De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

Christenen en moslims in Indonesië

De verhouding tussen het christelijk geloof en de wereldgodsdiensten blijft ons bezighouden. In de theologische bezinning gebruikt men tegenwoordig graag het woord 'dialoog'. Het gaat, zo zegt men, om een dialogische ontmoeting tussen b.v. moslims en christenen. Hier ligt overigens een heel spanningsveld van vragen. Wordt aan het getuigenis niet te kort gedaan? Krijgt de kerk zo de kans voluit en onverkort het evangelie van Jezus Christus, het Licht der wereld, door te geven? Leidt de geweldige nadruk op de dialoog niet tot een relativisme dat in strijd is met de bijbelse boodschap? Daartegenover legt men er dan graag de nadruk op, dat het geenszins de bedoeling is het getuigenis afbreuk te doen. De dialoog staat in dienst van het getuigenis.

Maar niet alleen theologisch rijzen er vragen. De dialoog tussen christenen en moslims wordt ook bemoeilijkt door de concrete verhoudingen. Het tijdschrift voor zendingswetenschap 'De Heerbaan' wijdt het juni-nummer aan deze verhoudingen tussen christenen en mohammedanen in Indonesië.

Ook hier zijn de vragen groot. Er liggen levensgrote moeilijkheden. Prof. dr. D.C. Mulder (hoogleraar aan de V.U.) wijst er in een artikel 'Materiaal betreffende de verhouding tussen moslims en christenen in Indonesië' op, dat de onderlinge betrekkingen de laatste jaren verslechterd zijn. Van regeringszijde worden er dan ook stappen ondernomen de spanningen op te heffen. Eind 1967 is er in Djakarta een godsdienstgesprek gehouden, waar vertegenwoordigers van de vier officieel erkende godsdiensten: islam, protestant, katholiek en hindoe-bali aan deelnamen. De regering was vertegenwoordigd door president Soeharto en de minister van godsdienst.

Soeharto drukte in de openingsrede de bezorgdheid van de regering uit, 'wanneer verbreiding van een godsdienst er op uit is om het getal aanhangers te vermeerderen, des temeer wanneer de wijze van verbreiding de indruk bij aanhangers van andere godsdiensen kan wekken alsof men zich richt tot mensen, die deze andere godsdienst aanhangen'. Men zou grofweg kunnen zeggen: Wel godsdienstvrijheid, ook het recht van verbreiding onder hen die geen godsdienst hebben, maar geen propaganda onder aanhangers van een bepaalde religie. Prof. Mulder tekent hierbij aan:

’Het is duidelijk dat Soeharto hier het bezwaar vertolkt dat bij de moslims leeft tegen de activiteiten van protestanten en katholieken tengevolge waarvan in de jaren na de coup d' état van 1965 vele tienduizenden moslims zich bij de christelijke kerken hebben aangesloten. Soeharto legde in zijn openingsrede er vervolgens de nadruk op dat de regering er geen bezwaar tegen heeft dat aanhangers van een godsdienst internationale contacten onderhouden, want elke godsdienst is universeel, al maakte hij wel het voorbehoud dat zulke contacten niet in strijd mochten komen met de veiligheid en orde in het land. Met deze opmerking wees hij de bezwaren af die bij vele moslims leven tegen de steun die katholieken en protestanten in Indonesië van hun buitenlandse geloofsgenoten ontvangen’.

Van christelijke zijde werd op de genoemde conferentie erop gewezen dat het voor vreedzaam samenleven belangrijk is dat onjuiste geruchten uit de wereld geholpen worden. Het is beslist niet waar als zou er een meerjaren-plan bestaan om Indonesië te kerstenen. Alleen Gods Geest kan immers mensen tot geloof brengen. Tegelijk is door één van de protestantse leiders gewezen op de zendingsopdracht der kerk.

