De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schepping en evolutie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schepping en evolutie

8 minuten leestijd

III

Zon sta stil

Een uitvoerige brief ontving ik van iemand inzake de loop van de hemellichamen. Volgens de briefschrijver zou ik enigszins nonchalant de stelling hebben geponeerd dat er wel niemand meer zal zijn, die nog gelooft dat de zon om de aarde draait. In ieder geval laat hij weten dat dit voor hem niet zomaar vanzelf spreekt. Ik citeer uit deze brief: „Vanuit menselijk oogpunt bekeken lijkt het simpeler dat de zon stil staat en de aarde draait. Maar dat is niet het punt waar het hier om gaat; zelfs niet om wat Jozua zei. Het gaat om wat de Bijbel zegt. Deze is daarin duidelijk met de woorden: „En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat . . zich het volk aan zijn vijanden gewroken had." (Dus daarna niet meer.) U mag David naïef vinden, als deze in Psalm 19 zegt: „Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon; en die is als een bruidegom uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held om het pad te lopen. Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte" — maar gelooft u niet dat God machtig is de zon om de aarde te laten draaien? Of geeft de Bijbel een vertekend beeld?”

Laat ik beginnen met te zeggen dat deze brief mij sympathiek aandoet vanwege het respect dat daarin tot uitdrukking komt voor de Schrift. Wat de beantwoording betreft wil ik maar met het laatste beginnen. Het is geen punt of ik niet geloof dat God machtig is om de zon om de aarde te laten draaien. Dat is hier echter niet in het geding.

In mijn eerste serie artikelen heb ik duidelijk gesteld dat het niet aangaat om het wonder uit de betreffende passage uit Jozua te schrappen. Gods almacht komt juist duidelijk openbaar in het feit, dat Hij ingreep in het natuurgebeuren en de dag langer deed duren dan normaal. God liet zien dat hij de Gebieder was óók van de hemellichamen. Het is van het grootste belang dit zó te blijven stellen tegen allen die dit gegeven uit Jozua van zijn feitelijk karakter willen ontdoen. Maar als iets feitelijk geldt, geldt het dan ook letterlijk, dat wil zeggen, opgevat naar de letter van de tekst?

Als dat zo zou zijn zouden we in tal van moeilijkheden komen, wat betreft het verstaan van de Bijbel. Veelvuldig wordt bijvoorbeeld in de Schrift gesproken over de handen, de voeten, de oren, de ogen, de neus, de adem, de rug, de ingewanden van God. Ook hier mag ik toch wel zeggen dat er wel niemand zal zijn die deze aanduiding letterlijk neemt in de zin, waarin wij ze kennen? Of om een ander voorbeeld te noemen, in de beschrijving van het hemels Jeruzalem in het boek De Openbaringen, worden de meest kleurrijke beelden gebruikt om de heerlijkheid te typeren. De paarlen poorten, de straten van goud, de stad die neerdaalt van God uit de hemel. Ook hier weer een woordgebruik dat ons mensen weliswaar aanspreekt, maar dat toch maar een afspiegeling is, in beeldrijke taal, van datgene wat geen oog heeft gezien. En als ik tenslotte de passage, die de briefschrijver in zijn geheel weergeeft uit Jozua, nog eens lees, dan gaat het daarin over de zon, die is als een bruidegom uit zijn slaapkamer, die vrolijk is als een held om het pad te lopen. Ook hier aanduidingen in beeldrijke taal, die niemand letterlijk neemt.

Het heeft de Heere behaagd om in menselijke woorden en met ons aansprekende beelden iets te openbaren van Zijn grote daden. En het is dan de taak van de bijbelse theologie om de betekenis van de diverse Schriftgedeelten na te gaan.

Zo zegt de Schrift ons in de passage uit Jozua dat God de dag verlengde. Maar dat wonder is vermeld in bewoordingen, die voor ieder te begrijpen zijn, zonder dat ze natuurwetenschappelijk exact zijn geformuleerd. Zoals wij — ik herhaal het nog eens — in het dagelijks spraakgebruik ook nog zeggen dat de zon opkomt, hetgeen natuurwetenschappelijk gezien, onjuist is, zo wordt ditzelfde spraakgebruik hier gebezigd.

In dit verband wil ik ook nog een ander voorbeeld noemen. Iemand, die met een schip het land nadert, ziet de kust naar zich toekomen, hoewel in feite het schip naar die kust toevaart. De Grieken gebruikten dan ook een woord, waarin dat naderen van het land tot uitdrukking komt. In de Statenvertaling en ook in de Nieuwe Vertaling in Handelingen 22 lezen we dan ook dat het land naderde. Niemand neemt dat letterlijk, wel feitelijk.

