De ’gemeenschappelijke bijbelvertaling’
Uit allerlei berichten die enige tijd geleden in de pers verschenen zijn, zal het ook aan de lezers van dit blad wel bekend zijn, dat in de herfst van het vorige jaar door het 'Nederlands Bijbelgenootschap' en de 'Katholieke Bijbelstichting' een stichting in het leven geroepen is om te komen tot één gemeenschappelijke nieuwe Bijbelvertaling voor het nederlandse taalgebied te komen.
Op het ogenblik is de situatie ten aanzien van de Bijbelvertaling in ons land zo, dat aan protestantse zijde naast de Statenvertaling, die nog immer door het NBG geleverd wordt, gebruik gemaakt wordt van de zgn. Nieuwe Vertaling van het NBG (die ondertussen ook al weer gedeeltelijk meer dan 20 jaar oud is: N.T. van 1939; O.T. van 1951), terwijl bij de Rooms Katholieken de zgn. Willibrordvertaling (N.T. van 1961; van het O.T. zijn twee delen verschenen, terwijl de drie nog resterende in bewerking zijn) tegenwoordig het meest gangbaar is.
De vraag is gesteld en door beide verenigingen die zich intensief voor de verbreiding van de H. Schrift in ons land inzetten, bevestigend beantwoord, of het niet gewenst en mogelijk zou zijn om tot één vertaling die door alle Nederlands sprekenden gebruikt kon worden, te komen. Met opzet zeg ik niet: 'die voor Rooms Katholieken en Protestanten beide aanvaardbaar is', want dat zou de gedachte wekken, alsof het hier een soort van koehandel, van 'geven-en-nemen' is; en dat is, zoals straks zal blijken, beslist niet het geval. Bovendien het gaat niet om 'wat wij aanvaardbaar vinden', maar om wat we in de H. Schrift ontvangen mogen.
De redactie van 'De Waarheidsvriend' was zo vriendelijk mij uit te nodigen tot het schrijven van een artikel over deze zaak. Zeer erkentelijk voor dit verzoek voldoe ik daaraan gaarne, al heeft de beantwoording door andere verplichtingen aan mijn kant langer op zich laten wachten dan aanvankelijk voorzien was.
Wanneer we over Bijbelvertaling spreken, dient voorop gesteld te worden dat dit werk met een bepaald doel geschiedt. Waarom vertaalt men de Bijbel? Bij vrijwel alle Bijbelvertalers uit verleden of heden mij bekend, zeker bij hen die zich aan deze 'gemeenschappelijke Bijbelvertaling' willen wijden, kan het antwoord op die vraag in twee Schriftwoorden gevonden worden, n.l. 2 Thess. 3:1 'opdat het woord des Heren zijn loop hebbe en verheerlijkt worde' en Hand. 2:11: 'Wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken'. De H. Schrift is ons gegeven niet in het Nederlands, maar in zgn. 'oude talen': het Oude Testament in het Hebreeuws en Aramees; het Nieuwe Testament in het Grieks van de Romeinse keizertijd. Zo lezen we hem en daarom is in onze theologische opleiding altijd terecht nadruk gelegd op de kennis van de grondtalen. Maar om hem 'in onze eigen taal' te kunnen horen, moet hij vertaald worden. Wie zich aan het prachtige, maar moeilijke werk van de Bijbelvertaling geeft, doet dit, omdat hij wil meewerken om het Woord bekend te maken. Wanneer men dus leest, dat er een (nieuwe) Bijbelvertaling in bewerking is, mag en moet ge aannemen, dat zij die dat werk aanvatten en uitvoeren dit doel voor ogen hebben.
Een goede Bijbelvertaling dient aan twee vereisten te beantwoorden:1. hij moet getrouw zijn aan de grondtekst en er niet maar een slag naar slaan of er een parafrase van maken; 2. hij moet naar de regel van Hand. 2 in onze taal verstaanbaar zijn, in goed Nederlands het woord van de grondtekst weergeven.
Mijn oud-leerlingen onder de lezers van dit blad weten, dat ik die eerste eis heel ernstig neem en altijd hamer op de kennis van het Grieks voor het N.T. Maar het tweede deel van de taak geldt niet minder; het moet goed Nederlands zijn. Woorden zijn geen stenen die men van de ene naar de andere plaats kan dragen zonder dat ze veranderen; ze zijn opgenomen in een levende werkelijkheid van een taal die eigen vormen en constructies heeft. Wie 'woord voor woord' gaat overzetten brengt onzin tot stand. Ik heb dat kortgeleden nog eens gedaan voor het begin van Lukas 16; dan zou men in vs. 2 moeten zeggen: 'Geef af het woord van de huiswetterij van u', want het Griekse oikonomia is letterlijk samengesteld uit 'huis' + 'wet' en heeft niets te maken met 'rente' + 'meesterschap'. Zulk een vertaling is natuurlijk niet goed, al is hij 'letterlijk'. Men moet hier het nederlandse spraakgebruik volgen en pleegt dit ook te doen. Daarbij kunnen natuurlijk allerlei verschillen gaan optreden in het Nederlands, terwijl het toch een goede vertaling is. We moeten er ook rekening mee houden, dat niet in alle levenskringen van ons land het taalgebruik hetzelfde is.
