UIT DE PERS
Bewogen appèl
Het is een goede gewoonte belangrijke lezingen in zijn geheel af te drukken in periodieken of in brochurevorm uit te geven. Op de conferentie van de confessionele vereniging heeft de oud-synodepraeses, dr. G. de Ru een belangwekkende lezing gehouden, die in de juninummers van het orgaan der confessionele vereniging wordt afgedrukt, terwijl een uitgave in brochurevorm wordt voorbereid. Eigenlijk is de aanduiding 'belangrijke lezing' wat zwak. Het is een indringende analyse geworden van de situatie waarin kerk en theologie verkeren, en een bewogen appèl om waarlijk kerk te zijn en zich te stellen onder het Woord. Het leek ons goed om in dit en het volgende nummer van ons blad uitvoerig aandacht te schenken aan de lezing van dr. De Ru, 'De kerk naar binnen’.
Kerk en revolutie
De auteur begint met erop te wijzen dat wij het Evangelie van de gekruisigde Christus nooit geloofwaardig kunnen maken door daden van gezagsloosheid, geweld en rebellie. Daarmee tornt dr. De Ru op tegen een brede stroom van theologen, die bij voorkeur aanschoppen tegen de gevestigde orde en het gevestigde gezag en voor wie de inhoud van het evangelie geen andere is dan revolutie en structuurvernieuwing. Dr. De Ru citeert in dit verband prof. Kuitert:
Als prof. Kuitert van de V.U. (in: Anders gezegd, 1970, blz. 181—182) pleit voor een 'politiek engagement van de kerk', gaat hij zelfs zóver te zeggen: 'Het evangelie van Jezus is in de wereld, waarin wij leven... slechts te combineren met verzet tegen de gevestigde machten'. Deze radicaliteit is tegenwoordig mode in sommige kerkelijke kringen. Men maakt een ideologie van het revolutionaire. Men spreekt zelfs van een 'theologie der revolutie'. Ik geloof niet dat die bestaat. Wél is het dringend nodig, dat men zich in de kerk ernstig bezint, méér dan tot nu toe, op wat revolutie, macht, geweld, orde, wanorde is. Wat zijn Kuiterts creteria? Wat is zijn alternatief? De éne gevestigde macht inruilen tegen de andere? En welke? En hoe? En door wie? En zou Groen van Prinsterer voor 100 pct. ongelijk gehad hebben, toen hij revolutie en ongeloof met elkaar combineerde?
Heeft Evangelie en revolutie dan niets met elkaar te maken? Zeker niet in de zin, waarin men dat in onze dagen suggereert! Er heerst te dien aanzien een niet geringe, heilloze verwarring. Heel eenvoudig, ik weet: voor velen té eenvoudig, zou ik eerst willen stellen: Jezus pleit nergens voor verzet tegen de gevestigde machten, laat staan voor revolutionair geweld of omverwerping van de bestaande orde; en als er één orde was, die alleen maar gebaseerd was op het meest wrede geweld dan die in zijn tijd, die van 'pax romana', de romeinse vrede! Nu kan men voor dit zwijgen allerlei 'verklaringen' geven, maar intussen blijft het feit staan. Tegenover de O.T. profeten neemt Jezus ter zake van gewelddadig ingrijpen een zeer duidelijke afwijzende houding aan. We horen trouwens in de Schrift zelden over de 'rechten van de mens', wèl over het 'recht van God' en in ieder geval worden nergens mensen aangespoord 'eigen recht' door geweld te zoeken, wèl om liever onrecht te lijden dan te doen. En dat is zeer beslist iets anders dan de 'verdoemelijke behoefteloosheid' van hen, die zich gelaten in hun lot schikken! Nergens lezen wij in het N.T. van enige aansporing tot gewelddadig verzet tegen 'zondige structuren', die er — als men deze onjuiste formulering dan beslist wil gebruiken — waarachtig wel waren: romeinse staatsvorm met keizercultus, oorlogvoering, slavernij, armoede; wèl horen wij onmiskenbaar de oproep tot persoonlijke