De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een grote Onbekende?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een grote Onbekende?

(wie a zegt, moet ook b zeggen)

10 minuten leestijd

In 1527 is Luther als kerkvisitator in Saksen. Ter gelegenheid daarvan vraagt hij aan een boer, of hij de twaalf artikelen des geloofs eens wil opzeggen. De boer begint: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige ...! Dan valt opeens Luther de leerling in de rede en vraagt: 'Almachtig, wat betekent dat? ' 'Ik weet het niet', zegt de boer aarzelend. Waarop Luther hem op de schouder klopt en zegt: 'Ik en alle geleerden weten het ook niet. Doch geloof maar eenvoudig, dat God u zeker helpen zal, ook als gij en uw vrouw en kinderen in nood komt, want Hij kan redden, al verlaten allen u. Dat is Gods Almacht.’

Wezen en deugden Gods

Dit voorval maakt ons duidelijk, hoe mannen als Luther niet speculatief, in het afgetrokkene over Gods wezen en deugden hebben gesproken. Luther zelf heeft door veel zielsconflicten heen leren breken met de scholastieke theologie, waarin de mens via een filosofische redeneertrant (in neoplatonische zin) meende te kunnen doordringen tot het pure zijn van God. Luther heeft het daartegenover als een diepe troost ervaren, toen hij in de nood van zijn leven de deugden Gods in de heilige Schrift ging lezen in hun relatie tot de mens. Toen zag hij, dat bv. de gerechtigheid Gods die deugd des Heeren was, waarmee Hij een zondaar rechtvaardig verklaarde.

Op deze wijze is het bijzonder vruchtbaar te spreken, zoals onze Nederlandse geloofsbelijdenis het doet in artikel 1: Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er is een enig en eenvoudig geestelijk wezen, hetwelk wij God noemen ...! Het is een misvatting te menen, dat deze zin bedoeld is als één van de vele of misschien de best geslaagde poging om in onze taal al tastend naar het wezen Gods te zoeken. Een benadering van God: van de mens uit. Op deze manier blijft God altijd de grote Onbekende, de God, Die Zich verborgen houdt, ongrijpbaar ver. Wij zijn de rechte Godskennis immers sinds de zondeval kwijt. Daarom verspreekt de mens zich altijd, als hij zondermeer enkele lettertekens bijeenbrengt om daarmee God te benoemen. Over God kunnen we alleen spreken vanuit Gods Zelfopenbaring, vanuit de Bijbel, waarin de Heere Zich voor onze oren en harten in onze woorden heeft verklaard. God laat in de veelvuldigheid van Zijn Goddelijke namen zien, wie Hij is en geeft ons van Zichzelf zoveel te kennen als nodig is tot onze zaligheid. Calvijn zegt: 'Tot het Woord moeten wij komen, waar ons God recht en naar het leven beschreven wordt'. Daarin komt God tot ons, zoals Hij is. En wanneer de mens met al zijn dwaze pogingen, eigenmachtig en eigenwijs, aan de voeten van deze Zichzelf openbarende God te gronde gaat, dan komt Hij aan de weet, wie God is, omdat de Heere Zichzelf in al Zijn deugden in hem gaat verheerlijken. 'God is ons een Toevlucht en sterkte; Hij is krachtiglijk bevonden een Hulp in benauwdheden' (Ps. 46:2). Maar dan is er ook een zeker weten, dat wij ons in deze God niet en nooit vergissen. Er behoeft dan ook niet aan getwijfeld te worden, of God uiteindelijk toch misschien nog anders is dan wij dachten. Wel blijven er veel dingen voor het geloof verborgen. Het geloof komt nooit tot een adaeqate Godskennis in deze zin, dat het zo volkomen God kent, zoals God Zichzelf kent. 'Wij zien nu door een spiegel in een duistere rede ...' (1 Cor. 13:12). Het geloof komt in God ook nooit uitgestudeerd. Maar inmiddels mag de ware gelovige zich verheugen in een zuivere Godskennis. Hij kan God wel dieper leren kennen (stonden wij allen daarnaar), maar hij weet ondanks alle aanvechtingen toch ook: Zo is God; met Hem kom ik nooit bedrogen uit.

