke opgave zijn om de betrouwbaarheid van de gevonden resultaten in een frontgebied van onderzoek te beoordelen, zoals bijvoorbeeld proeven over het ontstaan van het leven. Er zijn ook gebieden waar de verkregen kennis noodgedwongen minder betrouwbaar is en een sterk hypothetisch karakter houdt, omdat b.v. de mogelijkheden ontbreken om de gewenste proeven te doen. Dat is b.v. al lang het geval in de sterrenkunde. Wie kan bij wijze van spreken van de aarde uit zekerheid krijgen over het leven op Venus als er nog geen ruimtevaart is? Een ander voorbeeld hiervan is de evolutietheorie, waarvan verschillende onderdelen op verifieerbare feiten berusten maar waarvan andere facetten vooralsnog als werkhypothese gezien kunnen worden: Samenvattend stellen we dat er betrouwbare kennis mogelijk is over de hanteerbare verschijnselen. Het wezen der dingen doorgronden wij daarbij niet, maar we kunnen de voorhanden zijnde levende en dode natuur wel manipuleren.
Wie verder ten aanzien van de grenzen der wetenschap verhelderende bijdragen van fysicus prof. dr. G.J. Sizoo wil lezen, verwijs ik naar een artikel, getiteld „Physical Knowledge and Creation in Free University Quarterly (april 1962) of naar de bundel De Ouderdom van de aarde (Uitgave J.H. Kok N.V., 1955). In het eerstgenoemde artikel zegt prof. Sizoo o.a. „De bijbel vertelt ons over alle fenomenen, die we rondom ons ontwaren ondubbelzinnig en nadrukkelijk dat ze geschapen zijn door God en absoluut van Hem afhankelijk zijn en dat derhalve de orde en uniformiteit die we erin ontdekken door Zijn wil zijn bepaald."
Het is een hoogst bedenkelijke zaak, dat velen — ook christenen — geen oog meer schijnen te hebben voor de grenzen van de wetenschap en door de knieën zijn gegaan voor een wetenschapsbeoefening, die geen normen van buitenaf aanvaardt waardoor zij herinnerd wordt aan haar grenzen. Toen de V.U. werd gesticht werd daarmee uiting gegeven aan de noodzaak van een christelijke wetenschapsbeoefening. Daarin is, als het goed is, besef van de grenzen van de wetenschap, van het geldigheidskader van allerlei theorieën. Het is een bedenkelijke zaak dat men deze visie van het eerste uur in feite achter zich gelaten heeft en is ingekapseld in de — filosofisch bepaalde — stelsels van niet-christelijke wetenschapsbeoefenaren.
In welke dienst?
Het wordt tijd dat we gaan beseffen, dat het wetenschappelijk bezig zijn in onze tijd niet los staat van de ontwikkeling van de cultuur. Al wat uit het geloof niet is, is zonde zegt de Schrift. Zou dat ook niet gelden voor de beoefening van de natuurwetenschap? Luther heeft eens gezegd: „God en de duivel zijn als twee rijken, die tegen elkaar strijden." De vraag is dan ook maar waar de huidige wetenschap staat, in dienst van God of in dienst van de duivel. Twee heren dienen is onmogelijk. Dat geldt voor al het bezig zijn in de huidige cultuur. Dat geldt ook voor de wetenschap, die niet losstaat van de cultuur. Het blijkt maar een kleine stap te zijn van een erkenning van een bepaalde vorm van evolutie op grond van controleerbare feiten, naar een evolutietheorie, die vol is van oncontroleerbare uitspraken, en vandaar naar een evolutionistische wereldbeschouwing, die de doodsteek betekent voor het geloof in de Schrift, waarin ons van God uit wordt geopenbaard hoe deze zichtbare werkelijkheid is ontstaan, waar zij naar toe gaat en hoe God zelf door Zijn Voorzienigheid alle dingen draagt, regeert en stuwt naar de voleinding.
Daarom is wetenschapsbeoefening in onze tijd — hoewel een legitieme zaak — niet minder een riskante zaak. Voortdurend dreigt het gevaar van inkapseling door de grote schare van niet-christelijke wetenschapsbeoefenaren, die de grenzen van de experimentele natuurwetenschap hebben overschreden en een niet-christelijke natuurfilosofie ongemerkt tot kenbron van het ontstaan, de voortgang en de toekomstige ontwikkeling van de zichtbare en onzichtbare dingen hebben gemaakt.
De visie van de eerste natuurwetenschapsbeoefenaren is vervaagd. Het gaat ook in de wetenschap om het dienen van God. De bioloog Adolf Portman zegt in de bundel 'Weltgespräch' (Uitgave Arbeitsgemeinschaft Weltgespräch, Wien-Freiburg, 1967), dat vijftig jaar wetenschapsbeoefening hem heeft doen zien, dat de samenhang in de dieren en plantenwereld het geloof in een ordenende instantie vooronderstelt. Dat mag en moet het uitgangspunt zijn van ieder die ook nu in de wetenschap staat. Dat is een geloofshouding, die niet verstandelijk te beredeneren is. Gods gedachten zijn hoger dan de onze zegt Jesaja. Die belijdenis zal ten diepste bewaren voor een onverantwoorde wetenschapsbeoefening en een overschat wetenschappelijk denken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's