bekering van de mens levende in die structuren, gebonden door die structuren en verantwoordelijk voor die structuren. Nu acht ik het ontoelaatbaar door een linguïstisch foefje deze oproep tot 'bekering' een oproep tot 'revolutie' te noemen. De revolutie, die hier immers wordt bedoeld, is metanoia, omkeer, verandering van mentaliteit en vooral onderwerping aan de Heer der heren, en deze 'revolutie' heeft niets te maken met het door de politieke en maatschappelijke historie gestempelde woord 'revolutie', zoals wij dat in onze taal kennen. Het Evangelie van zonde en genade is 'revolutionair' in geestelijke zin: verandering van levensrichting, wijziging in de relatie tot God, waardoor dan vanzelfsprekend de relatie tot de medemens verandert. Het Evangelie is als verkondiging nl. een kracht, die op onze bestaanswijze beslissend inwerkt. Het bijbels getuigenis heeft een 'transformerende strekking' (prof. Verkuyl), die ons niet automatisch tegen de bestaande orde en de gevestigde macht in verzet brengt, maar ons als mensen, die door de liefde van Christus zijn aangeraakt, altijd wél de kant van de verdrukten en verworpenen doet kiezen. Wars van iedere revolutionaire ideologie zullen wij in de concrete levenssituaties hebben te luisteren naar dat bijbels getuigenis, dat zal nu eens de indruk van behoudend dan weer die van progressief maken. Elkaar met deze woorden verwijtend een etiket opplakken is onvruchtbaar.
Men zou, inhakend op deze waardevolle opmerkingen, kunnen zeggen dat de voorstanders van de theologie der revolutie a. de bijbelse boodschap op een ontstellende wijze versmallen en vermageren, b. geen oog hebben voor de wijze waarop b.v. in Rom. 13 over overheid en gezag wordt gesproken, c. de bijbelse begrippen op ontoelaatbare wijze vervormen, strijdig met elke gezonde exegese, d. geen recht doen aan de historische werkelijkheid.
Om op dat laatste nog even door te gaan: Gaat het wel aan zo vlotweg te beweren, zoals heden ten dage schering en inslag is, dat christenen doorgaans stonden aan de zijde van de gevestigde orde? Dr. De Ru merkt daartegen op:
Herhaaldelijk is en wordt beweerd, dat vooral christenen, ondanks hun vroomheid, altijd hebben gestaan aan de zijde van de gevestigde orde en dat betekent dan aan de zijde van de uitbuiters; dat alle sociale voorzieningen, alle maatschappelijke vooruitgang sinds eeuwen, alle welvaart, waarvan de volken hier in het Westen genieten, tot stand is gebracht door de buitenkerkelijken, de niet-christenen, het marxisme, het socialisme, het humanisme. Het was een tijdlang zelfs gewoonte daarover bij iedere gelegenheid, te pas en te onpas, schuld te belijden; en nòg gaat die bewering er bij velen met graagte in. Afgezien echter van het feit, dat zij zuiver historisch al voor bestrijding vatbaar is, zowel wat de middeleeuwen als de nieuwe tijd betreft — er was zelfs een periode, dat alléén door de Kerk naar de armen, de schurftigen, de melaatsen werd omgezien! — moet men óók vragen: wat deden die niet-christenen in feite anders dan, vaak ten koste van stromen bloed, welvaart brengen, rijkdom, weelde, het 'leefbare leven'... zonder God, maar met het morele verval en de verveling tot de 'walging' toe! Alles dan nog uitgaande van de veronderstelling, dat er uit die stromen bloed, uit dat geweld, uit dat verzet tegen de gevestigde orde steeds welvaart, rust, vrije meningsuiting, rechtvaardige rechtspraak, waarachtig geluk en afwezigheid van armoede resulteerde! Wat helaas niet het geval is: geweld roept geweld op en de revolutie verslindt maar al te vaak haar eigen kinderen.
