Israël; Volk, Land en Staat
Voor de tweede maal heeft de Hervormde Synode zich bezig gehouden met het rapport over Israël. Na de eerste bespreking zou de commissie, die het rapport opstelde, de geuite kritiek opnemen, waarna de eindtekst door het Breed Moderamen van de synode zou worden vastgesteld. Aangezien sindsdien echter vele bezwaren tegen het rapport zijn ingebracht, werd besloten dat het rapport opnieuw in de vergadering van de generale synode ter sprake zou komen.
Gezien het belang van de zaak geven we een korte samenvatting van de inhoud van het rapport.
Het Joodse volk in het O.T.
Het rapport begint met op te merken dat het Israël, waar de bijbel in Oud en Nieuw Testament van spreekt, niet verdwenen is. Het Joodse volk van onze tijd is er de voortzetting van. Dat wil niet zeggen dat het volk van nu identiek is met het vroegere. Maar datzelfde geldt voor de kerk. Ook die is niet identiek met de kerk van de apostelen, maar is er wel de voortzetting van.
In onze tijd is de staat Israël één van de vormen waarin het Joodse volk, verschijnt. En daarom rijst de vraag of de staat Israël voor christenen een bijzondere geloofsdimensie heeft. Deze vraag krijgt in het rapport dan verder bijzondere aandacht.
Allereerst wordt dan de bijzondere plaats van Israël in het O.T. benadrukt. Dat Israël een volk werd, berust uitsluitend op Gods roeping en uitverkiezing. God heeft het volk een land toegezegd waarmee het van nature niet verbonden was. Zijn souvereine liefde kreeg zo gestalte temidden van de volkerenwereld. Van deze verkiezing heeft Israël in het geloof weet gehad, maar er was altijd het gevaar dat het dit verkozen-zijn losmaakte van God. Op vele plaatsen in het O.T. klinkt de dankbare verwondering door voor het grote voorrecht dat het het bijzondere kleinood van God mocht zijn. Maar de profeten hebben het volk er steeds aan herinnerd dat dit voor het volk een bijzondere verantwoordelijkheid met zich meebracht; het volk moest wandelen volgens de gerechtigheid en zijn voorrecht moest strekken tot heil voor de volkeren. Het volk Israël heeft in het geloof zijn verbondenheid met het land Palestina beschouwd als van een unieke aard. Het was het land dat God al aan zijn stamvader beloofd had. Het volk en het land horen van Godswege samen. Ballingschap was een teken van Godsgericht en terugkeer een teken van hernieuwde toewending van God tot Zijn volk. De werkelijke bestemming als Gods verbondsvolk kon Israël alleen in het land Palestina bereiken en het volk was er van overtuigd dat de realisering van deze bestemming ten nauwste samenhing met het heil van de wereld.
Inmiddels is het volk Israël als totaliteit zijn identiteit niet trouw geweest. Het O.T. spreekt telkens van Israëls afval en ongehoorzaamheid. Dat het volk desalniettemin zijn bestemming als verbondsvolk niet verloren heeft, ligt aan Gods verkiezing, die Hij niet teniet laat doen. Het bestaan van het O.T. is het teken van de bestemming van Israël om tot heil voor de volkeren te zijn.
Jezus en het Joodse volk
In het verleden hebben vele christenen, aldus het rapport, de nadruk gelegd op de breuk die er gekomen is in de geschiedenis van het Joodse volk met de komst van Christus. Toch wordt ook na Christus in het Nieuwe Testament het onderscheid tussen het Joodse volk en de andere volkeren stilzwijgend verondersteld. Er komt aan Christus een verschillende plaats toe in de geschiedenis van Israël en in de geschiedenis van de andere volkeren.
In Jezus is God opnieuw tot Zijn volk gekomen in ongekende volheid. De Joden worden opgeroepen Jezus als hun Messias te aanvaarden omdat Hij de voortzetting en vervulling is van de geschiedenis van hun eigen volk. Het komen van het Rijk van God hangt met deze aanvaarding op een of andere wijze nauw samen. Het Joodse Volk heeft echter aan deze oproep geen gehoor gegeven. Toch blijft vooral Paulus uitdrukkelijk ontkennen dat het volk na de verwerping van Jezus niet langer bestemd zou zijn om Gods bijzonder volk te zijn. Als echter de verkiezing van kracht blijft, dan blijft ook de band tussen volk en land van Godswege gehandhaafd. Al wordt dit in het N.T. niet meer uitdrukkelijk zó gesteld, het wordt ook niet ontkend. Dat de plaats van het land in het N.T. niet meer uitdrukkelijk aan de orde komt, vindt — aldus het rapport — zijn oorzaak in het feit dat het in de tijd van de schrijvers van het N.T. nog vanzelfsprekend was dat het volk in het land woonde.
