UIT DE PERS
Vernieuwing vanuit de Schrift
In aansluiting aan ons vorig persoverzicht geven we ook ditmaal het woord aan dr. G. de Ru, wiens rede 'De Kerk naar binnen', gehouden op de zomerconferentie der confessionele vereniging afgedrukt is in de juninummers van het 'Hervormd weekblad’.
Dr. De Ru signaleert o.i. terecht een vermagering inzake de geloofskennis. Velen weten niet meer wat ze geloven. Wetenschappelijke informatie moet deze verschraling dan goed maken. Wat we nog aantreffen in veler beschouwingen zijn enkele restanten van het christelijk geloof, plus brokstukken wijsbegeerte van allerlei snit. De nieuwste amerikaanse theologie is 'in'. Velen houden er ook een privé geloof op na. Inzake doop, avondmaal, kerkopvatting, liturgie en ambt heersen de meest wilde opvattingen en is geen experiment te dol. Het resultaat is een volstrekte chaos.
Wat we daarom dringend nodig hebben is aandacht voor de leer, het bijbels ABC. Vernieuwing vanuit de Schrift is nodig en geboden.
Het einde is een volstrekte chaos, hetgeen sommigen ook hopen, omdat ze van het hele instituut kerk zo snel mogelijk af willen; en dan: 'gerichte werkgroepen' van mondige mensen met meningen: ze vinden dit en ze vinden dat, maar hebben het meestal niet zèlf gevonden en zeker niet in de Schrift gevonden. Er moest eens 'een frisse bries van scepsis in Nederland waaien door al die privémeningen heen! 'Ze zijn zo dikwijls sterk menselijk verwant en furieus Gode-vijandig' (Miskotte).
Kortom: we moeten niet van de Leer af maar erheen. Daarom schreef Miskotte zijn Bijbels abc en gaf het niet lang geleden tot onze vreugde opnieuw uit. De verlegenheid der Kerk is niet zover, wat men wel suggereert, haar gebrek aan betrokkenheid op de wereld, haar gemis aan medemenselijkheid. De gelovigen wekken geen ergernis door hun goede werken, maar door hun geloof, door het feit, dat zij met hun hart leven van wat anderen een kolossale overbodigheid achten, ja een gevaarlijke afleidingsmanoeuvre. De vijand valt niet ons lief-zijn aan, onze arbeid in de christelijke praktijk, maar onze Leer en kondigt daartegenover een andere Leer af, met goddelijk totalitaire autoriteit...
Er is in de huidige situatie maar één weg mogelijk: uit de Schrift moet de vernieuwing komen! Niet primair uit de situatie, al zal de verkondiging steeds gericht zijn op mensen in een concrete situatie en rekening houden met die situatie. Maar eerst moeten wij weten wat er staat! Daarom zijn wij zo intens dankbaar voor de groeiende belangstelling voor bijbelstudie in reformatorische en rooms-katholieke kring. Voor predikanten en aanstaande predikanten geldt vóór alles het parool: exegese en nog eens exegese van de Bijbel. En dat is geen zaak van vroomheid alleen, maar van aandachtig luisteren (met kennis van taal, sfeer en begrippenmateriaal van de antieke wereld) naar wat het Woord zegt. Hier is, dacht ik, een waarschuwing op haar plaats tegen een overschatting van de 'singuliere gaven' en een geringschatting van de gedegen theologische studie, waarop juist de kerken der reformatie steeds zo'n sterke nadruk hebben gelegd. We hebben een gemeente nodig, die leert te luisteren naar 'de mening Gods', een Kerk, die leeft 'onder het Woord'. De gemeenten kunnen niet tot leven gebracht worden wanneer het 'leerhuis' ontbreekt voor de eenzamen in hun flatgebouwen.
Dat raakt ook de theologische studie. De referent haakt ook in op de geruchten inzake herstructurering van de theologische opleiding. Heilloos zou dr. De Ru het vinden, wanneer mens-maatschappijwetenschappen de plaats gaan innemen van de theologische vakken. Primair moeten staan de bijbelwetenschappen.