Vrijheid en wet
Godfried Bomans heeft onlangs geschreven dat het z.i. denkbaar is dat wij een beschaving ingaan die volledig diesseits is, uitgaande van de idee, dat er na dit leven niets meer is. Een dergelijke beschaving is ronduit verstikkend. 'Je kunt zeggen: we draaien toch nog? Er zijn toch nog allerlei fatsoensnormen? Maar als een kameel geen eten meer krijgt en geen water, kan hij nog een hele tijd op die bult rondlopen. Zoiets doen wij. Wij teren op het vet van de vroomheid, die voorbij is, maar nog in allerlei vorm en onder ons bestaat. Nòg. Maar over 20 jaar, als ook die resten christelijke beschaving zijn opgeteerd, hoe staan wij er dan voor?'
Dr. De Ru knoopt bij dit citaat van Bomans aan, als hij ingaat op de chaos in de ethiek, met name de sexuele moraal. Met een beroep op de liefde en de vrijheid worden de normen van Gods wet opzij gezet. Dan komen wij terecht in het nihilisme. Dringend nodig is, dat wij juist in onze tijd de vraag stellen naar de wil van God, naar Zijn geboden en rechten.
Wat moeten onze kleinkinderen in een wereld, waarin christenen zich in toenemende mate conformeren aan de visie der ongelovigen, waarin ook voor hen het monogame huwelijk geen (goddelijk) gebod meer is, maar een aan verandering onderhevige zede, waarin abortus en euthanasie als legitieme ingrepen ook van kerkelijke zijde worden verdedigd (een mens heeft toch de zeggenschap over zijn eigen leven!) en de homosexualiteit ook door christenen als een legitieme vorm van liefdesbeleving wordt gesanctioneerd (geen 'discriminatie'; zoveel pct. van de bevolking wordt nu eenmaal met die driften geboren en dùs is het 'in orde' en mag men in de uitleving van zijn neigingen niet worden belemmerd!). Waar de mens de plaats heeft ingenomen van God — 'het werd tijd' zegt een man als Sartre, en velen met hem — is er een nihilisme in opmars, waarbij wat we tot nu toe meemaakten nog niets is. De rebellie leidt tot hybris, tot zondige overmoed, die zichzelf vernietigt.
Ik weet: de problemen, die ik slechts even aanraakte, zijn buitengewoon gecompliceerd. Ze kunnen alleen benaderd worden met diepe bewogenheid en een juist begrip van wat er aan de hand is, terwijl iedere botte en vlotte veroordeling moet worden afgewezen. Tegelijk echter stellen zij ons voor de ernstige vraag: bestaat er nog zoiets als de wil van God als een constante grootheid of verandert die met de tijden, met de groei van de wetenschappelijke kennis en de technische vaardigheid, met de ontplooiing van het moderne levensgevoel? Naar aanleiding van een conferentie over: 'Chaos rond eros? ' heeft in 1967 (Gereformeerd Weekblad van 6 januari) prof. Herman Ridderbos het sein al op rood gezet in een artikel: 'Chaos ook rondom agapè? '. Zelf heb ik in mijn, eveneens in 1967 verschenen boek 'Over Vrijheid' (blz. 182) enkele kritische kanttekeningen gemaakt bij de verontrustende ontsporingen in de 'nieuwe moraal', speciaal op sexueel terrein, als bijv. overspel en prostitutie — wat de Kerk daarover dan ook moge leren — positief gewaardeerd worden, mits men 'maar' liefheeft. Jezus noch de apostelen hebben echter de liefde of de Geest in de plaats van de wet gesteld, als zou in de liefde of de Geest het nieuwe ken-principe van de wil van God zijn gelegen. Liefde wordt gevraagd niet als substituut van de wet, maar juist omdat zij door de wet (heilig, rechtvaardig en goed) wordt geëist. Men kan dus niet zeggen, dat als iemand 'maar' liefheeft, hij desnoods ook wel overspel kan bedrijven of zich aan prostitutie kan uitleveren. Als we hier niet nauwkeurig luisteren naar de bijbelse boodschap verdwijnen in een oogwenk de door God gestelde normen in het struikgewas van de gecompliceerde intermenselijke verhoudingen, de maatschappelijke structuren, het gewijzigde werkelijkheidsbesef van de moderne wereldburger. En wie weet dan nog van goed en kwaad? Men kent slechts waarden, die men zelf schept! De vraag naar de wil van God — is dat niet de vraag, die de mens van vandaag zich moet stellen en dikwijls (gelukkig) nog stelt? Benauwend urgent bij het opdringen van een fanatiek heidense religie! In feite betekent dat echter de vraag naar de eigenlijke, echte problemen: de Kerk en de inhoud der prediking.
