De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

Van Niftrik over Kuitert

In 'Woord en Dienst' van 22 augustus schrijft de amsterdamse hoogleraar, prof. dr. G.C. van Niftrik een artikel over de opstellenbundel van zijn collega, prof. dr. H.M. Kuitert, Anders gezegd. Hij typeert het boek als uiterst progressief. Er is z.i. in 25 jaar toch wel veel veranderd. Gaat de ontwikkeling op deze wijze door, dan kon de Hervormde kerk wel eens de meest behoudende kerk in Nederland worden, naast een zeer progressieve Gereformeerde en Roomse kerk. Wij voor ons zouden dit Van Niftrik zo nog niet na willen zeggen, maar dat er zich binnen de Gereformeerde kerken een geduchte omwenteling voltrekt, zal ieder hem moeten toegeven.

Volgens Van Niftrik herleeft in Kuitert tot op zekere hoogte en op een bepaald moment Groen van Prinsterer. Dat lijkt vreemd. Groen verbond immers de revolutie met het ongeloof, terwijl Kuitert pleit voor een theologie en ethiek der revolutie. En zo dus het christelijk geloof en de revolutie verbindt. Toch is er een punt waar beiden met elkaar overeenkomen. Zowel Groen als Kuitert weten Gods sporen in de geschiedenis aan te wijzen.

Met stelligheid weten beiden Gods sporen in de geschiedenis aan te wijzen. Bepaalde gelaatstrekken van de tijd worden — Kuitert vindt het zelf meer of minder brutaal — uitgelegd als met Gods aanwezigheid in deze tijd gegeven. Kuitert speurt in de geschiedenis naar dingen, die kunnen worden uitgelegd als effecten van de tegenwoordigheid van God, de Vader van Jezus. En hij vindt ze ook. God is in deze historische leefwereld reeds present en maakt de effecten van Zijn tegenwoordigheid merkbaar (p. 134). Dat blijken dan medemenselijkheid te zijn en maatschappelijke en politieke geëngageerdheid en verlangen naar gerechtigheid. En dan kan op die wijze snel bewezen worden, dat een christen in deze tijd met revolutionaire bewegingen moet meedoen. Merkwaardig! Met precies dezelfde methode (en ook met dezelfde stelligheid): door het aanwijzen van Gods sporen in de geschiedenis, wordt Groen antirevolutionair en Kuitert revolutionair. Vraag: hebben wij het nu nog niet afgeleerd met zoveel vertrouwen op Gods sporen in de geschiedenis te spreken? We zullen vanzelfsprekend naar die sporen zoeken, maar het resultaat van onze padvinderij zal altijd een ideologisch karakter hebben. Dat was bij Groen zo en dat is bij Kuitert ook zo. Nu meen ik, dat wij ons voor het aanhangen van een ideologie niet behoeven te schamen; wij kunnen er m.i. zelfs niet buiten. Als we maar goed zien en ook erkennen, dat het een ideologie is en dan niet met nadruk spreken over een theologie van de revolutie, als wij een ideologie opdissen, die wij dan de 'welwillende lezer' als theologie presenteren.

Duidelijk is dat hier de vraag naar de bijzondere openbaring in het geding is. Onze vaderen hebben scherp protest aangetekend tegen de roomse natuurlijke theologie, maar wilden wel vasthouden aan een algemene openbaring. Hoe deze zich verhoudt tot de bijzondere openbaring in de Schrift is niet zo duidelijk op formule te brengen. In de dertiger jaren was er nogal wat critiek op artikel 2 van de Ned. Geloofsbelijdenis. En Barth heeft tegen elke poging om sporen van openbaring aan te wijzen buiten Christus om radicaal neen gezegd. Begrijpelijk in de situatie van de Duitse kerk temidden van het Hitler-regiem en het heidense spreken over de voorzienigheid. Maar de vraag blijft: Was Barth te radicaal? Komt Romeinen 1 bij hem tot zijn recht?