Reacties van moslims

De vraag die met name op de conferentie speelde was deze: Hoe verdraagt zich de godsdienstvrijheid met het recht tot verbreiding van eigen boodschap. Geldt dat laatste alleen met betrekking tot een strook 'niemandsland', d.w.z. ten opzichte van mensen die niet tot de officieel erkende religies behoren? Of mag de verbreiding zich ook uitstrekken tot aanhangers van b.v. de Islam. Hier botst de hoge pretentie van het christelijk geloof, dat zich laat leiden door een woord als Handelingen 4:12 met de moslimse idee van verdraagzaamheid.

Enkele moslimse leiders hebben op de conferentie van Djakarta er voor gepleit dat de wederzijdse verdraagzaamheid ten op zichte van elkaar ook zou moeten betekenen dat men zich het recht ontzegt de eigen boodschap onder de aanhangers van een andere religie, i.e. de Islam te verbreiden. Men beschuldigt dan de christelijke kerken ervan dat zij toch een vorm van propaganda bedrijven onder moslims. Prof. Mulder vertelt hoe er door een moslim gezegd is dat uit het bekende boek van Kraemer: De christelijke boodschap in een niet-christelijke wereld wel degelijk zou blijken dat er een christelijk plan is om de wereld te kerstenen.

De moslims voelen zich daardoor bedreigd en achten het hun heilige roeping hun godsdienst te verdedigen en veilig te stellen voor het gevaar van de kerstening. De christelijke kerk in Indonesië heeft het in dit alles niet gemakkelijk. Zij geniet godsdienstvrijheid zoals de anderen. Maar zij zal vanwege de roeping die Christus haar heeft opgelegd, er nooit van mogen afzien het getuigenis te laten doorklinken ook onder aanhangers van andere godsdiensten. Natuurlijk zal de kerk duidelijk moeten maken dat zending niet betekent propaganda, dat elke idee van dwang en verovering strijdig is aan de wapenrusting van het Evangelie.

Men krijgt uit de gehouden besprekingen de indruk dat men van Moslimse zijde de verdraagzaamheid meer interpreteert als een afzien van de pretentie van het getuigen.

Daarmee treft men echter het christelijk geloof in het hart. Want dit getuigenis staat en valt met de inhoud van de bijbelse boodschap zelf, met het woord van Christus: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Relativering betekent daarom ook een aantasting van de centrale boodschap van het Evangelie.

Dat alles maakt de verhouding tot de moslims uitermate moeilijk. Ds. K.F L. Ie Grand schrijft in zijn artikel 'Ontmoeting met de Islam in Indonesië' dat er zich een antithese aan het ontwikkelen is, ondanks het streven naar samenwerking en opbouw van het land.

Van moslimse zijde wordt er een offensief gevoerd tegen de christenen. En wel op drie fronten: a. De polemiek in geschriften tegen de dogma's der kerk; b. de acties tegen christelijke kerken en de christenen zelf, zoals de aktie in Makassar en allerlei vormen van bedreiging en intimidatie, verdachtmaking van communistische activiteit enz.; c. de beïnvloeding van de regering om een einde te maken aan hulp van buitenlandse kerken. In dit alles komt, aldus ds. Le Grand, tot uitdrukking de beduchtheid van de moslims voor de groei van de christelijke gemeenschappen en voorts een stuk innerlijke onzekerheid.

Terecht wijst hij er op dat het christelijk antwoord alleen maar zal kunnen bestaan in een zuiver verstaan van de betekenis van het kruis van Christus, een verstaan dat ook het zijn en werken van de christelijke kerken in Indonesië zal hebben te bepalen. De moslimse gemeenschap zal een christelijke gemeente tegenover zich moeten vinden die gemeente-ònder-het-kruis is. De inzet om de vrijheid van de geloofskeuze zal lijden met zich mee kunnen brengen. Maar wanneer de kerk kerk onder het kruis is, zal dat ook betekenen dat de christenen bereid moeten zijn verliezen te lijden om het eigenlijke te winnen.

