De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een schouwspel van Gods heerlijkheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een schouwspel van Gods heerlijkheid

11 minuten leestijd

Zoals een schilderwerk van Rembrandt zich laat herkennen aan het meesterlijk spel van licht en donker, zo is de ganse wereld voor de 'kenner' een schouwspel van Gods heerlijkheid. 'Hoe heerlijk is 's Heeren Naam op de ganse aarde'. In de bloesempracht van onze tuin. Maar net zo goed in de glinsterende sneeuw, die straks alle doodsheid en koudheid van de winter toedekt. In de geboorte van een kind, waarvan moeder vol verwondering constateert, dat er alles aan zit. Maar ook in het eindeloze heelal met afstanden als lichtjaren (vroeger sprak men in de kerk wel van het alfabet, het abc van de theologie en men bedoelde dan de sterrenkunde). Hoe machtig vele zijn de sommen van Gods gedachten. In de vlinder, die in één dag geboren wordt en weer sterft. Ook in het organisme van het menselijk hart, dat soms tachtig jaren of langer zoveel slagen per minuut maakt. Calvijn zegt: 'Waarheen men ook de ogen keert, er is geen enkel deeltje der wereld, waarin men niet althans enige vonkjes Zijner heerlijkheid kan zien glinsteren'. 'Want', zegt hij, 'de zingende vogels zingen Gode, de loeiende beesten roepen tot Hem, de elementen verstommen en de bergen daveren voor Hem, de bronnen en fonteinen knikken Hem als met ogen toe en de bloemen en het gras lachen Hem toe'. Een theatrum Deï — een schouwspel van Gods heerlijkheid is de ganse schepping. En wie heeft nooit, zo hij althans enigermate rekening wenst te houden met de Schepper, Onderhouder en Regeerder van het leven, Gods wonderlijke gangen gezien in het verloop van de geschiedenis: de stuwkracht van een Almachtige Hand, Die de dingen leidt naar Zijn eeuwige raad en tot Zijn glansrijk doel?!

De bril van de Schrift

Artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis brengt dat alles onder woorden door te spreken over: alle schepselen, grote en kleine, die gelijk als letteren zijn in het schone boek van Gods schepping. Nu hebben we de vorige maal, dat we over de N.G.B. schreven, gezien, hoezeer wij de bril van Gods eigen getuigenis in de heilige Schrift nodig hebben om deze grote en kleine letters van Gods schone boek der natuur te kunnen lezen. Wel, de Bijbel is vol van uitspraken over dit Goddelijk 'optreden' in schepping, onderhouding en regering der wereld. Het is er God alles aan gelegen om de mens op de plaats van het schepsel te krijgen en te houden, een plaats, die hem past tegenover de grote Schepper aller dingen. Het is ook niet voor niets, dat de heilige Schrift begint met de schepping.

Schepping en verbond

Met deze laatste zin is een groot geheel van vragen gegeven, die in de theologische wereld totaal verschillend verstaan en beantwoord wordt. Is het werkelijk zo, dat wij in ons theologisch denken beginnen kunnen bij de schepping? Moeten wij in elk geval niet constateren, dat Israël steeds vanuit de verlossing over de schepping heeft gesproken, gezongen liever gezegd? Het is theologische mode geworden om althans de scheppingsverhalen van het boek Genesis te lezen vanuit het Exodus-verhaal (de bevrijding van Israël uit Egypte). De belijdenis van God de Schepper komt op deze wijze onder Israël helemaal op uit het geloof in Gods verlossingsdaden. Israël zingt van de Schepper, omdat het in zijn geschiedenis (als heilsgeschiedenis) God heeft ontmoet.

Tegen deze theologische constructie bestaan grote bezwaren. En hoewel dit punt met een enkele opmerking niet kan worden afgedaan (daarvoor snijdt het te diep in), wil ik toch een aantal bezwaren naar voren brengen, waarover we in ieder geval grondig nadenken moeten. A.S. van der Woude heeft (in Kernwoorden in het christelijk geloof, 1970) gesteld, dat 'de volgorde schepping-patriarchengeschiedenissen-exodus een aan de historisch-chronologische werkelijkheid ontleende traditie is. Genesis gaat aan Exodus vooraf'. We voegen daaraan toe: Niet alleen, omdat er, historisch gesproken, eerst de schepping was, daarna het genadeverbond, daarna de geschiedenis Gods met Israël. Ook omdat het God behaagd heeft ons een Bijbel te geven, waarin Hij Zich eerst als de Schepper openbaart, daarna als de Verlosser. Hoezeer wij er ook begrip voor zullen moeten hebben, dat de geschriften van het Oude Testament door de koker (de letterkundige) van Israël tot ons gekomen zijn, wij passen er wel voor op daarom de heilige Schrift slechts te waarderen als getuigenissen van het geloof van Israël, zodat ons geloof op dat van Israël zou gegrond zijn. Dat is een wankele basis. God zelf, de Levende, openbaart Zich in Zijn Woord en Hij doet het zo, dat wij dan eerst met Hem te maken krijgen als onze Schepper, daarna met Hem als onze Verlosser. Wanneer wij deze orde omkeren, brengt dat allereerst en automatisch met zich mee: een totaal andere opvatting (zogenaamde 'exegese') van Gen. 1—3, waarbij van het historisch gebeurde en daarmee van de levende Zich openbarende God niets overblijft. Het brengt ook met zich mee een omkering van de Bijbelse-reformatorische volgorde van wet en Evangelie. Ik stip de problemen slechts aan. We komen er later nog wel op terug. Het lijkt me in ieder geval funest om de Schrift te benaderen vanuit prachtig sluitende, maar door ons in elkaar gezette theologische stellingen. Wij beginnen eenvoudig, waar God begint in Zijn openbaring, dat is bij de schepping. Daar is God trouwens met Israël ook steeds begonnen. Hij heeft Israël doen zingen van Zijn grote scheppingsdaden, opdat het van meetafaan zou weten, dat het temidden van de volkeren leefde, in welks midden het zijn bestemming moest volbrengen. Daarnaast en onmiddellijk eraan verbonden zingt Israël van Gods bijzondere leidingen met dat volk, van Zijn verkiezing, van Zijn verbondsgeheimenissen. Het is een tweestemmige zang, waaraan een tweevoudige openbaring Gods ten grondslag ligt: de openbaring van Gods Scheppersheerlijkheid en de openbaring van Gods verbondsmatige en verkiezende genade in de geschiedenis van Israël, in de zending van de Messias straks.

