Naar Jerusalem
III.
De kerk van het heilige graf
De heilige grafkerk maakt een vervallen indruk, van buiten en van binnen. Het is een groot complex, waarin veel is gebouwd en verbouwd. Telkens begon men opnieuw na een ramp, die de kerk had geteisterd, hetzij een aardbeving of een oorlog. De Perzen — ik noem maar enige jaartallen — verwoestten de kerk in 614; hoe groot toen de schade was is niet meer na te gaan; in elk geval was de verwoesting in 1009 totaal. De Kruisvaarders begonnen opnieuw; zij waren tenslotte niet voor niets in het heilige land gekomen en in 1149 was de kerk gereed. De grote koepel, die zich welft boven het heilige graf is van 1810, de andere koepel is van de heuvel Golgotha. Als geheel gaat de kerk wel terug op de tijd van de kruisvaarders. Het is ergens een doolhof van kapellen. Via een steile trap gaat men naar boven. Daar is Golgotha, door een koepel overdekt.
Indien ergens, dan vermenigvuldigen zich hier onze gedachten; we trachten ons los te maken van alles wat rondom ons is en ons in te leven in het lijden en sterven des Heren. Want met één offerande heeft Hij volmaakt degenen die geheiligd worden. Hij is in de voleinding der eeuwen geopenbaard om de zonde te niet te doen door zijns zelfs offerande (Hebr. 10; 14; 9:26).
Hier klonken zijn woorden over de toen kale heuvel. Hier beval Hij zijn geest in de hand des Vaders. — Wij dalen af, nu naar de grot van het heilige graf. Wat een doolhof; het is in het geheel van de kerk trap op trap af. Diep moet u bukken om in de kleine grot waarin het lichaam des Heeren zou zijn neergelegd te komen. De soberheid wordt ten enenmale gemist. De tegenstelling tussen de omgeving en de zaak die ons hier bijeenbrengt is voor ons bewustzijn wel groot. Kaarsen, lampen van de vreemdste soort, tapijten, ikonen, herinneringen aan die en aan die. Maar het is als horen we het woord: 'Hij is hier niet want Hij is opgestaan gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Here gelegen heeft.’
Vijf christelijke gemeenschappen delen met elkaar de kerk en het gebruik. Vraag niet wat voor moeilijkheden dat gegeven heeft en geeft als hier een soort permanente inwoning nodig is van rooms-katholieke, armeense, koptische, ethiopische en oosters orthodoxe christenen. Vele malen drongen de geschilpunten — in onze ogen nietigheden — naar de buitenwereld door en het was er verre vandaan, dat de moeilijkheden werden opgelost in een geest van christelijke verdraagzaamheid en eensgezindheid. De rivaliteit tussen de autoriteiten is nu eenmaal groot.
Het tempelplein
In Jerusalem raakt men niet uitgekeken. Een onuitwisbare indruk maakt de plaats waar eens de tempel van Salomo heeft gestaan, een gebied ongeveer 14 ha groot, van gebouwen en muren omgeven. De machtige Omar-moskee beheerst met de Aksa moskee aan de zuidkant van het plein de gehele ruimte, de Haram-asj-Sjerif, 'het illuster heilig gebied'. Dit achthoekige gebouw is een monument van arabische bouwkunst vol van schitterend veelkleurig mozaïkwerk, waarvan meer dan één stuk uit de 7de eeuw dateert. Prachtige ramen waarvan vele uit de 16de eeuw laten een gedempt licht door. Het geheel is gekroond met een vergulde koepel. Men heeft geen marmer gespaard om dit gebouw tot een zo mogelijk onvergankelijke tempel te maken. Het hart van de grote ruimte is de heilige rots; eigenlijk is het gebouw niet anders dan een koepel om en ter ere van deze rots opgericht. Het is geen moskee en hij dateert ook niet uit de dagen van Omar. Het is de Rotskoepel. Hier zou de plaats zijn, waar in de dagen van Salomo, en ook later het brandofferaltaar zou hebben gestaan. Hier zou Abraham zijn zoon hebben geofferd en deze plaats zou Arauna aan David hebben verkocht voor vijftig zilveren sikkels (in het boek van de Kronieken wordt een veel groter bedrag genoemd): En David bouwde aldaar een altaar den Here en offerde brandofferen en dankofferen. Zo werd de Here den lande verbeden en de plaag werd van Israël weggenomen. (2 Sam. 24:25)
Welk een contrast: een kale harde oneffen rots en een omgeving waaraan men geen geld heeft gespaard om het schoon en indrukwekkend te maken door kunst en sierwerk. In de dagen van de kruisvaarders was er zulk een verering van de heilige rots, dat men stukken aan pelgrims verkocht, voor wie het dikwijls meer betekende dan een herinnering uit het heilige land. Ook nu nog is voor het bewustzijn van menigeen de aanraking van deze rots heilzaam en nuttig. Toen heeft men een ijzeren hek erom heen geplaatst en het hek dat vandaag de rots beschermt zou uit die dagen stammen.