Als er momenteel in onze kerk en in alle kerken, iets belangrijk is, juist ook voor de opleiding en vorming van de aanstaande dienaren des Woords, dan zijn het de bijbelwetenschappen (met de onontbeerlijke kennis der grondtalen) en het onderwijs in de christelijke Leer. Daarnaast is er dan nog de kennis van de mens vanuit de psychologie en van de menselijke verbanden vanuit de sociologie. Uiterst belangrijk en interessant. De theoloog zal daarvan een summiere kennis moeten hebben. Maar de échte mensenkennis komt uit de Heilige Schrift. De mens wordt pas werkelijk ontdekt waar en omdat Jezus Christus wordt beleden. In de onwetendheid van de 'goddelijke dingen' ligt de voornaamste oorzaak van de geestelijke verzwakking, van de morele decadentie, van het wanhopig zoeken naar wegen tot samenleving, tot medemenselijkheid, dat telkens weer tot vruchteloosheid leidt. Men weet niet meer wat de Schrift is; men denkt, dat het daar gaat om een boek, waarin allerlei geniale of simpele lieden hun eigen opvattingen aangaande God ten beste geven; men beseft niet, dat God zèlf daar 'aan het Woord' is. Men weet niet meer wat Kerk is noch wat de zin van het leven en de belofte van het komende Godsrijk betekenen. Men is 'de aarde trouw', men spant zich tot het uiterste in voor de leefbaarheid van het leven, maar de eeuwigheidsvragen, de verborgen omgang met God, de gemeenschap met Christus, de prediking van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de waarschuwing tegen 'de gehele wereld winnen en schade lijden aan de ziel' wijst men als vrome en levensgevaarlijke dooddoener, als conservatief gepraat af.
Nodig is concentratie op de inhoud van de belijdenis, opdat wij weten wat wij geloven en zo ook wat we te prediken hebben. Het leven van de gemeente is er mee gemoeid. Gemeente-zijn is leven ’onder het Woord’.
Vandaag doen we, al luisterende naar de goede bedoeling achter wilde kreten, dezelfde ervaring op. Wat een rebellie, wat een vrijbuiterig geëxperimenteer, wat een onvruchtbare kritiek op de bestaande orde zonder dat men er iets anders dan wanorde en vernieling voor in de plaats kan stellen! Psalm 73:9 — actueel, al werd het waarschijnlijk een 1000 jaar voor Christus geschreven — lijkt vaak de meest adequate typering van de hedendaagse mondige mens, tot in de Gemeente van Christus toe: 'Zij zetten een (grote) mond op tegen de hemel en hun tong roert zich op de aarde'. Alleen door een leven 'onder het Woord' kan de kramp, de overschatting van principes en ideologieën, de roes der demonstraties worden overwonnen. De Thora, de leer, dient de nuchterheid en de zakelijkheid. Leven 'onder het Woord' is de beste remedie tegen de ergste kwaal, waaraan een mens kan lijden: zijn aangeboren religieusiteit. Leven 'onder het Woord' is primair luisteren, nádenken wat God heeft voorgedacht en názeggen wat God heeft voorgezegd. Gehoorzaam. Buigend onder een 'vreemde' autoriteit. Doende wat God ons te doen geeft en niet wat wij denken, dat onder deze voor ons zo bijzondere omstandigheden gedaan moet worden. Koning Saul brak zijn nek over het: 'ik dacht...' Er zijn momenten, dat een mens alleen heeft te gehoorzamen. Dat noemt de Kerk geloof.
Waar komt toch de inbeelding vandaan, dat wij God moeten verantwoorden in de wereld, de oppervlakkige welwillendheid, die denkt, dat wij het Woord met onze daden (sie!) geloofwaardig moeten maken? Zal men dan nooit begrijpen, dat alleen God degene is, die waakt over zijn Woord, en wel: om dat te doen! Men moest hier in Nederland meer Gunning lezen en Kohlbrugge, Barth, Bavinck, Berkouwer, Haitjema, Miskotte, Van Niftrik, Noordmans, Herman Ridderbos, Van Ruler dan Tillich, Vahanian, Hamilton, Robinson, Cox, Altizer en Dorothee Sölle!
De kerk in al zijn geledingen zou er goed aan doen te luisteren naar dit indringende betoog, dat tegelijk een vurige betuiging is, waarlijk kerk te zijn, waarlijk leerling van het Woord te worden. Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift voert tot de dageraad, en anders is er geen heil te verwachten, hoezeer men ook sleutelt aan de structuren.
De prediking en de menselijke nood
Door de huidige vernieuwingstheologen en door structuurvernieuwers wordt meermalen betoogd, dat de prediking vooral een stuk maatschappijcritiek moet zijn en moet ingaan op samenlevingsvragen, politiek ethos en vragen van sociale ethiek. Zo zou de kerk haar dienst aan de wereld moeten verwezenlijken.
