Kennen en dienen
Zij die in bijbelse landen hebben gereisd, zijn het er allen over eens: het is een belevenis. Die plaatsen te bezoeken waar datgene, wat ons in de Schrift is overgeleverd, zich heeft afgespeeld, roept bijzondere gevoelens op. Het is of het bezien van zulke plaatsen het in de Bijbel beschreven gebeuren nog werkelijker voor ons maakt.
Schrijver dezes was weliswaar nog nooit in Israël, maar bezocht wel deze zomer Griekenland. De kolonels interesseerden zich niet voor hem — waarom zouden ze ook! Zo kon hij in alle vrijheid, en geriefelijker dan Paulus in zijn dagen, een bezoek brengen aan Corinthe, Kreta, Efeze in Klein-Azië en aan Athene.
Gedachtig aan de apostel wilde hij daar in Athene graag eens kijken bij de Areopagus. Deze ligt wel midden in de stad, maar in een stadsdeel dat vanwege verrichte opgravingen is afgezet en waar ook geen moderne bebouwing staat. Het is een heuvel, die maar spaarzamelijk is begroeid. Overblijfselen van het oude Griekenland zijn er kortbij genoeg, maar niet op de Areopagus zelf. Vandaar dat die weinig bezoekers trekt. Men is er, zeker tegen het midden van de dag, alleen.
Wie zou zich daar niet een voorstelling maken van de apostel, daar in het centrum van het oude Athene sprekend met die van die stad waren. Kort bij de Akropolis waar de heidense tempels hoog boven de stad troonden (zoals nu nog), de mensen dwingend moeizaam tot die hoogte te geraken waar men zijn goden kon ontmoeten; wèl prachtig overigens, die bouwsels.
Daartegenover de Areopagus: u nederig en onaanzienlijk — maar kort bij de toenmalige markt en dus midden in de wereld van toen, geheel gevangen in zijn eigen, heidense establishment en daarom wat uit de hoogte reagerend op Paulus, die klapper (Hand. 17:18): om maar eens mee, en laat maar eens horen (vs. 19 en 20).
Wat een forse lijnen in zijn rede. De gehele schepping erbij betrekkend (vs. 24-26) en daarbij nader de mens (vs. 26 en verder), deze in enkele korte, heldere zinnen een principieel geheel andere plaats toewijzend tegenover God (vs. 30) dan deze Grieken gewend waren tegenover hun goden in te nemen (vs. 29). En daarbij aanknopend bij wat zij wisten: ergens in de stad dat ene altaar voor de onbekende God, waarschijnlijk opgericht voor het geval ze met hun vele goden er per ongeluk eens een vergeten mochten — en ze vergaten er ook Een.
Toch eigenlijk een grandioze preek. Daar op diezelfde plaats rondwandelend, dacht uw verslaggever onwillekeurig aan de boodschap die tegenwoordig velen de Kerk willen opdringen: maakt het horizontalisme van de huidige tijd ook niet van de Here een onbekende God? Wij zouden in onze medemens Christus ontmoeten in die zin dat wij, alleen al door medemenselijkheid te bedrijven op zichzelf, door 'tekenen van het komende Rijk' op te richten, in Christus zouden zijn. De dienst van God gaat daarbij geheel op in de dienst aan de medemens. Men hoeft God dan eigenlijk helemaal niet meer te kennen om Hem — in de medemens — toch te dienen.
Maar wat zegt Paulus? Die God die gij, niet kennende, dient. Deze verkondig ik u. Paulus wil door de verkondiging tot de kennis van die God brengen. Dat dienen op zichzelf is niets, als ze niet aan de kennis Gods verbonden is. Het kennen van de Here God is primair, de verkondiging is daaraan dienstbaar. Het dienen, hoe belangrijk ook, maakt de tot de kennis Gods leidende verkondiging niet overbodig. De verkondiging maakt de kennis Gods zichtbaar als noodzakelijke ondergrond, als wezenlijke motivering van het dienen.
Godskennis houdt zelfkennis in. De oude Grieken beklommen welgemoed de Akropolis naar de met hun handen gemaakte tempels van hun goden (Hand. 17:27). Maar wie klimt de berg des Heren op, wie zal staan in de plaats van Zijn heiligheid? Hoe is het met ons dienen? Wie kan de door Paulus verkondigde wederkomende Here, die de aarde rechtvaardig zal oordelen, ontmoeten? Een volk dat zichzelf als Jakob kent, en daarom naar de Here vraagt en Zijn aangezicht zoekt (Psalm 24). Aan zulk een volk doet de Here zich vroeg of laat kennen als een hulp en een schild, het — zoals de Galaten-brief het uitdrukt — van de vloek der Wet verlossend en het Zijn Geest verlenend. En pas daarin krijgt ook het dienen zijn laatste, beslissende dimensie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's