Het ambt van de ouderling
IV
Bekwaamheid
Wie het formulier tot bevestiging van ouderlingen leest en wie voorts kennis neemt van geschriften als Brakel's Redelijke Godsdienst, inzonderheid op dit punt, komt al direct tot de gedachte, dat voor het ambt van ouderling onmiskenbare bekwaamheid is vereist. De taak immers waartoe ze geroepen worden is dermate zwaar en veeleisend, dat enige oefening en talenten vereist zijn. We spreken nu niet over de omvang van hun taak. Een ieder weet waarin deze bestaat, al is het ook weer zo dat de een een veel beter aanvoelingsvermogen bezit dan de ander, dat een derde veel groter verantwoordelijkheid bezit dan een vierde. Gedurige scherping van de geest ten aanzien van de roeping in werkzaamheden is nodig, maar ditmaal willen wij daarover niet handelen.
Ook laten we als te algemeen bekend ter zijde, dat een ouderling moet staan in het geloof. Dat hij een warm levend mens moet zijn vol van liefde tot God en de mens, het eigendom van Jezus Christus. Dit spreekt zo geheel vanzelf, daarover is reeds door anderen zoveel geschreven, dat wij ons er ontslagen van achten dit te herhalen. Wat wij in dit en het volgende artikel willen doen is op enkele punten te wijzen, die juist de allure van het ambt verhogen. Wij zouden zelfs willen pleiten voor de deftigheid van het ambt. Niet in de zin van kille ongenaakbaarheid, maar in de trant van diepe beschaving, wijsheid en 'weten hoe het hoort'. Ieder lezer van dit blad kent wel uit ervaring ambtsdragers van verleden of heden, die een diep spoor trokken in de gemeente. Door hun bijzondere persoonlijkheid zetten ze een stempel op de kerkeraad en in de omgang waren ze geacht, schoon niet altoos geliefd, omdat ze bepaald niet met de massa meegingen in hun oordeelsvorming. Ontegenzeggelijk waren deze mensen door een diep geloof gerijpt. De eeuwige dingen hadden beslag gekregen op hun leven, en dat bracht met zich mee, dat hun levensgang zich onderscheidde van die van anderen. Hun geheel eigen karakter deelde zich aan hun omgeving mee door hun gebed, hun levenswijsheid, hun mensenkennis en hun nuchterheid. Het komt ons vóór, dat er ook onder ons zijn, die weten, waarop het aankomt, niet vreemd zijn aan de verborgen omgang met de Heere Jezus Christus en toch in hun uitingsvermogen zich belemmerd gevoelen.
Wij denken hierbij aan het gebed in de consistorie voor en na de prediking. Het gevaar van de routine is hier levensgroot. Het onderwerp is altoos hetzelfde. Een ieder weet, dat wij daardoor alleen onze toevlucht dreigen te nemen tot enkele frasen, cliché-termen, die telkens terugkeren. Dat gevaar bestaat op de preekstoel, maar niet minder op de gerfkamer. Wat is er voor bezwaar tegen dit gebed kort te houden, sterk te beperken tot een zegen voor de prediking, de predikant en de gemeente en afwisselend nu eens dit punt dan weer dat punt naar voren te brengen? Men bidde toch vooral kort. Veel broeders hebben er moeite mee. Wist u dat Brakel al adviseerde datgene wat men bidden moest met enkele korte punten te noteren? Welnu, als men weet dat men moet 'opbrengen', waarom dan niet op weg naar de kerk daarover nagepeinsd? Waarom niet tevoren thuis daarover nagedacht en met enkele trefwoorden aangetekend? Men hoede zich voor altoos hetzelfde stramien. Wij kenden een eenvoudige broeder, die door zijn voorbede, vol van eenvoud en Schriftgeladenheid, zulk een beslag legde op de kerkeraad, dat menigeen er een stille zegen van mee naar de kerk nam. Wees uzelf in uw voorbede, zo eenvoudig als het maar kan, en denk ook eens aan bepaalde groepen in de gemeente. We moeten wel zorgen, dat we niet op het terrein komen van het grote voorgebed in de kerk maar er zijn bepaalde categorieën in de gemeente, die bijzondere voorbede behoeven voor het luisteren naar de prediking. Deze kunnen in dit gebed een plaats vinden. Vacantiegasten, organist en koster, de jeugd, de ergernisgevenden, ja, we denken ook aan bepaalde weerstanden in de gemeente zelf, bepaalde gemeentezonden die in de consistoriekamer heel goed de Heere kunnen worden voorgelegd! Met een weinig zorg en liefde kan ook het gebed in de consistorie tot veel hoger plan geheven worden.
Daarnaast denken we ook aan de gave des Woords. Het is een voorrecht wanneer men zich met een zeker gemak weet te uiten door middel van het gesproken woord. Vooral in kleinere gemeenten is het veelal een enkele ouderling, die altoos eindigen moet op verenigingsavonden, een dankwoord spreekt bij diverse gelegenheden. De begrijpelijke schroom weerhoudt de anderen. Toch is het onze besliste overtuiging, dat het ambt van de ouderling meer allure krijgt, wanneer men door het woord op eenvoudige wijze aan de gedachten weet vorm te geven. De beschroomden mogen dan weten, dat de gave van het woord niet aangeboren is in de eerste plaats, maar vooral moet geoefend worden. Men wete dan maat en vorm te vinden. De ouden zeiden al terecht: Zoekt niet naar woorden, maar naar de feiten en de gedachten, dan komen de woorden vanzelf. Door Bijbellectuur en nadenken heeft men de beste scholing, die er is. Wat is er op tegen in een notitieboek eens bepaalde kenmerkende Schriftgedeelten op te tekenen, die ons troffen en tevens daarbij enkele invallende gedachten te bewaren, die ons bij de lectuur naar boven kwamen?