Daartegenover stelt dr. De Ru dat in de Schrift de prediking voor alle dingen bediening der verzoening is, en dat deze prediking vooral te maken heeft met individuele noden. De referent noemt aan de hand van zijn practisch pastorale ervaring een aantal noden op en wijst er dan op dat we de nood van onze naaste in de kerk niet mogen afdoen met verwijzing naar Biafra of Vietnam.
Men wil in bepaalde kringen van de predikanten alleen maar 'politiek engagement', d.w.z. dat zij zich door de gang der wereldgebeurtenissen hun tekst laten voorschrijven. Men vergeet, dat zeker 95 pct. van onze gemeenteleden met boven aangeduide benauwende individuele problemen worstelen. Leeft men dan als pastor bij een verhaaltje van het leven of met een blinddoek voor de ogen, waardoor men dat niet ziet? Of — andere mogelijkheid — weet men niet wat men moet zeggen tegen mensen in hun concrete onverklaarbare levensleed? Tenslotte is demonstreren tegen Johnson of Nixon als 'moordenaar' heel wat gemakkelijker en vooral vrijblijvender dan verslagen ouders troosten met het Evangelie van God, die geen rekenschap geeft van zijn daden en wiens doen vaak alleen maar duisternis lijkt; gemakkelijker dan de man, die continu zijn vrouw met overspel bedriegt, tot een andere levenshouding brengen; gemakkelijker dan de haat tegen de mens, die mij onherstelbaar heeft benadeeld of beledigd, te overwinnen en hem te vergeven. De mensen met hun dikwijls onvoorstelbare persoonlijke nood mogen verwachten geholpen te worden door de Grote Herder der schapen, die kleine herdertjes daarvoor gebruiken wil, maar dan moeten die niet eigenwijs zijn en zich láten gebruiken als een goed instrument. Eigenwijs is het, als men het — om iets te noemen — beneden de waardigheid van een christenmens acht door het Evangelie getroost te willen worden. Dat mag tegenwoordig niet meer! Daarvoor komen wij niet in de kerk! Ik zeg daarvan slechts twee dingen: misschien kent iemand, die zo spreekt, zelf nog niet het stukmakend levensleed en in ieder geval wil hij het beter weten dan Jezus Christus, die de heilige Geest de Trooster noemt (Joh. 14:16, vgl. Jes.66:13 en Matth. 5:4). Tot in de diepste diepte troost Hij met de vergeving der zonden, totdat alle tranen van de ogen zullen worden afgewist (Openb. 21:4). Dr. Noordmans zegt ergens: 'Het hele werk des Geestes kan worden opgevat als een troosten van de ellendigen, die de Zoon in de wereld vindt en die Hij tegelijk zalig spreekt en zalig maakt’.
Verkondiging als troost. Men zou ook kunnen zeggen: De prediking heeft een priesterlijke functie. Dr. Buskes heeft er in 'Wegen der prediking' aan herinnerd hoe de grote predikers in de traditie der kerk priesterlijke figuren waren. Dit priesterlijke element mag niet ontbreken, wil de prediking niet verschralen tot een koud betoog.
Vragen wekken
Maar niet alleen geeft de prediking antwoord op de pastorale noden. De prediker als pastor stelt ook vragen vanuit het Woord Gods.
Verkondigen is voorts niet alleen antwoord geven op de vragen, die er momenteel bij jongeren en ouderen leven — waarlijk niet steeds de belangrijkste vragen — maar ook vragen wakker roepen, die niet leven en er toch moesten zijn, vragen, die betrekking hebben op de bron, op het meest fundamentele van het leven. De vraag bijv. van Luther: 'Hoe word ik rechtvaardig voor God?'. De aanklacht van Nathan tot David: 'Gij zijt die man!'. De gemeente van mondige mensen verwacht van de man, die 'het waagstuk der prediking' verricht, de proclamatie van Gods Woord: 'Zo spreekt de Heer!' Zij is er waarlijk niet van gediend en zeker niet mee gebaat, dat de predikant uit een soort bij-de-tijd-willen-zijn zijn theologie en verkondiging laat verdampen in sociologie, psychologie, polemologie, terwijl diegenen onder haar, die van deze en andere speciaal-wetenschappen een grondige, jarenlange studie hebben gemaakt, geen respect zullen kunnen opbrengen voor de predikers, die menen via een luttel aantal colleges van alles en nog wat verstand te hebben, behalve van hun eigen 'vak', dat ze grotendeels als niet meer terzake doende in de moderne tijd hebben afgeschreven. De gemeente hore: belofte en gebod, verwijzing naar het Rijk, dat komt. Zij hore: niet alleen maar diesseitige medemenselijkheids- parenese, maar oproep de keus te doen van het 'smalle pad', dat uitloopt op de stad Gods. Maar daarover hoort men tegenwoordig bij alle maatschappelijke betrokkenheid liever niet, althans niet voordat men op sterven ligt. Moeten wij werkelijk op dat moment wachten? Als men als predikant spreekt over zonde, straf, oordeel, sterven, troost en vergeving is men introvert, weltfremd, conservatief, ouderwets; dergelijke dingen komen, zegt men, niet over! Of worden ze verdrongen? Zou het wellicht ook kunnen zijn, dat de verkondiging van het Rijk, de prediking van de vertroostingen Gods, van vergeving, verzoening en heiliging, van vrede en gerechtigheid door het offer van Christus, de meest effectieve manier is om mensen te leren zich voor hun medemensen te geven?