De regeringsverordening van 13 sept. ’69

Van regeringszijde is er in september 1969 een verordening uitgevaardigd om de verhouding tussen de aanhangers der verschillende religies te regelen. De titel luidt: 'Over de uitvoering van de taak van de regeringsapparatuur ten aanzien van de verzekering van de orde en de vlotheid van de realisering van de ontwikkeling en beoefening der godsdiensten door hun aanhangers'. In deze verordening worden de bevoegdheden van regeringsfunctionarissen op provinciaal niveau geregeld. De gouverneur der provincie moet erop toezien dat de verbreiding van de godsdienst geen tweedracht wekt en niet gepaard gaat met intimidatie, voorspiegeling, dwang of bedreiging. Prof. Mulder schrijft in dit verband:

’Het zal duidelijk zijn dat deze regeringsverordening grote macht geeft aan de plaatselijke autoriteiten in godsdienstige zaken. En omdat die plaatselijke autoriteiten vaak meer dan de centrale regering onder druk staan van godsdienstige majoriteiten, mag gevreesd worden, dat bij strikte toepassing van de verordening een belangrijk stuk godsdienstvrijheid verloren zal gaan. Het is dan ook verstaanbaar dat van protestantse en katholieke zijde officieel gereageerd is op de regeringsverordening van 13 september en wel in een gezamenlijk memorandum ondertekend door ds. W.J. Rumambami namens de Raad der Kerken en door pater F.X. Danuwinata s.j. namens het kantoor van de kerkelijke leiding (kantor wali geredja Indonesia). Uit dit memorandum volgen nu nog enkele gegevens.

De ondertekenaars waarderen en ondersteunen het principe dat door de regering gevolgd wordt, namelijk dat elke inwoner van Indonesië vrijheid heeft om zijn godsdienst aan te hangen, om de plichten van zijn godsdienst na te komen en dat de regering de mogelijkheid garandeert van activiteit tot ontplooiing van een religie.

Maar, de betreffende regeringsverordening opent nu juist de mogelijkheid dat deze vrijheden niet meer gegarandeerd zullen zijn en dat uitoefening van fundamentele menselijke rechten niet wordt toegelaten of zelfs verboden. Bovendien laten de artikelen verschillende interpretaties toe.

Met name wordt gewezen op het gevaar dat de verordening in onderscheiden provincies op verschillende wijze wordt toegepast en zo fundamentele rechten niet op uniforme wijze aan alle Indonesiërs worden gegund. Allerlei subjectieve argumenten kunnen in de beslissingen van de provinciale gouverneurs gaan meespelen en op deze wijze kunnen juist de godsdienstige groepen tegen elkaar worden opgezet. Het is trouwens in strijd met de grondwet dat ministers in verordeningen fundamentele menselijke rechten nader regelen, laat staan dat zij dit delegeren aan provinciale gouverneurs. De schrijvers van het memorandum verzoeken de regering op grond van één en ander genoemde regeringsverordening opnieuw in overweging te nemen.

Het is schrijver dezes op dit moment niet bekend of en hoe van regeringszijde op dit memorandum is gereageerd. Het in dit artikel aangevoerde materiaal toont in elk geval duidelijk aan, dat de kwestie van de verhouding tussen moslims en christenen en van de grenzen van de godsdienstvrijheid in Indonesië nog steeds brandend is’.

Tot zover prof. Mulder. Wie uitvoeriger informatie wil, leze het juninummer van 'De Heerbaan'. Het bevat o.m. ook een boeiende passage over de ontkenning van de kruisiging in de Koran en in de moslimse literatuur. Voorts schrijft dr. Bakker over missionaire mobilisatie van de Islam in Indonesië.

Wie op de hoogte wil blijven en mee wil leven met de jonge kerken en de zendingswerkers in Indonesië vindt in het themanummer van de Heerbaan voldoende stof. Het moge onze belangstelling voor kerk en zending, voor de weg van de kerk in Indonesië verdiepen en stimuleren. Het moge bovenal ons gebed verlevendigen opdat het Woord Gods daar en hier zijn loop hebbe en opdat de kerk overzee getrouw mag zijn in het getuigenis van de ene en enige Naam onder de hemel tot zaligheid gegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's