Tegenover het hoogmoedig streven van de moderne mens, die ook door allerlei theologen maar al te zeer op de troon wordt gezet, zal de kerk Gods beloften en eisen hebben te stellen. Maar wat is de Kerk? Wat prediken wij? Ook hier gaan de meningen maar al te zeer uiteen.
De Kerk als voorwerp van Gods werk
Dr. De Ru legt sterke nadruk op het feit dat God Zijn Kerk vergadert, beschermt en bouwt. De Kerk is geen vereniging van mensen, die elkaar vinden, zoals allerlei verenigingen en instituten tot stand komen, maar zoals artikel 27 der Ned. Gel. Bel. zegt: een heilige vergadering der ware Christgelovigen.
Wezenlijk voor de Kerk is wat de Here doet door Zijn Woord en Geest, door prediking en sacrament. Als voorwerp van Gods werk kan de Kerk ook zelf handelend optreden, prediken en sacramenten bedienen.
De Kerk rust dus nooit in zichzelf. Vandaar dat niets zwakker kan schijnen dan de Kerk, zodat de geloofsbelijdenis (in Art. 27) ook zegt, dat 'zij soms een tijd lang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen'. Dan moet men vooral niet in paniek zijn toevlucht nemen tot ingrepen en stimulantia, die de schijn wellicht nog een beetje ophouden, maar in feite funest, d.i. dodelijk zijn. Men moet niet de psychologie en de sociologie te hulp roepen en de Kerk proberen te maken tot een bedrijf en gaan werken met begrippen als efficiency, strategie, mankracht, rendement, teamwork, specialisatie, experimenten, niet de ambtsdragers maken tot gecontroleerde ambtenaren en wat dies meer zij. In ieder geval niet menen de zgn. failliete zaak nog te redden door daden te stellen, die de goedkeuring van de wereld wel zullen wegdragen. Op Pinksteren werden de grote daden Gods verkondigd en niet de grote daden der mensen! Zodra men zichzelf te veel als subject gaat voelen — we moeten wat doen! — is het bederf aan de gang: want dan laat men geen ruimte en geen tijd meer voor Gods werk en is aan zichzelf, d.i. aan de menselijke zonde overgelaten. Zodra men te veel 'ik' of 'wij' zegt, is men geen Kerk meer, geen voorwerp van Gods arbeid, maar onderwerp, selfmade man en eigengereide sekte. Zelfverzekerdheid is het kenmerk van de schijnkerk.