De kerk en de samenlevingsvragen
Aanknopend bij de AKV, wier opzet door dr. De Ru wordt toegejuicht, al waarschuwt hij voor onordelijkheden, stelt de referent ook de samenlevingsvragen aan de orde. De kerk zal deze wel degelijk moeten bestuderen. Maar de zondagse eredienst leent zich daar niet voor, althans niet in die zin waarin men dat wil.
Natuurlijk zullen in de rechte prediking die rekent met het geheel van de Schrift, geboden der Wet ter sprake komen, maar dan toch betrokken op het Evangelie.
Gedetailleerde behandeling op de kansel is echter ook daarom niet mogelijk, omdat de samenlevingsvragen een dusdanige deskundigheid vereisen, dat de doorsnee predikant daar niet aan voldoet. Als economen zelfs theologen als Gollwitzer nauwelijks ter zake kundig achten, laat dan vooral de predikant in dorp of stad bescheiden zijn, aldus dr. De Ru.
Merkwaardig is hoe in dit referaat anno 1970 dan weer gepleit wordt voor de onderscheiding van Abraham Kuyper tussen instituut en organisme.
De kuyperiaanse onderscheiding tussen de kerk als instituut en als organisme die de laatste decennia door velen fel bestreden is, blijft voor mij zeer bruikbaar en theologisch volledig verantwoord. Het heeft mij dan ook verheugd te lezen, dat een conferentie te Montreux onlangs heeft uitgesproken, dat de kerken een offer moeten brengen om de arme landen te helpen, dat twee procent van het kerkelijk budget daarbij toch wel het minimum moet worden geacht; maar dat de hiërarchische organen die beslissingen niet mogen nemen voor hun gemeenteleden. Wil de Kerk werkelijk een voorbeeld zijn, dan moet héél het kerkvolk doordrongen zijn van de noodzaak tot krachtig helpen. Niet het instituut, maar de leden der Kerk, de christenen moeten door hun geloofsverbondenheid met de Heer, de goede keus doen. Als instituut zal de Kerk — in de onmogelijkheid alle facetten van de meest gecompliceerde wereldvraagstukken in haar overwegingen te betrekken en dan nog eens te beoordelen — zich moeten houden aan de prediking van Gods beloften en geboden, profetisch, als proclamatie van het heil in Christus, niet in 'vage algemeenheden' (de oproep tot bekering is voor de mens tot wie hij komt niet vaag, maar bijzonder duidelijk), maar evenmin met concrete aanbevelingen van omstreden politieke of sociale maatregelen, die haar (de prediking) devalueren tot propaganda voor divergerende idealen ter wereldverbetering.
De Kerk, die weet dat zij pas in de confrontatie met Gods openbaring in Christus 'mondig' is — een levend organisme, zijn Lichaam! — heeft een heilzame invloed op de maatschappij, ook al stelt zij, als instituut, de maatschappelijke problematiek niet altijd nadrukkelijk aan de orde. In zo'n Kerk worden namelijk mensen geboren, die het spel der machten doorzien en die verantwoordelijk denken en handelen; concreet en vruchtbaar, terwijl in de kerkdienst iedere behandeling van samenlevingsvraagstukken een dilettantisch karakter draagt en gemakkelijk misverstanden oproept of langs de werkelijke nood der gemeenteleden heenspreekt.
Geen misplaatste zorg
Zeker, de christelijke gemeente heeft dikwijls schromelijk gefaald in haar roeping. Rom. 7 spreekt in dit opzicht duidelijke taal. Juist daarom mag de zorg voor eigen zieleheil niet benepen of misplaatst genoemd worden.