Een derde bekwaamheid is vereist bij het luisteren naar de prediking. Krachtens zijn ambtsopdracht is de ouderling geroepen toezicht te houden op de prediking. Er is telkens gevraagd, over welke elementen in de prediking dit toezicht dan heeft te gaan, en hoever het zich uitstrekt. In de Gereformeerde traditie is dit toezicht steeds tweeledig geweest. Allereerst gaat het over de vraag: is de prediking zuiver? Dus in volle overeenstemming met het Woord Gods en met de leer in onze belijdenisgeschriften uitgedrukt. En in de tweede plaats over de vraag: is de prediking opbouwend? Kan ze werkelijk dienen tot stichting van deze bepaalde gemeente met haar eigenaardigheden, en zoals zij door de Heere in deze bijzondere tijd tot een licht is gesteld in deze duistere wereld? Alleen naar deze twee maatstaven hebt u als ouderling de preken van een dominee te beoordelen. Natuurlijk kunnen we ons bij deze twee punten in allerlei kleinigheden gemakkelijk verliezen. Wij willen dat niet doen. Op de hoofdzaken daarom de aandacht gevestigd.
Vooreerst dus of de prediking zuiver is. U hebt een goed onderscheidingsvermogen nodig. En dat vermogen moet voortdurend geoefend blijven. Voornamelijk door regelmatig Bijbelonderzoek. Laat een dominee rustig naar eigen aard en persoonlijke gaven het Woord Gods bedienen. Indien zijn prediking maar altijd Jezus Christus in het middelpunt plaatst als de ons van God Gezondene tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing, — dan moet deze ten volle instemming vinden, ook al zoudt ge de vorm en wijze, waarop dit wordt voorgesteld, wel eens anders willen. Weet vooral, dat in iedere preek niet alle facetten der goddelijke waarheid aan de orde kunnen komen. Al naar de behoefte der gemeente, moet nu eens deze kant naar voren worden gebracht, dan weer die. Ge weet toch ook hoe het ene kind geheel anders dient te worden benaderd in een gezin dan het andere. Een altoos ijverig kind heeft geen aansporing nodig. Een lui kind wel. Precies zo gaat het ook met een gemeente. De waarheid der Schrift moet niet worden scheefgetrokken, maar wel gevarieerd worden toegepast. Dat gebeurt in de Bijbel ook. Denk aan Paulus en Jacobus. Teveel nog wenst men in één preek alles te horen.
Dan moet de prediking geschieden naar de behoeften van deze hoorders. De dominee moet op de geestelijke noden zijner hoorders ingaan en voor de geestelijke gevaren, die vooral hèn bedreigen, uit het Woord Gods hen waarschuwen. In een gemeente waar maar weinig vrijmoedigheid gevonden wordt om ten Avondmaal te komen, moet niet almaar door gewaarschuwd worden, dat men zo maar aankomt. En in een evenwichtige gemeente moet men niet steeds door hameren op het gevaar van ziekelijke bevinding. Een traditionele gemeente verdient daarentegen waarschuwing tegen sleur en dorre gewoonte. Een pittige gemeente vermaning tegen werkheiligheid.
Daarbij komt dus als derde vanzelf de eis der actualiteit. Wij kunnen niet meer toe met preken van honderd jaar geleden. Wij oordelen niet dat in deze oude geschriften geen waarheid was. Alleen de levende gemeente van heden ondergaat andere invloeden. De gemeente moet ook te horen krijgen, wat de Heere nú van haar vraagt te bidden, te denken en te doen. De prediker heeft weerstanden aan te wijzen, die leden er van zouden kunnen afhouden om de beslissende stap des geloofs te doen. Daarom moeten de anti-christelijke stromingen van deze tijd duidelijk aangewezen worden.
Zo komen we vanzelf tot het laatste, de prediking moet separatief, onderscheidenlijk wezen. De sleutelmacht moet worden bediend. Het Koninkrijk der hemelen moet geopend en gesloten worden. Een scheidingslijn moet door de gemeente getrokken worden en wel die absolute: wie hoort zal leven, maar wie niet gelooft zal verdoemd worden. Hier is een veld van toepassing. Niet alle gemeenteleden staan gelijk tegenover het Woord. Een bekwaam prediker weet, daarbij gesteund door de ouderlingen, telkens in te dringen in de houding, die onderscheiden personen ten opzichte van het Evangelie aannemen.
Wij zijn ons er van bewust met deze opmerkingen nog maar zeer weinig te hebben gegeven. Vooral het bezig zijn in het pastoraat vereist veel voorlichting, doch dit vraagt een boekwerk. Het bovenstaande is een simpele handreiking tot verdere doordenking.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's