Het wezenlijke van de Kerk is wat God doet door zijn Woord en Geest. En Hij gebruikt daarbij mensen, als iemand soms denkt, dat het bovenstaande een pleidooi voor gezapige rust, voor quietistische vroomheid zou zijn. Hij gebruikt mensen, die 'bevrijd van de slavernij der zonde in zijn dienst, in de dienst der gerechtigheid, zijn gekomen' (Rom. 6). Die dienst is tweeërlei. Prof. Jonker heeft er in zijn mooie boek 'Leve de Kerk' op gewezen, dat er tegenwoordig een sterke 'diakonialistische tendens' in de kerken is, d.w.z. men laat het Evangelie vrijwel geheel opgaan in de 'diakonia' aan de wereld. Men kon dat in vele toonaarden ook bij de voorbereiding van de Algemene Kerkvergadering horen; trouwens allerwege krijgt men de indruk, dat het accent steeds sterker gelegd wordt op de maatschappelijke activiteiten: alles is vandaag gericht op de wereld, waar we zó oppermachtig heersen, dat we er straks überhaupt niet meer leven kunnen. In het N.T. vinden wij echter duidelijk twee betekenissen van 'diakonia', die wij scherp moeten onderscheiden (nooit scheiden!). Er is een dienst aan de wereld, aan de medemens, beter omschreven met 'dienstbetoon'. Dat is één. Er is ook de 'diakonia der verzoening' (II Cor. 5:19-20), de dienst der Evangelieverkondiging: het Woord der verzoening, dat God ons heeft toevertrouwd.
Wie het Evangelie laat opgaan in de diakonia aan de wereld, moet er wel toe komen de kerk binnenste buiten te keren en te laten opgaan in wereldlijke kaders. Heel de verontrusting van de 'Open Brief' komt hieruit voort. De horizontale diakonia, het sociaal- en maatschappelijk werk wordt zo beklemtoond, dat de prediking der verzoening op de achtergrond raakt.
Dikwijls blijkt het Evangelie te zijn omgezet in een sociaal appèl, de verhouding tot de transcendente God, de God-boven-ons, wordt discutabel gesteld, de zin van het gebed aangevochten, het mens-zijn van Jezus over-geaccentueerd — 'mens voor de anderen', vaak vol twijfel aan eigen roeping en met het kruis als tragisch einde! —, het Evangelie bewust gereduceerd, de verticale tendenzen in de Bijbel omgebogen tot een horizontale denkrichting, neergehaald tot een platvloerse 'moraal zonder zonde', tot een vrijblijvend 'moralisme zonder schuldbesef', tot fantasterijen, die voortkomen uit eigen onbehagen.
Er komen (zegt prof. Van Ruler ergens) gemeenschappelijke rooms-hervormde-gereformeerde 'ketterijen'. Het gaat de verkeerde kant uit via een steeds 'algemener' plaats van Christus (Adam verdwijnt in die zin, dat men van de eerste Adam eigenlijk de tweede maakt), via het evolutionisme (bij een evolutionistische visie op de schepping verdwijnt de zondeval in een proces van groeistoornissen), via het horizontalisme, via de latente kerk, de schare 'anonieme' christenen, die er zijn ook buiten de Christusbelijdende Kerk om. Inderdaad, er zijn tegenwoordig heel veel mensen, die er een eigen geestesleven op na willen houden, los van en onbeïnvloed door de Kerk. Grotesker misverstand is nauwelijks denkbaar: te menen dat men wel christen kan zijn buiten de Kerk van Christus om; dat is 'hoogmoedig, ondankbaar en liefdeloos'. Wie een dergelijk buitenkerkelijk christendom voorstaat houdt meestal zichzelf voor beter dan het stelletje zondaars, dat rondom Woord en Sacrament samenkomt, die er zo bitter weinig van terecht brengen in de praktijk en tegen wie men zo graag en goedkoop zich afzet.
