De synodale brief over de werkbezoeken aan de classes
Het moderamen van de generale Synode heeft aan de kerkeraden en predikanten en aan de classicale vergaderingen mededelingen gedaan van zijn voornemen om werkbezoeken te brengen aan de classicale vergaderingen. Dat is een omvangrijke arbeid voor de leden van het moderamen. Het is een goede zaak. Het is dan ook wel goed om de werkbrief voor het gesprek van te voren goed te bestuderen. Wederzijdse zorg, wederzijds bezig zijn met de dingen is nodig, want de afvaardiging naar de synode en de synodebezetting is niet altijd zo echt evenredig. En ook al is er een afgevaardigde van een classis in de synode, dan is toch de afstand van de kerk tot de synode vrij groot. De brief om tot het gesprek te komen is, gelijk wij dat van de Synode gewend zijn, in goede stijl en behoorlijk zakelijk. Het gaat in het synodale schrijven om de kernvragen van het christen-zijn en van het kerk-zijn in onze dagen. De vraag is echter: Zijn dit de kernvragen? Beginnen wij dan niet te veel van beneden af te vragen en te spreken? Het christen-zijn en het kerk-zijn is een antwoord op de openbaring van de levende God. Het zijn gegevenheden van de tweede orde. Als het gaan zal om deze vragen in onze dagen, zijn dat dan dagen meer dan andere dagen, anders dan andere dagen? Heeft Paulus eigentijdse dingen aan de orde gesteld? Wordt er werkelijk een bepaalde gerichtheid gevraagd?
’De Hervormde kerk in de zeventiger jaren’
Men meent dat de zeventiger jaren beslissend zijn voor de Hervormde kerk, voor de kerken in Nederland, voor de kerk in het algemeen. Zijn grote gebeurtenissen in de kerk echter doorgaans niet achteraf pas geweten? Heeft niet de kerk een permanent karakter gehad en heeft zij dat niet nog? Is de historie der kerk vergeefs geweest, zodat men nu nieuw moet beginnen? Had men in de veertiger jaren al niet een nieuwe koers ingeslagen, dat deze dan weer gewijzigd moet worden, stel al dat die koers goed geweest is? De A.K.V. heeft op Pinksteren naar voren gebracht wat in brede lagen van de kerk leeft, aldus de brief. Hier zijn de nodige vraagtekens te zetten. Is daar echt naar voren gebracht wat in brede lagen van de kerk leeft? De Synode houdt echter voorshands rekening met wat op de A.K.V. naar voren is gebracht, zij het dat ze dit zeer voorzichtig doet; een voorzichtigheid die terecht is.
Geloven en belijden
Men heeft gevraagd om nieuwe verwoording, een nieuwe catechismus, een nieuw belijdenisgeschrift, terwijl men niet zozeer behoefte heeft aan nieuwe bindende formulieren van enigheid. Hoe kan men dat echter zeggen in een tijd, waarin men vraagt naar eenheid en waarheid en waarin men allerlei kerken onder één noemer wil brengen. Alsof een belijdenisgeschrift en een leerschrift als een catechismus niet in de eerste plaats forme van eenheid en van enigheid wil zijn! Men wil nieuwe bezinning op de vragen, die aanvechtingen en twijfels vertolken: 'Wie is God? Waar is God? Wat mogen wij van Hem weten? Zwijgt Hij of spreekt Hij tot onze generatie? Heeft het zin om over Hem te spreken, in Hem te geloven? Te geloven in een God die leeft? Of bestaat Hij niet? Of als Hij al bestaan heeft, is Hij dan wellicht gestorven? Velen zal dit als even zovele lasteringen in de oren klinken, anderen zullen er hun vragen in herkennen', aldus de brief.
Het is door mij neergeschreven, met moeite; ik schat met moeite ook door de Synode. Voorshands reageert de Synode in tenminste de volgende alinea's hierop behoorlijk positief.