Jezus en de volkeren
Voor de volkeren betekent Jezus iets fundamenteel anders dan voor Israël. Jezus Christus roept de volkeren niet terug naar hun eigen oorsprong, maar naar iets totaal nieuws in hun geschiedenis. In de verkondiging van de Messias van Israël worden de volkeren, die eerst God niet kenden, nu met God geconfronteerd. De kerk is nu de eenheid van Joden en heidenen in Christus, die geroepen is om als messiaanse gemeente plaatsbekledend voor alle mensen, vooruitgrijpend op de toekomst, het komende universele Godsrijk uit te beelden en in navolging van Jezus profetisch en uitnodigend te staan, temidden van en tegenover het Joodse volk en tegenover de volkeren. De kerk heeft evenwel, evenals Israël, naast tekenen van haar identiteit ook tekenen van vervreemding getoond.
Het Joodse volk in onze tijd.
Tot nu toe is van een werkelijke aanvaarding van Christus door het Joodse volk geen sprake. Maar ook de kerk vervult haar roeping in grote gebrekkigheid. Zolang nu echter de vervulling er nog niet is, waarin het onderscheid tussen Joden en niet-Joden geen rol meer spelen zal omdat God alles in allen zijn zal, mag ook het Joodse volk in zijn eigenheid er zijn. In dit volk hebben wij steeds met God zelf te doen. Zou het daardoor niet komen, zo wordt gevraagd in het rapport, dat dit volk des te meer aanstoot geeft, naarmate het meer in de geschiedenis in de zichtbaarheid treedt?
Ondanks de vervreemding van het volk Israël van zijn ware identiteit blijven er ook nu nog tekenen van die ware indentiteit, b.v. in de wetsgetrouwheid van de orthodoxe Joden en in de betrokkenheid van veel Joden op het eigen land, waardoor o.a. de terugkeer tot het land tot stand kwam. Bovendien komt de bestemming van het Joodse volk tot uiting in het Anti-Semitisme. Waar een volk naar racisme of antinationalistische zelfverheerlijking dreigt af te glijden is één van de eerste waarschuwingsseinen dat het zich stoot aan de Joden.
De terugkeer van het Joodse volk naar hun land wijst inmiddels duidelijk op de bijzondere betekenis van dit volk temidden van de volkeren en op de bewarende trouw van God. De belofte van God voor de blijvende verbondenheid van volk en land geldt echter niet op gelijke wijze die van volk en staat. Maar toch concludeert het rapport dat wie, vanuit het geloof, de hereniging van het Joodse volk in het land aanvaardt, in de gegeven omstandigheden ook een eigen staatsbestel voor dit volk moet aanvaarden. Onder de huidige omstandigheden biedt de staatsvorm aan het Joodse volk meer mogelijkheden om zijn roeping te vervullen dan enig alternatief kan geven. Wie dat niet ziet begeeft zich op een weg waarop het N.T. van het O.T., God van de geschiedenis en het gebod Gods van de genade Gods wordt losgemaakt.
De Staat Israël is zó geroepen de andere volkeren voor te leven wat een staat is. Die roeping blijft al wordt dit momenteel slechts door weinigen in Israël beseft.
Kerk en Israël
Israëls weg is nauw verbonden met de verwachting van de kerk; zo begint het slotparagraafje van het rapport. De volle verwerkelijking van zijn identiteit zou inhouden dat het Joodse volk het komen van God in zijn midden werkelijk zou aanvaarden. Maar dit is hetzelfde als het aanvaarden van Jezus Christus. Dan zou de weg geopend zijn tot de algehele vervulling van Gods bedoeling met de wereld, tot het Rijk van God, waarin het onderscheid tussen het Joodse volk en de andere volken geen rol meer spelen zal. De kerk gaat tot die tijd de weg van Jezus Christus. Als de kerk echter ten volle daaruit zou leven zou het Joodse volk, zoals Paulus zegt, tot jaloersheid worden verwekt. Dat dit nog niet gebeurt wijst op het gebrekkige van de kerk. En daarom zijn het Joodse volk en de kerk beide onderweg en worden zij beide, elk op eigen wijze, bewaard in Gods trouw.
Beraad
Verschillende synodeleden merkten op dat het herschreven rapport aan duidelijkheid gewonnen had. De theologische hoofdlijnen bleven echter gehandhaafd. Vandaar dat verschilende synodeleden hun kritiek op het rapport handhaafden. Ir. P.J. Baauw uit Velp bracht als eerste de kritiek onder woorden door te vragen hoe geschreven kan worden over roeping, verkiezing en verbond zonder te schrijven over de verzoening. Hij stelde de vraag of de verzoening voor het volk Israël niet relevant is. Met de verwerping van Christus is er, aldus ir. Baauw, een discontinuïteit gekomen in de geschiedenis van het volk Israël. Vóór Christus waren er de offers, maar met het offer van Christus zèlf zijn die offers verdwenen. Het is de taak van de kerk om Christus aan het Joodse volk te verkondigen, aldus ir. Baauw.