In elk geval beleven we op het ogenblik een wending. Openbaring en geschiedenis worden zeer nauw betrokken. Dat signana openbaringskarakter. En wanneer dit zijn zorg begrijpen. Historische ontwikkelingen krijgen bij vele theologen bijna openbaringskarakter. En wanneer dit dan nog verbonden wordt met een binnenhistorische Rijk Gods-verwachting dan zitten we middenin een optimistisch-evolutionistische toekomstvisie, waarbij Gods heil doorbreekt via lijnen van geleidelijkheid en in de historische ontwikkeling min of meer aanwijsbaar is.

Schepping en verlossing

Prof. Van Niftrik wijst erop dat op de achtergrond van Kuitert's denken een bepaalde visie op de verhouding van schepping en verlossing staat, waarbij deze twee samenvallen.

En dat kan hij volhouden, omdat hij schepping en verlossing laat samenvallen. Dat zijn bij Kuitert niet langer twee terreinen (p. 60). 'Er is maar één geschiedenis': de scheppingsgeschiedenis, en dat is dus de wereldgeschiedenis, wordt bij Kuitert heilsgeschiedenis. Hij wil horizontalisering en verstaat daaronder 'een zich op aarde historisch realiserend eschaton' (p. 98). Door die horizontalisering kan Kuitert zo vol vertrouwen over de sporen van God in de geschiedenis en de huidige werkelijkheid spreken. Het heil komt niet meer van boven; het heil realiseert zich in en door het historisch proces, zodat Kuitert beweren kan, 'dat in deze wereld de toekomstige wereld a.h.w. onderhuids present is in de scheppende macht van het belofte-Woord' (p. 103). Vandaar die ontdekking der sporen. Je ziet aan en op de huid wat er onder zit! Namelijk het belofte-Woord! 'Overal waar verwachting is voor onze wereld is het belofte-woord tegenwoordig'. Er is volgens Kuitert zoiets als het anonieme Woord, dat geloof en verwachting wekt (p. 102). Door middel van de horizontalisering van de bijbelse verwachting, door middel van het theologoumenon van het anonieme Woord, door middel van 'sporen', komt er dan een wereldwijde verbroedering van revolutionairen tot stand, die ook geweld om de structuren te veranderen niet principieel verwerpen. Wij worden door Kuitert opgeroepen tot actie, protest, buitenparlementaire pressie en geweldloze weerstand. En dan lees ik het nare zinnetje: 'Voorzover wij christenen gelijkvormig aan de wereld van de 19e eeuwse bourgeoisie zijn geworden, kon ons de moed voor een dergelijke inzet wel eens ontbreken' (p. 113). Dan zeg ik: ik doe met uw acties niet mee, omdat ik uw ideologie niet deel-, uw ideologie, die gij opdient als theologie, nadat gij de bijbelse theologie hebt gehorizontaliseerd. En als het gaat om de keuze tussen ideologie en ideologie, prefereer ik de ideologie van de bourgeoisie boven die van de revolutie. Maar nu heb ik mij natuurlijk volkomen onmogelijk gemaakt.

Weer kunnen we zeggen: Kuitert staat daarin niet alleen. Wie het boek van prof. Fiolet gelezen heeft, De tweede Reformatie, weet, hoe ook daar schepping en verlossing samenvallen. De vraag komt toch boven of zich hier niet wreekt de barthiaanse visie op de verhouding schepping en verbond. Ook bij Barth overkoepelt de genade de schepping, en komt de verhouding schepping-val-verlossing niet tot zijn recht. En waar Genesis 3 niet meer voluit kan functioneren, is het ook niet verwonderlijk dat men terecht komt in een optimistische visie op schepping, geschiedenis, wetenschap en futurologie.

Hetzelfde anders?

Ten diepste gaat het om het godsbegrip. Kuitert's dissertatie handelde over de mensvormigheid van God. Daar liggen al de wortels van zijn opvattingen, die in zijn latere werken naar voren komen. Hoe veel waardevolle gezichtspunten deze dissertatie ook bevat, in wezen komen we daar een andere leer over God tegen, dan de klassiek-reformatorische. Wij citeren nogmaals Van Niftrik:

Waarom het gaat, kan men ook nog anders zeggen. Het gaat om het Godsbegrip. Ik vind het een veeg teken, dat Kuitert niet meer wil spreken over Gods transcendentie (p. 101). Ik zou zelfs willen, dat hij weer ging spreken over Gods aseïteit, Gods an-sich-zijn, want juist daarin ligt de vastheid van het heil en de zekerheid van het geloof. De reformatoren zeiden: extra nos, buiten ons. En dat verdwijnt, als het heil helemáál verhistoriseerd is.