Verwaarloost de kerk deze pastorale taak, dan schiet zij schromelijk tekort. Wat overblijft, is dan nauwelijks te onderscheiden van het humanisme.
Zonder de primaire taak van de kerk, de prediking der verzoening en der herschepping in Christus, zie ik geen kans om als christen iets te zeggen, dat zinvoller is dan ieder weldenkend en fatsoenlijk humanist ook wel weet te vertellen; daarvoor behoeven we niet in de kerk te komen. Maar de demonie van de zonde is wel zó groot, dat we er met onze humanitaire idealen van wereldverbetering zonder de 'diakonia der verzoening' niet komen. Trouwens, we zullen vanuit de bijbelse visie toch eerst moeten weten wat eigenlijk naar Gods bedoelen het 'humanum' is, dat wij willen bevorderen. Men doet wel alsof dat vanzelf spreekt, maar in menige discussie in en buiten kerkelijk verband blijkt telkens, dat de een zich daarbij totaal iets anders voorstelt dan de ander. Het maakt nl. nogal wat verschil of men (met K. Barth) zegt; 'Men kan van de mens slechts spreken als men over God spreekt', dan wel (met R. Bultmann): Wil men over God spreken dan moet men over zichzelf spreken'. Is de mens bezig, als 'god', autonoom, in volledige vrijheid en creativiteit zijn eigen leven met 'waarden' en 'normen' erbij te 'ontwerpen', dan wel existeert hij, d.w.z. treedt hij te voorschijn als antwoord op het Woord Gods? Ligt zijn toekomst als een mogelijkheid-opzichzelf in de 'secular city', de aardse stad, waar hij eigen recht handhaaft tegenover de ander, dan wel in het Rijk, dat als een genade dwars door al onze onmogelijkheden en verlegenheden heenbreekt en waarin ieder 'tot zijn recht komt', omdat Gods recht wordt erkend? Machtig als de Here God ons bij de schepping van zijn Rijk wil gebruiken. En dat wil Hij, krachtens zijn belofte. ledere dag verwacht Hij ons op het appèl. Onze taak is dan echter geen scheppende, maar een dienende en zich verootmoedigende. De gemeente van Christus staat midden in de kritiek, die er van de voleinding op deze wereld uitgaat. Zij heeft zich te richten naar de oordelen Gods en op de tekenen der tijden te letten (Matth. 16:2 en 3). Zij is de getuige van de kritiek van het Evangelie op de gevallen schepping. Zij is ook in de 'unio mystica', in de geloofsverbondenheid met Christus en de gemeenschap met de heilige Geest, nu eens actief dan weer passief, een teken van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop Gerechtigheid woont.
Tenslotte. De zondagse eredienst is naast prediking en voorbede (!) ook aanbidding, openbare Godsverering. Zal dat geluid op de Algemene Kerkvergadering doorklinken bij alle sociale bewogenheid en neiging tot het stellen van daden in de wereld? Het is toch werkelijk niet vreemd voor wie zijn Bijbel kent, dat christenen, die lijden onder de nood van anderen en van zichzelf, 'primair met hartstocht Kerk willen zijn en niet puur maatschappelijk geëngageerd' (Van Ruler).
God wil wonen op de lofzangen van Israël (Psalm 22:4).
We hebben met opzet breed geciteerd uit dit referaat, omdat het de moeite waard is er naar te luisteren. Wij hebben geen reden uit de hoogte neer te zien op andere sectoren van de kerk. Wij hebben terdege reden onszelf gedurig weer af te vragen: Leven wij zelf onder het Woord? Of zweren we bij een aantal leuzen, zonder dat ons hart de aansluiting kent aan het heilgeheim der verzoening?
Het verval van de kerk gaat niet aan ons voorbij. Daarom past ons de roeping waakzaam te zijn. Tot die waakzaamheid wil ook dit referaat oproepen. De kerk naar binnen ... zo luidt de titel. De diagnose is scherp gesteld. Moge er mee gerekend worden, van hoog tot laag.
Wie de nood van de kerk ziet, zal niet lichtvaardig over de saecularisatie kunnen oordelen, zoals helaas maar al te zeer geschiedt. Terecht schrijft prof. v. Niftrik in zijn laatste boek Waar zijn onze doden: 'In plaats van de kerkelijke achteruitgang bijna te verheerlijken door middel van het beroep op een zgn. 'bijbels gefundeerde' saecularisatie, behoort er met grote aandrang gebeden te worden om een opwekking, een revival’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's