Over de noodzaak van een 'nieuwe' vertaling zal ik hier niet in den brede gaan spreken. Voor wie daarover wil worden ingelicht moge het goed zijn kennis te nemen van de discussies die omstreeks 1910, dus 60 jaar geleden in de Gereformeerde Kerken gevoerd zijn. Toen hebben mannen als A. Noordtzij en F.W. Grosheide overtuigend laten zien, respectievelijk voor het O.T. en N.T., dat de Statenvertaling niet wat 'aangepast' kon worden, maar dat een nieuwe vertaling gebiedende eis was. Zowel ten aanzien van de Bijbeltekst als ten aanzien van de kennis van de grondtalen zijn er in de laatste eeuwen grote vorderingen gemaakt, terwijl ook de taal die wij spreken niet meer 17de eeuws Nederlands is. Vooral het boek van Dr. Grosheide die het waarlijk niet aan respect voor de Statenvertaling ontbrak, over 'Bijbelvertalen' (1916) is nog altijd van grote betekenis voor een ieder die zich serieus en niet kretologisch met deze zaak bezig houdt. De genoemde auteurs hebben er ook tegen allerlei opvattingen in hun eigen kerken op gewezen, dat zulk een nieuwe vertaling een interkerkelijk karakter moest dragen. En dat is ook in de vertaling van 1951 gerealiseerd.
Daarstraks werd er reeds op gewezen, dat het N.T. van de zgn. Nieuwe Vertaling reeds in 1939 verschenen was; men kan wel zeggen, dat de tekst in grote lijnen tussen 1920 en 1935 vastgesteld was in een tijd, toen de taal naar ons besef 'stijver' was dan tegenwoordig. En aangezien geen mensenwerk volmaakt is, kan dat ook niet van een bijbelvertaling verwacht worden. Het is dus niet te verwonderen, dat er omstreeks 1960 duidelijk behoefte was aan een grondige herziening van de 'Nieuwe Vertaling'. Een revisie-commissie van het NBG is daar goed voor aan het werk geweest; als resultaat is verschenen in het vorig jaar een bundeltje 'Markus en Korinthe'; waarbij de tekst ook voorzien is van korte verklarende aantekeningen en registers.
Dit werk van de revisie vond niet plaats, omdat naar het dichterwoord 'ieder hier woelt om verandering', maar eenvoudig omdat zowel de exegetische wetenschap als de taalontwikkeling niet stil staan. Terwijl dit werk van vertaling en revisie aan Reformatorische zijde gestaag voortging, deed zich aan Rooms Katholieke zijde een merkwaardige nieuwe ontwikkeling voor. Midden in de 2de Wereldoorlog publiceerde paus Pius XII een encycliek van verstrekkende betekenis onder de titel 'Onder aanblazing van de Goddelijke Geest' (Afflande Divino Spiritu'), waarin de grondige studie van de H. Schrift bij geestelijken en kerkvolk werd aanbevolen. Het gevolg daarvan is geweest het ontstaan van een grote en grootse Bijbelbeweging in de Rooms Katholieke Kerk. De tot dan enigszins kwijnende Bijbelwetenschap kreeg een opbloei die tot op de dag van heden voortduurt. In vele landen werden vertalingen in de volkstaal gegeven, die gretig aftrek vonden. Er ontstonden instanties die zich aan de verspreiding van de Bijbel wijdden en de studie daarvan stimuleerden, in ons land vooral de 'Katholieke Bijbelstichting'. Er was en is een enorme interesse voor de Bijbel bij Katholieken op een wijze zoals nog geen 30 jaar geleden onvoorstelbaar was.