In dit opzicht moeten we dan ook geen problemen scheppen met de wetenschap, die er in feite niet behoeven te zijn. De loop van de hemellichamen is direct controleerbaar. Een conflict met de wetenschap behoeft hier niet te liggen.

Wanneer prof. Lever deze kwestie echter aangrijpt om te stellen dat we dan ook Genesis 1 maar anders moeten lezen, dan herhaal ik wat ik al eerder schreef, dat ook hier het feitelijk karakter van Genesis 1 niet mag worden ontkend. Wel zullen we ook in dit hoofdstuk de bedoeling van de woorden, waarin ons de feiten van de scheppingsdagen worden vermeld, eerlijk moeten trachten te verstaan. Wanneer we echter het gegeven uit Genesis verdampen tot een verhaal met een strekking, een mythische inkleding, dan doen we het feitelijk karakter van de Schrift geweld aan, evenals wanneer het verhaal uit Jozua zó wordt geïnterpreteerd, dat de zon één of andere zonnegod en de maan een maangodin van de heidenen zou zijn geweest. Prof. Lever zou er eerlijk aan hebben gedaan als hij zó de twee schriftgedeelten (Jozua 23 en Genesis 1) op één lijn zou hebben gesteld.

Practisch argument?

De briefschrijver noemt echter nog een practisch argument, waarmee hij de stelling dat de zon om de aarde beweegt wil illustreren. Ik citeer weer: 'Zelfs verstandelijk beredeneerd is het logischer dat de zon om de aarde draait dan dat de aarde om haar eigen as cirkelt — het gaat overigens niet alleen om de draaiing van de aarde om zijn eigen as, maar ook om de draaiing van de aarde in een baan om de zon, J. v. d. G. — Denk alleen maar eens aan de immense verschillen van temperatuur als de aarde een halve slag gedraaid zou zijn. Wat 's middags in de hitte ligt te blakeren, komt 's nachts op een punt waar de zon constant een middellijn der aardbol aan lengte van verwijderd blijft. Een zwoele zomernacht zou voorgoed verleden tijd zijn. Als u daarbij bedenkt dat in Eindhoven de bladeren twee weken eerder aan de bomen zijn dan in Leeuwarden, en die afstand nog geen 300 km bedraagt, zult u begrijpen wat ik bedoel met een afstand die de middellijn lengte van de aardbol bedraagt.”

Over deze passage in de brief slechts enkele opmerkingen. In de eerste plaats is het zo dat het deel van de aarde dat van de zon is afgekeerd — het deel waar het nacht is dus — geen directe stralingswarmte van de zon ontvangt. Vandaar het verschil in temperatuur overdag en 's nachts. In de tweede plaats is het verschil in afstand van beide kanten van de aarde tot het oppervlak van de zon, in verhouding tot die afstand zelf zeer gering. De kant die naar de zon toegekeerd is heeft een afstand tot het zonoppervlak van — globaal genomen — 1486.10⁵ m, terwijl de kant die van de zon is afgekeerd een afstand tot het zonoppervlak heeft van 1486, 064.10⁵ m. Op dit afstandsverschil is het verschil in temperatuur te verwaarlozen. De aarde kan in haar baan om de zon vrijwel als een stip worden opgevat. Maar zoals gezegd, dit argument speelt in feite helemaal geen rol omdat het van de zon afgekeerde deel geen directe stralingswarmte van de zon ontvangt. In de derde plaats moet gezegd worden dat letterlijk hetzelfde probleem optreedt wanneer de zon in een baan om de aarde zou bewegen. Ook dan treedt het afstandsverschil — gelijk aan één diameter van de aarde — op wanneer de zon op het ene moment de ene kant van de aarde beschijnt en even later het andere deel.

De conclusie, die ik verder nog aan de opmerkingen uit deze brief verbinden wil, is dat we niet met kwasi-wetenschappelijke redeneringen moeten gaan opereren om de wetenschap te bestrijden. Ook niet wanneer er werkelijke conflictstof ligt in de verhouding van geloof en wetenschap. Liever laat ik dan de moeilijkheden open dan dat ik de spanning naar één van beide kanten oplos. We moeten de spanningen dan niet proberen op te lossen door de exegese van de Schrift aan te passen aan de resultaten van de wetenschap. Maar ook moeten we niet natuurwetenschappelijke verschijnselen gaan ombuigen naar een eigen uitleg van de bijbel. Laten we de natuurwetenschappelijke uitspraken blijven zien binnen hun eigen geldigheidskader en beseffen dat de wetenschap aan grenzen is gebonden. En laten we anderzijds belijden dat de bijbel het boek is van Gods openbaring, waarin sprake is van Gods gedachten, die hoger zijn dan de onze.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Schepping en evolutie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's