Zij zegt: 'Wil de gemeente niet verworden tot een gesloten gemeenschap van weinigen, dan zal zij daarop antwoord moeten geven. Samen zullen wij de moeilijke weg van het belijden moeten gaan'. 'k Zou zeggen: Dat is de gemeente altijd geweest, een kleine, gesloten gemeenschap en zij heeft op deze vragen een antwoord, al zal zij dat nog al eens diep moeten zoeken. Zo gesloten is zij niet of zij spreekt, zij getuigt en zij geeft antwoord op de meest ongerijmde vragen. Zij durft, als Paulus, op de Areopagus te staan en is zich inderdaad bewust, dat zij de waarheid niet uit haarzelf behoeft te putten. Inderdaad staat of valt de Christelijke gemeente — zoals de brief stelt — met haar verbondenheid met vroegere getuigen en met de Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus. Inderdaad staan wij in onze aanvechtingen en twijfels niet alleen. Daar zijn inderdaad Israël, de Apostelen en de oud-Christelijke gemeente naast ons. Inderdaad lijden ook wij onder 'onrecht, machtswellust, spot van dwazen, die zeggen, dat er geen God is'. Inderdaad geeft God nogal eens antwoord uit een onweder, dat de verborgenheid Gods niet opheft, en werpt de Schrift niet barrikaden op tegen alle vragen. Inderdaad leidt een zinloos vragen tot niets dan wanhopig, cynisch, berustend afzien van antwoorden, als men zich door het Evangelie niet wil laten leren, n.l. over de vrijheid en gehoorzaamheid, die een mens van Christuswege worden geschonken.
Kernvragen
De Synode behoeft echter in een stuk van deze allure geen excuus te maken — wat helaas gebeurt —, om toch niet voor stichtelijk te worden versleten. Zij is immers op haar best, als zij zegt, dat de kerk niet uit het slop komt, als zij niet de fundamentele, reddende werkelijkheid van het leven in de vrede met God, gerechtvaardigd uit het geloof in Jezus Christus, leert verstaan. Van hieruit kan men spreken en handelen in de nood van de kerk en van de wereld. Dit leidt niet tot onvruchtbare berusting en overhaaste activiteiten. Dat willen wij graag onderstrepen.
Schrijft de Synode dan echter over 'geloofsverkondiging', die centraal moet staan in de kerk en in de kerken, dan is mij dat te subjectief. Liever Woordverkondiging van het levende Woord van de levende God, als men, aangespoord door de A.K.V., met de andere kerken samen moet komen tot een duidelijk en helpend opnieuw belijden van de waarheid omtrent God, om samen te beter Gods lof te kunnen zingen. Wij willen graag mee belijden, duidelijk, helpend, opnieuw, maar dan het eeuwige Woord Gods, het getuigenis der eeuwen, Gods lof!
Verband met andere kerken
Men wil graag over het verband met andere kerken op de komende, classicale vergaderingen gesproken hebben. De Hervormde en Gereformeerde synoden spraken uit, dat men samen op weg diende te gaan. Welke weg? De eenheid zou komen binnen tien of vijf jaar. De eerste stappen op deze weg laten op zich wachten. Landelijk viel de samenwerking mee, van het plaatselijk gebeuren hangt het af. Het samengaan met de Gereformeerde kerken, aldus de brief, mag het samengaan met andere kerken niet in de weg staan. Hoe denkt men dat te doen — zo vragen we —, als belijdenissen scheiden? Wil men met één been staan in het eigene, met het àndere niet slechts in het gé-scheidene, maar in het vèrscheidene? Temeer waar men terecht opmerkt, dat de vraag naar het eigene dringender wordt, naar de mate de oecumenische ontwikkeling voortschrijdt. Men stuit onherroepelijk op belijdenisvragen! In de eerste plaats in eigen kerk. Er wordt gewezen op de interne verscheidenheid in geloofsbeleving, geloofsverwoording, liturgische inzichten, stijl van leven. Modaliteiten en richtingen zijn dus niet weg, zijn voor het vele niet-Hervormden zelfs — zoals de brief stelt — het kenmerkende van de Hervormde kerk. Noodgemeenten losten niets op, losten wel op. Daarom nogmaals de vraag naar het rechte belijden is hier toch wel ten volle in het geding.
Eenheid en waarheid
De A.K.V. dringt aan om ruimte te geven aan minderheden. Het vraagstuk van de richtingen is een vraagstuk van de Hervormde kerk, het ligt in hetzelfde vlak als dat van de verscheidenheid der kerken, het treedt ook in andere kerken meer en meer aan de dag en het vraagstuk van de verhouding tot de R.K.-kerk neemt dan nog eens — en meer en meer — een eigen plaats in. Steeds meer Hervormde gemeenten nemen vrije levensvormen aan, bijvoorbeeld rond het Avondmaal. Dat kan een nieuwe modaliteit worden of modaliteiten. Terecht merkt het moderamen op, dat men ter wille van de eenheid aan de waarheid geen geweld moet doen. Wat bedoelt men echter als men zegt dat de waarheid Gods niet vereenzelvigd mag worden met inzichten en formuleringen? Het is een oud verhaal, dat men moet toegroeien naar gemeenschap in Christus en dat de kerk in haar geheel in haar geledingen daarvoor leefregels moet vinden. Maar daar zijn toch geen andere regels te vinden dan die der prediking: wedergeboorte, bekering, geloof, gemeenschap der heiligen.