Wat de Reformatoren gewenst en gehoopt hadden, n.l. dat de Schrift in de Rooms Katholieke Kerk bekend en gelezen zou worden, en wat eeuwen lang onmogelijk scheen, geschiedt in onze dagen. Men gaat niet meer van de Vulgaat, de latijnse vertaling, doch van de grondteksten uit evenals de Reformatorische Christenen, en gebruikt net als wij voor het O.T. zijn 'Kittel' en voor het N.T. zijn 'Nestle'. De Bijbel is niet meer een 'gevaarlijk, ketters' boek, dat leken beter ongelezen kunnen laten, maar de lezing wordt op allerlei manier bevorderd en beoefend. En de eigen tekst van de Bijbel wordt niet door een veelheid van kanttekeningen gemuilkorfd, doch door allerlei aantekeningen verhelderd, waarbij men uiteraard van mening kan verschillen.
In dit opzicht heeft zich een diepgaande wijziging, naar de Schrift toe voltrokken; en dit werkt door bijv. in de studie van de dogmatiek. Men stelt aan Protestantse zijde wel eens de vraag: 'Is Rome veranderd? ' en merkt dan op, dat de besluiten van Trente nog recht overeind staan. In zijn algemeenheid is zulk een vraag verkeerd gesteld. Zo massief liggen de zaken niet. Er zijn terreinen bij 'Rome' waar wel degelijk veranderingen hebben plaats gevonden, bijv. bij de liturgie en vooral ook hier waar het plaats en werking van de Bijbel betreft. Dit is duidelijk voor ieder die zich werkelijk van de stand van zaken op de hoogte wil stellen. En dit is een ontwikkeling waarvoor ieder die weet 'dat het Woord het doen moet' alleen maar diep dankbaar kan zijn. Dankbaar natuurlijk niet jegens mensen, maar jegens de Heer van het Woord.
Er is nog een punt, dat in dit verband speciaal genoemd moet worden, n.l. dat van de zgn. Apokriefe Boeken, die zoals men weet ook in oude edities van de Statenbijbel achterin opgenomen waren. Bij de Rooms Katholieken zijn ze op allerlei plaatsen door het O.T. heen opgenomen. Het is me niet mogelijk hier uitvoerig op deze kwestie in te gaan (ook op de Synode van Dordt is er uitvoerig over gehandeld). Alleen zij opgemerkt, dat dit eigenlijk niet een punt van verschil tussen Rome en de Reformatie is geweest, want ook de Lutherse Kerken hebben de apokriefen in hun Bijbels, evenals de Anglicanen. Op verzoek van de Luthersen en Oud-Katholieken in ons land is dan ook reeds lang een commissie van het NBG met een hernieuwde overzetting van deze schrifturen aan het werk. In elk geval is ten aanzien van de apokriefen voor de zgn. Gemeenschappelijke Bijbelvertaling besloten, dat ze als een aparte groep tussen het O.T. en het N.T. zullen worden opgenomen, op een plaats waar ze historisch gezien ook behoren.
Toen de ontwikkeling van de Bijbelwetenschap en het Bijbelgebruik in de Romana in de hiervoor geschetste richting ging, toen steeds duidelijker werd, dat Roomsen en Protestanten van dezelfde hulpmiddelen bij hun onderzoek gebruik maakten en niet dogmatische binding, maar de vraag: wat zegt de tekst? doorslaggevend was, rees vanzelf ook de vraag: Kunnen we niet tot één gemeenschappelijke vertaling van de H. Schrift komen? Een curieus voorbeeld, hoe de zaken verschoven zijn is het volgende: toen er plannen in deze richting waren, is er een proefproject opgezet, waarbij twee vertalers van Protestantse zijde met twee van Roomse kant het boek Jona zouden vertalen; het resultaat was, dat bij verschillen de scheiding niet langs confessionele lijnen liep, maar dat aan de ene zijde een R.K. + Protestant stond tegenover aan de andere zijde een R.K. + Protestant.
Dit plan van een gemeenschappelijke Bijbelvertaling heeft niets te maken met verdoezeling van verschillen of alles-maar-op-één-hoop-gooien. Het is geboren uit de erkenning van een feit, dat in de laatste 25 jaar heel duidelijk voor ons is komen te staan, n.l. dat wij beiden Protestanten en Rooms Katholieken één Bijbel ontvangen hebben en gebruiken willen; uit de ernstige vraag of we niet samen zó naar die tekst kunnen luisteren, dat we het op dezelfde manier 'in onze eigen taal' vernemen mogen. Ervaringen die in andere landen waar men ons in deze is voorgegaan zoals in het Franse taalgebied zijn bemoedigend en tonen aan, dat die mogelijkheid bestaat. In Frankrijk is men begonnen met een van de 'heetste hangijzers', n.l. de Brief aan de Romeinen en daar is men ook bij het maken van toelichtingen tot een resultaat gekomen dat ook de bewerkers zelf verbaasde en verraste, wat ze niet hadden verwacht, toen ze de arbeid aanvingen. Maar dit resultaat is bereikt niet door water in de wijn te doen, doch door samen luisteren en samen zoeken naar de juiste weergave in eigen taal.