Vandaar de ferme belijdenis van artikel 1 der N.G.B. Zo heeft het geloof zijn God uit Diens eigen mond leren kennen. Maar nu zou iemand toch bezwaar kunnen maken tegen de wijze van uitdrukking, de formulering van artikel 1. Klinkt het allemaal toch niet veel te filosofisch? Een enig en eenvoudig geestelijk wezen, hetwelk wij God noemen. Had dat niet anders gekund? Bovendien doet de daarop volgende opsomming van de zogenaamde deugden Gods zeer onpersoonlijk aan. Zijn ook de woorden 'eigenschappen', 'volmaaktheden' oftewel 'deugden' Gods wel toereikend? Calvijn sprak bij voorkeur over de deugden Gods om daarmee tot uitdrukking te brengen, dat God juist niet een aldoor in Zichzelf rustend 'zijn' is, maar vol activiteit ten aanzien van Zijn schepselen. Juist de nauwe verbinding tussen het wezen Gods en Zijn deugden in artikel 1 voorkomt de gedachte, dat hier op een dorre, beschouwelijke wijze over God gesproken wordt. Daar komt nog iets bij, nl. dat onze belijdenis met opzet de taal van de Oude Kerk (eerste eeuwen na Christus) gebruikt, niet slechts omdat ze in de katholieke traditie wil staan, maar ook omdat ze geen betere woorden heeft kunnen vinden (bv. 'eenvoudig' en 'wezen') dan de Oude Kerk in haar strijd tegen de dwaalleer. Ieder, die meent, dat hij hier moet gaan verbeteren, zal ons schriftuurlijker woorden moeten geven. Maar hij zal ook moeten bedenken, dat iedere ketter zijn letter heeft en dat het dogma van de kerk daarom wel eens woorden gebruikt, die niet letterlijk in de Schrift voorkomen, maar wel een schriftmatig antwoord geven op de vragen van de tijd.

Een enig en eenvoudig geestelijk wezen

Wie a zegt moet ook b zeggen. Met andere woorden: Wij moeten niet over God spreken in het vage (als over een iets, dat er wel zal zijn), maar naar het getuigenis Gods Zelf. Dat is het abc des geloofs. Welnu, de Schrift belijdt overal de enigheid Gods. Dat is het eerste woord uit de reeks: enig en eenvoudig geestelijk. Wie denkt hier niet aan de oude belijdenis van Israël uit Deut. 6:4: 'Hoor, Israël, de Heere Uw God is een enig Heere!' Betekent dat, dat de Heere enig is in soort? Anders gezegd: dat de Bijbel wel het bestaan van andere goden naast God erkent, maar dat God het van die goden in alle opzichten wint! Tegenover Hem verbleken ze als nieten, ijdelheden, drekkigheden. Mij dunkt, dat dit tever gaat. Naast de enige God staan in de Schrift de andere goden als eigengemaakte, dat betekent: ls niet bestaande goden. Baäl, Astarte, Kamos of hoe ze verder ook mogen heten. Hetzelfde geldt van moderne afgoden als de geldgod Mammon, de sportgoden, sex en wat niet al. Onderschat inmiddels hun macht niet. Spreekt ook Efeze 6 niet over geestelijke boosheden in de lucht als geduchte realiteiten? Achter alles, wat zich als een god aandient, gaat de boze toeleg van de satan schuil, die falsificaties van God ontwerpt en de mens daaraan dienstbaar maakt. De mens dient daarin dan echter in feite een projectie (een beeld) van wat hij zich innerlijk van God en goddelijke dingen voorstelt; en dat geïnfiltreerd door de vader der leugenen. In wezen stellen de afgoden dus niets voor. Het verschil tussen de levende God en hen bestaat dan ook niet in het verschil in macht. God is enig, niet slechts in Zijn soort, maar in getal. En dat stelt ons onder de dure verplichting om met al onze goden en godsdienst van eigen maaksel te knielen voor Hem, Die alleen dienenswaardig is. God is uniek. Alles, wat zich tegenover Hem grootmaakt, moet het niet alleen tegen Hem afleggen, het blijkt ook in de confrontatie met Hem irreëel, onwezenlijk te zijn. Gewoon niets!