De plaatselijke gemeente
In de brief wordt onder het hoofd: De christelijke gemeenschap, gesproken over de plaatselijke gemeente. Met de geloofscrisis hangt samen de crisis van de plaatselijke gemeente. Er is teruggang van kerkgang, catechese, aantal lidmaten, financiële draagkracht, aantal predikanten, mindering van belangstelling door grotere wijkgemeenten.
Men zoekt heil in herstructurering.
De Synode waarschuwt tegen het mismoedig zijn en dus maar afbreken van wat er is, of er nog is; tegen de gedachte, dat de tijd van de religie voorbij is en dat de mens aan zichzelf genoeg heeft, dat de kerk als instituut haar tijd gehad heeft. Geeft men aan deze gedachten voet, dan is men er niet meer bij, als het getij kentert, aldus de brief. En dan vergeet men de meest wezenlijke dimensie, waar het geloof van weet, namelijk dat wij door de Geest Gods belijden kinderen Gods te zijn. Rom. 8:16.
Hier is niet alleen sprake van een geloofscrisis, maar ook van een gemeenschapscrisis. Ledenregisters worden gezuiverd met het oog op de administratiekosten. Wij zouden de vraag willen stellen, of wij het administratieve en het bureaucratische niet teveel hebben opgevoerd. Kregen wij daardoor niet een papieren kerk? Zouden niet veel bureaumensen ingezet kunnen worden voor persoonlijke contacten in de gemeenten?
De Synode klaagt over het gebrek aan persoonlijke toewijding en over persoonlijk dienstbetoon, over schuwheid voor herderlijke zorg en vooral voor zielszorg. Ik dacht terecht. Mij dunkt, juist de zielszorg kan helpen, als men bij het huisbezoek voorbijgaat aan allerlei formeel kerkelijke vragen en bepaald geestelijk te werk gaat en het woord Gods, het Evangelie zelf behandelt.
Terecht merkt de brief op, dat veel gemeenten door beroepsmatig maatschappelijk werk aan het diaconaat ontzonken zijn. Vraagt de brief herstel en wederopbouw van de christelijke gemeente, dan is, naar wij dachten, een eenvoudige wederkeer tot de gewone ambten en de vervulling van de gewone ambtelijke arbeid geboden. Als men wat de ambten betreft alles fraglich stelt, dan raakt alles weg. En als men het gewone, gebodene bewaart en doet, kan men daar heil uit verwachten.
De Kerk in de samenleving
Dit noemt de brief als het vierde aspect. Maatschappij en politiek werd het meest besproken in de A.K.V. Deze zaak wordt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis echter in artikel 36, dus bijna in het eind behandeld. Maatschappij en politiek nemen de wereld van vandaag en vooral de jongeren in beslag. Niet wij moeten echter het Evangelie aannemelijk maken. Het tweede gebod mag niet losgemaakt worden van het eerste gebod. Maar, het mag ook niet nummer één geplaatst worden. Al hangen de zaken van oorlog en vrede, rijke en arme landen, wereldhandel en ontwikkelingssamenwerking, maatschappelijke misstanden enz. enz. samen met het christelijk geloof, toch kan niet ieder van àl deze zaken kennis hebben en medeverantwoordelijkheid dragen.
We menen dat de kerk teveel aandacht geeft aan deze zaken en dat de kerk, al wil zij geen partij kiezen, zich van bepaalde zijde toch te veel laat voorschrijven. De kerk heeft ook onder de grote machten het eerste en grote gebod te prediken (gelijk de profeten deden) en dan ook het tweede gebod, gelijk zij in de oorlog deed tegen het nationaal socialisme, nu ook tegen het communisme en dan uiteraard ook tegen het westen.
Tenslotte
Wij zouden in het beleid van de Synode, in haar rondgang door de kerk, meer van God en over God willen vinden en minder van de mensen. Laat de Confessie der kerk de spreekregel zijn, waarnaar de Synode heel de kerk voorgaat en opeist te spreken het Woord Gods. Déze Confessie! Wij begrijpen en waarderen de zorg van de Synode en willen in haar zorg delen. Laat ons echter tezamen gebruiken wat wij hebben, namelijk Gods Woord en het getuigenis der eeuwen, in het bijzonder in de ambten, die wij dragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's