Ik mag zeggen, dat ik nu bijna 20 jaar van heel nabij de arbeid van het Bijbelonderzoek van mijn Rooms Katholieke collega's gevolgd heb.
En deze ervaring heeft me vol vertrouwen gegeven, dat het mogelijk moet zijn om zulk een werk tot stand te brengen. Mijn ervaring met het werk van vertalen in het algemeen en van Bijbelvertalen in het bijzonder is ook deze, dat men van te voren niet te veel moet theoretiseren en met allerlei vermoedens aan moet komen, maar dat men aan het werk moet gaan en moet zien, waar de Here heen leidt. Ik moge hierbij herinneren aan wat aan het begin van dit artikel gezegd is! Tenslotte nog dit: het werk van de 'gemeenschappelijke Bijbelvertaling' betekent niet een fusie van NBG en KBS; het is ondergebracht in een aparte stichting met een eigen bestuur en een eigen verantwoordelijkheid, al is de stichting voor zijn werkzaamheden wel verantwoording schuldig aan de beide genootschappen. Het NBG en de KBS hebben ieder op eigen terrein nog heel veel werk te doen; ik denk bijv. wat het NBG betreft aan het steeds uitbreidende werk voor de zending en de kerken in de 'derde wereld'. Wat zijn er veel noden en ook veel mogelijkheden! Misschien mag ik daarop nog even wijzen: het Nederlands Bijbelgenootschap dat nu reeds meer dan 150 jaar zijn arbeid van de Bijbelverspreiding verrichten mag, heeft veel projecten beschikbaar, vaak met eigen giro, zodat de gever zelf een bestemming aan zijn gift kan geven. Er is voor al deze arbeid maar één doel: dat het woord des Heren zijn loop hebbe, opdat ieder in zijn eigen taal de grote werken Gods hoort verkondigen.
NASCHRIFT
In de loop van het vorige jaar verscheen een persbulletin, waarin mededeling werd gedaan van de oprichting van een stichting, die tot doel had een gezamenlijke nieuwe vertaling van de Bijbel tot stand te brengen, welke stichting in het leven geroepen was door het Nederlands Bijbelgenootschap en door de Katholieke Bijbelstichting. Dit bulletin werd opgenomen in de Waarheidsvriend met een onderschrift van onze toenmalige voorzitter ds. G. Boer, waarin hij bezwaren tegen deze opzet maakte. In een persoonlijk onderhoud met prof. Van Unnik is daarna besproken, dat deze in de gelegenheid zou worden gesteld om op een en ander in te gaan. Dit doet hij in bovenstaand stuk. Ziehier zo kort mogelijk iets van de voorgeschiedenis.
Vele malen zijn de vragen aangaande de vertaling van de Bijbel in ons blad aan de orde gesteld. Ik herinner in dit verband aan een zevental artikelen van mijn hand, opgenomen in de jaargang van 1966. Daarbij wezen wij er op, dat de Statenvertaling door ons niet is afgeschreven en in het museum is opgeborgen, maar dat er veelmeer een voorkeur is voor de z.g.n. oude vertaling. Gaarne verdedig ik het standpunt: de Statenvertaling voor de Schriftlezing; de Nieuwe Vertaling voor Schriftstudie.
Wij zijn er dankbaar voor, dat prof. Van Unnik nauwgezette informatie geeft over de gang van zaken ten aanzien van een geplande vertaling in het hedendaagse Nederlands; ook voor de mededeling, dat het werk van de gemeenschappelijke Bijbelvertaling niet betekent een fusie van Ned. Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting. Onze lezers weten, hoe de ontwikkeling van de Rooms Katholieke theologie door onze kringen met bijzondere belangstelling wordt gevolgd en stellig ook de arbeid aan de Bijbelstudie, zoals die op het ogenblik in de Rooms Katholieke kerk aan de orde wordt gesteld; ik herinner onze theologen aan de aankondigingen van bijbelse commentaren in Theologia Reformata. Het zijn belangrijke boeken, die in het nederlands en in andere talen worden gepubliceerd. Maar ik vraag mij wel af — en dat meer dan eens — in hoeverre de invloed van deze studiën in het geheel van de r.k.k. reikt.
Wij zijn niet erg gerust over de ontwikkeling van een samenwerking, zoals die zich thans in brede kringen van het R.-Katholicisme en van het protestantisme voltrekt. Vandaar ons gebrek aan enthousiasme over dit gemeenschappelijk opgezette plan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's