Ik verbaas mij over het optimisme van Kuitert. Dat vloeit natuurlijk voort uit het samenvallen van schepping en verlossing, maar merkwaardig is het toch wel bij een gereformeerd theoloog. Van de christen wordt gezegd: 'Hij spreekt over onze zich ontplooiende wereld, over de verstedelijking, de techniek, de wetenschap en de industrie en leert — tot zijn grote vreugde — deze ontplooiing verstaan als Gods scheppingswerk' (p. 58). Ik wil nu niet direkt over de duivel gaan spreken, maar wij zullen toch moeten inzien, dat in het ontstaan van elke cultuur, dus ook de moderne, zich een stuk menselijke rebellie, autonomie, autarkie openbaart, waarin wel de befaamde slang, maar niet Gods scheppingswerk te herkennen is.

Nu heb ik nog niets gezegd over het Schriftprobleem zoals dat door Kuitert wordt gesteld. Het debat zou moeten beginnen bij het verwijt aan onze theologische voorouders, dat zij van de bijbeltaal Aristoteles-taal hebben gemaakt, verpakking van begrippen (p. 129). Neen, zegt Kuitert, de zaak wordt gewoon vertèld. En wij moeten dezelfde zaak ook weer vertellen. Nu in de context van onze tijd. En men krijgt bij Kuitert de indruk, dat de context van onze tijd erg geschikt is voor dat verdervertellen (p. 134). Wat wij betwijfelen! Maar dat zit em natuurlijk in het feit, dat Kuitert de volstrekte horizontalisering wil en wij niet.

Aristoteles is door Luther geweldig uitgescholden. Maar Plato werd door Calvijn zeer geëerd. Is er niet ergens verwantschap tussen Plato en de brief aan de Hebreeën? Wat denkt Kuitert over het laatste boek van dr. W. Aalders? Men kan op bijbelse gronden de horizontalisering, de historisering blijkbaar ook radikaal ontkennen.

Ik houd op. Dit artikel is reeds veel te lang. Er staat in dit boek nog heel wat waarover ik geen kik heb gegeven. Bijvoorbeeld de beide hoofdstukjes over dood en sterven. Dat ik zo uitvoerig heb geschreven, moge voor de schrijver van het boek en voor de lezers van dit blad een bewijs zijn, dat ik 'Anders gezegd' een buitengewoon belangrijk boek vind, waarin de wezenlijke problemen van de huidige theologische situatie ter sprake komen. Mijn angstige vraag is alleen of werkelijk hetzèlfde hier alleen maar ànders is gezegd.

De opmerkingen van Van Niftrik verdienen een bredere uitwerking. Breder dan in een artikel, een recensie kan gebeuren. Want de onderwerpen die aan de orde gesteld worden zijn belangrijk genoeg en raken het hart van de theologie en de prediking. Kuitert is een belangrijke exponent van het huidig theologisch denken, hij is tevens een figuur die zeer in discussie is. Op de synodetafel der Gereformeerde kerken liggen tal van bezwaarschriften tegen zijn opvattingen.

Wij kunnen de zorg verstaan van deze synode. Wij begrijpen ook dat men, geleerd door het verleden, geen voortijdige tuchtprocedures wil. Toch is het te hopen dat de zaak niet door een bemiddelende synodale uitspraak of commissie rapport wordt afgedaan. Want daarvoor zijn de dingen die aan de orde gesteld worden te ingrijpend. En daarom is de kwestie Kuitert voor de Gereformeerde kerken ook een test-case: Wil zij inderdaad, zoals naar ik meen de synodepraeses, dr. Kunst in een interview gezegd heeft, haar reformatorisch karakter bewaren of zal zij toegeven aan een synthesetheologie, waarvan het hervormd kerkelijk leven maar al tezeer de kwade gevolgen van ondervonden heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's