Vele gedenkplaten in prachtig gestyleerd arabisch schrift brengen in voor ons bewustzijn sterk opgeschroefde taal hulde aan heersers en overheden, die in de loop der eeuwen zich hebben ingezet voor noodzakelijke restauraties.
Allerlei spreuken uit de Koran staan op de muren te lezen, ook die de moderne toerist moeten aanspreken b.v.: 'Wie zich aan deze wereld vastklemt, zal de andere verliezen’.
Het grote plein is kaal, de grond is hard, de zon fel. Het is warm, midden op de dag in augustus, al ben je hier op een van de hoogste punten van Jerusalem, ongeveer 820 meter. Hier is geen gedrang. Op een enkel bankje zitten mensen, een paar kinderen spelen. Een paar jongens pogen met alle geweld dia's van de koepel en de moskee te verkopen; geen kans. De bron, nodig voor de rituele reiniging wordt geschilderd. Op het gebedsuur komen moslims hier hun gebed doen. Een man knielt, buigt zijn hoofd om de grond aan te raken; maar ineens ontdekt hij onraad: een toerist staat klaar om van de biddende man een foto te maken. Hij staat op, maakt tegen de man met de camera een gebaar, dat voor geen tweeërlei uitleg vatbaar is. Deze laat zijn toestel schijnbaar achteloos zakken en de arabier begint overnieuw. Maar even hardnekkig als hij is in zijn voornemen om te bidden en om zich niet te laten fotograferen, even hardnekkig is de toerist in zijn voornemen om een plaatje te schieten. De gebaren van de bidder worden heftiger, maar hij geeft het niet op, het is de toerist, die na verscheiden vergeefse pogingen — ik heb ze niet geteld — opgeeft. Door de arcaden heeft men een schoon uitzicht; aan de voet van de muur ligt Gethsemané; verderop en wat hoger ligt de plaats Dominus flevit. Dit zou de plek zijn waar Jezus weende over Jerusalem op de dag van zijn intocht in de heilige stad. Recht tegenover: De Olijfberg. Er zijn meer gebouwen op het plein, ook minarets in de muren gebouwd.
Eén gebouw , mogen wij niet voorbij gaan zonder het bezocht te hebben: aan de zuidkant staat de el aksa moskee, een tempel van 80 bij 50 meter. Zeven portalen geven toegang tot de zeven schepen, waaruit de moskee bestaat. Na de Kaaba in Mekka en de moskee van Medina is dit het meest vereerde heiligdom van de Mohammedanen. Wij kunnen ons voorstellen, welk een schok er door de mohammedaanse volken heenging, toen het vorige jaar brand in deze moskee gesticht werd door een niet toerekeningsvatbaar man. 'Zie je wel, dat de heiligdommen niet veilig zijn in de handen van Israël?' Zo probeerden vijanden van Israël munt te slaan uit een wandaad, die geen overheid kan voorkomen. Maar dat men het erg vond in de arabische wereld, niemand, die hun dat euvel kan duiden, integendeel.
Zijn sandalen zet de bezoeker buiten neer; geen bezwaar, ook op kousevoeten gaat het wel, trouwens er liggen in deze moskee zo'n honderd grote tapijten op de vloer, de mooiste en minst versletene in het middenschip. Het dak van het middelste schip is hoger dan dat van de rest van het gebouw en een grote rij van vensters laat zacht licht in de moskee vallen. Ook hier is tijd noch geld gespaard om het geheel tot een indrukwekkend heiligdom te maken. Ik denk aan de vele marmeren zuilen (er moeten 81 zuilen staan en 33 pijlers!), waarvan er vele dateren uit de 8ste eeuw, aan de schitterende uit cederhout van de Libanon gesneden, met paarlemoer en ivoor belegde kansel, een meesterwerk van damasceense kunst uit Aleppo, door Saladin naar Jerusalem gebracht (1187); aan de nis, waarheen de moslims zich richten bij hun gebed (de kibla) en zo kunnen wij wel doorgaan bij de beschrijving van dit heiligdom, waarvan men zegt, dat het in 693 is gesticht en dat misschien wel zijn oorsprong vindt in een basiliek van Konstantijn.
Er is veel te zien en nog meer te overdenken. En als je naar beneden gaat, denk je aan het gebed van Salomo, eens op deze plaats gebeden: Zelfs ook aangaande de vreemdeling, die van Uw volk Israël niet zal zijn, maar uit verren lande om Uws Naams wil komen zal (want zij zullen horen van Uw grote Naam en van Uw sterke hand en van Uw uitgestrekte arm) als hij komen zal en aanbidden in dit huis, hoor Gij dan in de hemel, de vaste plaats Uwer woning en doe naar alles waarom die vreemde tot U roepen zal, opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen (1 Kon. 8:41 vv).
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's