Dit punt van de discontinuïteit bleef in het verdere van de discussie centraal staan.
Ds. F.J. Goethals merkte op dat met de komst van Christus de vervulling van Gods bedoeling met de wereld was gekomen. Hij meende dat de breuk in de geschiedenis van het Joodse volk door de verwerping van Christus te weinig was verdisconteerd.
Ds. W. Kalkman vroeg of de verkiezing van het volk Israël niet berust op het werk van Christus. Geldt voor Israël niet dat de verkiezing in Christus is? Hij verbond daaraan de vraag of een Jood zalig kan worden buiten de aanvaarding van Jezus Christus om. Van de beantwoording van deze vraag wilde hij zijn standpunt t.o.v. het rapport laten afhangen.
In de beantwoording merkt mevr. E. Flesseman-van Leer, een van de samenstellers van het rapport op dat ze zich deze vraag niet op liet dringen, evenmin als voor iemand die buiten het Christelijk geloof staat. Ze meende dat wij niet op Gods rechterstoel mogen gaan zitten.
Ouderling Van Bemmel uit Maarssen kon zich ook niet achter het rapport stellen gezien het feit dat de breuk niet voldoende verdisconteerd was in het rapport. Hij wees op het scheuren van het voorhangsel in de tempel. Dit punt was ook door ds. G.J. Voortman uit Oud-Vossemeer, één van de leden van de commissie van rapport, in een minderheidsnota aan de orde gesteld. Ds. Voortman kon in tegenstelling tot de andere leden van de commissie van rapport geen gunstig advies over dit rapport geven. Hij stelde o.a. dat met het zendingsbevel van Jezus Christus ook de scheiding tussen Jood en heiden is opengescheurd. Samen met de heidenvolkeren wordt ook Israël geroepen tot het geloof in Jezus Christus. Ds. Voortman stelde zich verder achter de vragen van ir. Baauw. Hij meende dat het N.T. in het rapport onvoldoende is verdisconteerd. Ook ds. Posthumus Meijjes plaatste zich achter de vragen van ir. Baauw. Hij meende dat er sprake was geweest van een sterke theologische verwringing om tot een rechtvaardiging van de staat Israël te komen. Hij vroeg zich af of er een nieuwe twistappel onze kerk moet worden binnengerold.
Ds. G.H. Würsten (Sprang) vroeg of onze verhouding tot God om verzoend met God te leven anders is dan voor het volk Israël.
Prof. Rasker merkte op dat, als de roeping niet wordt opgevolgd het verbond verbroken kan worden, zodat herstel van het verbond alleen plaats kan vinden langs de weg van een radicale vernieuwing. Het geloof is voorwaarde voor een herstel van de betrekkingen.
In de beantwoording van de kritiek stelde prof. A.S. van der Woude dat verzoening iets anders is dan verkiezing. In de verzoening is geen continuïteit. In de verkiezing wel. Ook als het verbond verbroken wordt blijft de verkiezing, kreeg prof. Rasker ten antwoord.
Mevrouw Flesseman-van Leer ontkende, in antwoord op vragen van ds. Landsman hierover, dat er twee wegen Gods zijn, één voor de kerk en één voor Israël. Voor beiden ligt het heil in Christus. De Christus van de Kerk is de Messias van Israël. De weg naar Christus is echter voor Christenen anders dan voor Joden. Zoals gezegd wilde zij op de vraag of een Jood zalig kan worden buiten het geloof in Christus niet ingaan.
Ds. A.A. Spijkerboer, lid van de commissie van ontwerp, merkte op dat het rapport geboren is uit een echt Gereformeerd levensbesef. Prof. H. Berkhof wees t.a.v. het punt continuïteit-discontinuïteit nog op Rom. 9—11. Er is wel sprake van discontinuïteit maar deze ligt op de bodem van de continuïteit, zo merkte hij dialectisch op. In zijn voorwoord had hij nog gezegd dat kritiek op de officiële politiek van Israël opgenomen dient te zijn in het geloof in de bijzondere roeping van Israël.
Verschillende synodeleden bleven er verder nog moeite mee houden om de staat Israël als uitvloeisel van de landsbelofte te aanvaarden, b.v. de heer W. Oomkens en ds. A.D.W. Huysman (Purmer). Anderen meenden dat Israël geen dienst bewezen wordt met de publicatie van een dergelijk stuk, of vroegen zich af of we als kerk gerechtigd zijn tot Israël te zeggen dat het exemporisch moet zijn voor de volkeren.
Tenslotte besloot de synode om het stuk te doen uitgaan als een handreiking voor een theologische bezinning. Tien synodeleden stemden tegen, hoofdzakelijk op grond van het punt dat de discontinuïteit die door de verwerping van Christus in de geschiedenis van het Joodse volk gekomen was, niet is verdisconteerd in het rapport.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's