Vervolgens wordt in artikel 1 van God gezegd, dat Hij eenvoudig is. Het is duidelijk, dat dit woord eenvoudig niet hetzelfde is als nederig. Wij gebruiken het woord vaak in deze zin: zonder opsmuk. Eenvoudig is hier echter de tegenstelling van samengesteld. De Oude Kerk had te maken met ketterse stromingen als die van het Gnosticisme en het Manicheïsme. Deze leerden, dat de Goddelijke Ongrond (zeer onpersoonlijk dus) zich ontvouwde in een aantal aeonen (goddelijke wezens), die met elkaar de goddelijke volheid vormden. Het bestaan van de mens was te danken aan de verbinding van een enkele goddelijke lichtstraal met de boze materie (stof). En verlossing van de mens bestond volgens deze leer hierin, dat men zich door allerlei ascetische middelen van de boeien der materie ontdeed en terugkeerde tot het goddelijke. Tegenover dit alles heeft de Kerk de eenvoudigheid Gods beleden. Hij is niet samengesteld uit delen. Ook ten aanzien van de leer der drieëenheid heeft de kerk dit altijd vastgehouden. God is niet eensdeels de Vader, andersdeel de Zoon en de Heilige Geest. God is niet het produkt van een proces. Er zijn in Hem ook geen tegenstellingen. Als Hij heilig is, dan is Hij dat helemaal. En als Hij barmhartig is, dan is Hij dat eveneens helemaal. Geen duidelijker voorbeeld hiervan dan in de geschiedenis van het kruis. Golgotha is de plaats, waar God Zijn eenvoudigheid ten toon spreidt. Daar vergaat Zijn Zoon onder de last van Gods toorn, waarop door niets in Godzelf iets valt af te dingen. Maar daar bewijst God ook tegelijk de barmhartige te kunnen zijn, niet voor tachtig procent, maar helemaal, omdat er langs deze weg bij Hem plaats komt voor een gevallen zondaar. Met het oog hierop heeft de Kerk er altijd tegen moeten waken, dat niet de ene deugd Gods tegen de andere wordt uitgespeeld. De oude ketter Marcion kwam er toe om zelfs de god van het O.T. als een god van oog om oog, tand om tand in schrille tegenstelling te plaatsen met de god van het N.T., die der liefde. En ook in onze dagen is het gevaar niet denkbeeldig, dat wij God objectiveren (tot een voorwerp van onderzoek maken), analyseren (ontleden) en aldus uit elkaar halen, wat in God onafscheidenlijk één is. Er zijn al heel wat theologieën als vruchten van dit analyserend denken ontstaan, die alle door hun inzet gedoemd waren te verdwijnen. God is door ons natuurlijk denken niet 'klein' te krijgen. God is zo groot, dat de mens alleen maar voor Hem vallen kan. Dan leert men zich gewonnen geven aan Hem, die eenvoudig is. En in deze levende ontmoeting met de levende God, komt men aan de weet, wie God is. Dat is de theologie der verwondering.

Tenslotte zegt onze belijdenis, dat Gods wezen geestelijk is. Natuurlijk wil dat niet zeggen, dat God niet vleselijk (zondig) is. De Bijbel kent ook de nevenstelling geestelijk-stoffelijk, net zo goed als er in de Schrift duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen ziel en lichaam (Matth. 10:28 bv.) van de mens. Welnu, van de schepselen geldt, dat zij stoffelijk zijn, gebonden aan datgene, waaruit zij gemaakt zijn. Dat kan van God niet gezegd worden. Hij is geestelijk, niet lichamelijk op de manier van de mens. Dat roept ons op om voorzichtig te zijn met onze voorstellingen aangaande God. Wie Hem dient, moet Hem dienen in geest en waarheid (Joh. 4:24). Wij mogen immers geen beelden van God maken. Dat verbiedt ons het tweede gebod en de zonde tegen dit tweede gebod bestaat hierin, dat wij God naar beneden halen, in het stof trekken, als zouden wij de Schepper kunnen vangen in het schepselmatige. Voor God bestaat uiteindelijk geen vergelijkingsmateriaal. En wat van Hem in Zijn geestelijke dienst in het hart mag leven, dat kan uiteindelijk beter bezongen dan beredeneerd worden:

We is als Gij, o Heer', o God der legerscharen./ Wie is aan U gelijk, wie kan U evenaren?/ Grootmachtig zijt G'o Heer; ja eind'Ioos in vermogen./ Uw onverbreek'bre trouw omringt U voor elks ogen. (Psalm 89:4)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Een grote Onbekende?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's