Het vlotte beroep op het geweten en het eigen inzicht, het verzet tegen al wat naar 'theologie' of 'leer' zweemt en de wrevel tegenover redelijke evenwichtigheid en kerkelijke orde zijn typische subjectivistische symptomen van de heersende tijdgeest. Die moeten wij onderkennen, ontmaskeren en er ons niet door laten meeslepen. Men kan inderdaad vragen: zijn de richtingen werkelijk omgezet in modaliteiten, dreigt niet een vermenging van 'barthiaanse vanzelfsprekendheden' en kreten uit de vernieuwingstheologie, is men niet al te zeer bevangen in de 'roes van dienstbaarheid aan de snel zich ontwikkelende wereld', durft men nog Kerk 'in haar aparte gestaltelijkheid' te zijn, laboreren wij niet op ontstellende wijze aan de onzekerheid van het ambt, zijn wij in het vraagstuk van een 'opnieuw belijden' één stap verder gekomen? Onlangs bleek, dat in de Gereformeerde Kerken sommigen één uniforme nieuwe geloofsbelijdenis niet mogelijk achten en zo denken velen in onze hervormde kerk er ook over. Men wil pluriformiteit niet slechts in de vorm, maar ook naar de inhoud van het belijden!
Vernieuwing van structuren of verandering van mensen
Ambt, liturgie, belijdenis en kerkorde worden door velen ingeruild voor maatschappijcritiek, politiek engagement etc. De mondigheid wordt uitgespeeld tegenover het gezag van het Woord, de prediking, het ambt. Echter echte mondigheid kan niet zonder het 'tegenover'. Het is benauwend om te zien hoe het Evangelie van Gods genade in Christus door vele jongeren gereduceerd wordt tot inspiratiebron voor politiek handelen.
Men spreekt tegenwoordig graag over 'zondige structuren' en over 'structurele bekering'. Naar het mij voorkomt theologisch onmogelijke woordcombinaties. Zonde en bekering hebben alleen betrekking op de relatie van mens en mensen tot God. Structuren, economische systemen, staatsvormen op zichzelf zijn niet zondig en kunnen zich ook niet bekeren. Ze kunnen wel, als ze slecht, onrechtvaardig, wreed zijn, door mensen gewijzigd worden, maar wat baat die wijziging als de mensen zélf, die haar tot stand brengen, van zonde noch bekering weten? Het Evangelie mikt dan ook niet primair op verandering van structuren, maar op verandering van mensen. 'Wie in Christus is, is een nieuwe schepping' (II Cor. 5:17) en van deze nieuwe schepping 'Gods maaksel in Christus Jezus', zegt de brief aan de Efeziërs (2:10), dat ze 'geschapen is tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen'. God subject. Wij alleen gehoorzaam. Het nieuwe schepsel in Christus is in staat tot nieuwe relaties en tot nieuwe daden. Zonder de werken is het geloof dood. Het geloof draagt vruchten. Aan de vruchten kent men de boom. Maar vóór alles: 'Zonder mij kunt gij niets doen'. Daarom kan de Kerk nooit zijn — wat men tegenwoordig schijnt te willen forceren — een soort pressiegroep om politieke of maatschappelijke idealen door te drukken, sociale structuren te veranderen, maar altijd in de eerste plaats een vergadering van Christgelovigen, die door God zelf verzameld zijn rondom Woord en Sacrament en daar leren wat het betekent te leven van de 'vreemde vrijspraak', verzoening door het offer van Christus, vergeving uit genade, gerechtigheid door het geloof en om dat nieuwe leven gestalte te geven in de samenleving met anderen, in gezin, maatschappij, zowel nationaal als mondiaal. Zo zijn beide vormen van 'diakonia' onlosmakelijk met elkaar verbonden (Joh. 15:5 en 1 Joh. 3:3). In het N.T. rust de imperatief van het gebod op de indicatief van de genade, d.w.z. uit de werkelijkheid van het heil Gods bloeien de vruchten — als vanzelf — op.
De Kerk heeft als belangrijkste taak 'de mensen te roepen tot de bron van Gods genade en belofte' (Berkhof). Alle geroep om structuurvernieuwing dat hieraan voorbijgaat verzandt in verwettelijking. Aan haar is de bediening der verzoening toevertrouwd. Krachtig onderstreept dr. De Ru de noodzaak van een geregeld en indringend verkeer met de heilige Schrift. En terecht wijst hij er op dat wij ons niet de valse tegenstelling tussen 'leer' en 'leven' mogen laten opdringen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's