BIJ HELDERE HEMEL
'En hij zegende Jozef en zeide: De God voor wiens aangezicht mijn vaders, Abraham, en Izaäk gewandeld hebben; die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was tot op deze dag; die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens.' Genesis 48:15—16a.
Ziet u dat landschap. Grasvelden, korenvelden; op de achtergrond een hoog rijzend bos. Vlak voor onze voeten stroomt een smalle beek. Op een regenachtige dag lijkt alles even grauw; de wolken hangen laag; de beek trekt een donkere streep door de kleurloze velden, het bos is een grote donkere vlek. Daar breekt de zon door de wolken; hij zet heel het landschap in een stralend licht. De schaduwen wijken, zij kruipen weg, het licht speelt langs de stammen en door de bladeren, de velden worden groen en vrolijk, de beek wordt een glinsterend lint: een prachtig schouwspel.
Het komt op de belichting aan. Die belichting deugde niet, toen Jakob zijn levenslandschap, z'n vreemdelingschap aan Farao toonde. Wij mogen dat landschap nu onder een andere belichting bekijken, en wij wrijven ons de ogen uit van pure verbazing. Jakob is nu echt aan het eind van zijn leven. Hij zal, voor hij heengaat, de zonen van Jozef zegenen en heeft hem met Efraïm en Manasse bij zijn sterfbed ontboden. De zon van de naam des Heeren, heeft de donkere wolken van mismoedigheid verdreven. Hij schijnt tot de volle dag toe. Waar het licht van de zon over een mensenleven valt, daar is alles goed, toch goed. Daar schittert de waarheid en de trouw Gods, daar mag Jakob afscheid nemen bij heldere hemel. Nee, hij heeft het niet over zijn dagen, hij heeft het over Gods daden, die met hem mee gingen, de vele, vele dagen door. De God voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Izaäk gewandeld hebben. Weer komen zijn vaderen voor zijn aandacht. Hij was niet alleen aan hen verwant, hij was met hen verbonden in hetzelfde geloof.
Vreemdelingen waren het, net als hij; zij wandelden, zij woonden ternauwernood. Maar God had zich aan hen geopenbaard; zij wandelden voor Zijn aangezicht, dat betekent: zij kenden deze God. Dat maakt alles uit in een mensenleven, mijn lezer. De God voor Wiens aangezicht. Wie daar wandelt, dwaalt niet als een blinde, hij vindt een weg. Het aangezicht wil hem die wijzen. Waar God gekend wordt, door de verlichting van de Heilige Geest, daar wordt de levensgeschiedenis beheerst door het overmachtige: Ik ben en Ik zal. Daar wordt het geloof geoefend in gehoorzaamheid. Zo hoorde Abraham het zich toevoegen: Wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht.
Hoe bescheiden begint Jakob zijn geloofsbelijdenis. Het is, als verschuilt hij zich achter zijn vader en - grootvader. Hij wil zich niet met hen meten, hij denkt klein van zichzelf. Maar die God kent hij ook. Het is de God met het aangezicht. De God, die in genade met een mensenkind te doen wil hebben. Die met hem optrekt, door al de wederwaardigheden en wisselvalligheden van dit leven. Die hem nooit in de steek laat. Hij verheft zijn aangezicht over ons en geeft ons vrede. Ben je nog jong, bent u reeds oud? Bent u al verlegen om de H. Geest, die ons de Waarachtige doet kennen. Zijn openbaring door Woord en Geest trekt een lichtend spoor door ons leven; het wordt dan geleid in gemeenschap met Hem. Dan kunt u over uw leven niet spreken, zonder Hem te noemen. En Hem noemen is Hem roemen. Ten ware de Heere, die bij ons geweest is, zegge nu Israël. Geeft de Heere de eer van zijn Naam, Hij is nog Dezelfde, Hij is de God der geslachten. Hij ziet u onderzoekend aan: Zou mijn aangezicht met u mee moeten gaan om u gerust te stellen? Ja, Heere! Steeds weer en steeds meer: Ja Heere.
Jakob kan het niet verzwijgen: Die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was tot op deze dag. Eigenlijk staat er: geherderd; als een herder geleid over de wegen en in de weiden. Wie als in de tegenwoordigheid Gods wandelt mag het weten: De Heere is mijn herder. Dat overbekende beeld, wordt hier voor het eerst door Jakob gebruikt, het beeld van de herder. Die mij geherderd heeft. Was Jakob zelf geen herder geweest? Welnu, hij weet waarover hij het heeft. De Heere is mijn herder. Dan volgt er: mij zal niets ontbreken. Heeft u iets ontbroken? Nee Heere. Weinig en kwaad waren de dagen van mijn leven, het zij zo. Maar het voornaamste is daarmee niet gezegd. Die God .. . Hij was de God van Abraham en van Izaäk en ... van Jakob. Wat een God, die herder wilde zijn over dit dwaalzieke schaap. Die het telkens opzocht en terecht bracht. De herder, dat is de eigenaar, dat is de beschermheer, dat is de leidsman. Die mij gevoed heeft. Ik ben onderweg niets tekort gekomen, ik mag over veel klagen, maar over Hem kan ik mij niet beklagen: Hij verkwikt mijn ziel. Dat hoort de herder zo graag.
Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid. Van Beerseba naar Bethel, naar Haran, naar Sichem, naar . .. Egypte. Al die tijd, heel die weg. Verder nog: van de wieg tot het graf. Er wordt wel eens beweerd: tegenwoordig is een mens verzekerd van de wieg tot het graf. Het mocht wat. Wie de Heere als zijn herder kent, die leeft van de wieg tot het graf onder zijn hoge en heilige hoede. Hij zal ons van alle goed verzorgen en alle kwaad van ons weren, of ten onzen beste keren. Kijk nu nog eens terug, oude, moede aartsvader. Wat ziet ge dan? Een schaap dat een herder had.
Dan gaan al de weldaden des Heeren meedoen, als in een reidans. Vergeet er niet een, mijn ziel. Toen en toen, dat en dat. Bethel, Pniël, Rachel's graf en Jozefs rok. Egypte, waar overvloed was. De Heere maakte het wel boven bidden en denken. De grazige weiden van Zijn woord waren net daar, waar wij van honger dreigden te sterven, midden in de woestijn. De stille wateren vloeiden als een ruisende verrassing; wij mochten er onze dorst mee lessen. Jakob kan er nu niet over uitwijden, dat is niet nodig: Alles ligt in dat: Die God die mij. Ook mij. Hij mag de vaderlijke goedheid Gods bekennen, kinderen en kleinkinderen moeten het weten, dat Jakob een God had, die hem gevoerd en gevoed heeft van dat hij was tot vandaag toe.
Die Engel, die mij verlost heeft van alle kwaad. De herder was de redder. De Engel, dat is God in Christus. Dat is de Heere Christus zelf, de God, de Losser. Dat woord lossen wordt hier voor het eerst in de Heilige Schrift gebruikt. De herder en de losser, wat is deze stervende Jakob vindingrijk. Hij bezigt woorden, die voortaan de grootheid en de goedheid des Heeren zullen uitdrukken. Verlost. De Losser is de bloedverwant, die vrijkoopt van bloedschuld en bloedwraak. Hij treedt op, waar wij het leven verspeeld en verbeurd hebben. Hij redt van schuld en dood. Hij had Jakob in die bange nacht van Pniël niet slechts behoed voor de toorn van zijn broeder, maar bevrijd van de toorn Gods. Van alle kwaad, stamelt hij. Weinig en kwaad, u herinnert het zich. Maar... die Engel. Die Borg. Als Hij er niet geweest was, dan was Jakob een kind des doods, dan had het kwaad hem achtervolgd en voor eeuwig te gronde gericht.
Job kreeg Hem in het oog: Want ik weet, mijn Verlosser leeft. En Paulus gebruikt het woord: Christus heeft ons verlost van de vloek der wet. De vloek, dat is het voortdurend, het voldongen kwaad. Wie verlost ons van de ongerechtigheid? Die Engel, die Gezant, die Eén uit duizend: Ik wil niet, dat deze in het verderf valt. Ik heb verzoening gevonden. Het kostte Hem zijn leven. Petrus stipt het nog eens aan: Niet door vergankelijke dingen, maar door zijn bloed. Wat een onuitsprekelijke en onuitputtelijke rijkdom ligt er opgestapeld in deze enkele woorden. Daar kan Jakob het mee doen, in leven en in sterven. Nu het uur van zijn dood slaat, is die Engel hem nog nabij.
Jakob, mag ik u wat vragen? Hoe lang was het en hoe zwaar woog het? Dat hangt er maar vanaf hoe ge het bekijkt is zijn antwoord. Nee! Dat hangt er van af, of gij God kent, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. De herder, de redder, de trooster. Voor wiens aangezicht gij wandelt, die u voedt en leidt, die u verlost van alle kwaad. Waarover klagen wij dan? Een ieder klage die God achteraan, om Hem te kennen! Klagen wij dan nog over 'Kort en kwaad': Gods goedertierenheid duurt immers de ganse dag.
Hij zegene u, mijn zoon Jozef, met de zegen des verbonds, die veel verder strekt en veel rijker is dan de zegen, die ik aan Farao meegaf. Hij zegene deze jongens. Het zijn nog maar jongens. Ik was ook eens een jongen. Toen al was deze God er, de God van mijn vaderen. Toen al hield Hij mij in het oog, toen al leerde ik Hem zoeken als het hoogste goed. Jongens en meisjes, het is nooit te vroeg om God te zoeken en te kennen. Hij zegene jullie, in deze tijd, in de wereld van vandaag. Kun je met 'vroeger' niet veel meer beginnen, met Hem kun je alles beginnen. Die de trouw bewaart van geslacht tot geslacht. Kalm aan, dan breekt het lijntje niet. Dat is een lijn, zo sterk als een kabeltouw; trek er maar gerust aan, hij breekt niet. Die God van mijn vaderen, mijn God, wil ook jullie God zijn. Met Hem ben ik er door gekomen, met Hem komen jullie er ook door. Onder deze heldere hemel is er verwachting voor kinderen en kindskinderen: Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht tot in het laatste nageslacht.
Jakob, hoe heb ik het toch met u. Ik kan uw uitspraken moeilijk met elkaar rijmen. Het klopt niet: twijfelmoedig maar niet mismoedig. Wij dragen deze schat van de kennis Gods in aarden vaten. Maar hoe bewolkt de lucht ook vaak was, de dag breekt aan, de schaduwen vlieden. Bij heldere hemel klinkt mijn lied: Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's