Voorbeelden uit het Oude Testament

Zonder compleet te kunnen zijn, wil ik ter verduidelijking van het bovenstaande nu enkele gegevens van het Oude Testament bij elkaar brengen. En wie denkt dan niet het eerst aan de Psalmen, waarin haast onophoudelijk de lof van God de Schepper en Onderhouder van al het leven wordt bezongen? 'O, Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde' (Ps. 8). 'De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk' (Ps. 19). Hier wordt bepaald niet gezegd, wat Karl Barth beweerde, dat de tekst van de kosmos op zichzelf en alszodanig stom is. Het juicht de glorie Gods uit. Ook valt op, dat deze psalm (Ps. 19) zonder meer overschakelt van Gods Scheppersheerlijkheid naar het Woord des Heeren, dat spreekt van bekering, verzoening en reiniging van zonden. Ook in Ps. 33 vinden we in het éne loflied zowel de almacht van God de Schepper als de verkiezende genade Gods bezongen: 'Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt...' 'laat de ganse aarde voor de Heere vrezen' (vs. 6 en 8). God komt op deze wijze als de aanbiddenswaardige Schepper, Die recht op alle inwoners der aarde heeft, naar Zijn Schepping toe. 'Welgelukzalig dan het volk, welks God de Heere is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft' (vs. 12). Naast: Ps. 104, die een machtige 'natuurpsalm' is, is nog Ps. 105 te noemen, de 'verbondspsalm', die de God van Abraham en Israël roemt en de daden van deze God wil uitroepen onder de volkeren. Door deze 'tweede stem' van 's Heeren verlossingsdaden zingt echter de 'eerste stem' van Gods regering over heel de schepping mee: 'Zijn oordelen zijn over de gehele aarde' (vs. 7). Ook in Ps. 136 is er het éne werk van God de Heere in de schepping en bevrijding van Israël: de grote wonderdaden Gods, waarin de Heere Zich openbaart, onmiddelijk aan elkaar vast. Hetzelfde treffen wij aan in psalmen als Ps. 147 en 148. Vervolgens wijs ik op het thema van de wijsheid, zoals deze ons in Spreuken 8 wordt verkondigd. Deze wordt daar ten nauwste op Godzelf betrokken. En zij ontvouwt zich in de werken van Zijn Scheppershand ('door Mij regeren de koningen en de vorsten stellen gerechtigheid', vs. 15, 16), maar komt eerst tot Zijn recht in de vreze des Heeren onder Israël. Niet ten onrechte is in de uitleg van Spr. 8 de figuur van de wijsheid in verband gebracht met de hoogste openbaringsvorm van God, met Christus. Hij is, om het met de woorden van het Nieuwe Testament te zeggen, de Logos, het Woord (Joh. 1), door Hetwelk alle dingen gemaakt zijn; de Eerstgeborene van heel de schepping, door Wie en tot Wie alle dingen geschapen zijn (Col. 1:16). Hoezeer Gods openbaring in de schepping en Zijn wijs bestel in de voorzienigheid aller dingen eerst recht tot een rijke troost wordt en hoezeer de mens de volle diepte eerst recht gaat verstaan, wanneer hij in een persoonlijke geloofsrelatie met die God is gekomen, wordt duidelijk uit de hoofdstukken 38 en 39 van het boek Job, waar de Heere op ziekenbezoek is bij Zijn zwaar beproefde kind en hem de majesteit, wijsheid en goedheid Gods voorhoudt uit de werken van de schepping (de hoogte, breedte, diepte van het heelal, het leven van leeuw, woudos, paard en gier, enz.) 'Heilig zijn, o God, Uw wegen...!' Dat mag Job uit dat alles, ook in heel persoonlijke zin, leren. En wie denkt hier ook niet aan Jesaja 40? 'Wie heeft de wateren met zijn vuist gemeten en van de hemelen met de span de maat genomen...? (vs. 12) Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van de beginne aan niet bekend gemaakt? Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet? (vs. 21) ... Heft uw ogen op omhoog en ziet. Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner kracht en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.' (vs. 26) De moede ballingen in Babel mogen uit al deze dingen, midden in hun verslagenheid en vrees, dat de Heere Zich blijvend voor hen verbergt, moed vatten. Onvergelijkelijk groot is en blijft God. Betrouwt u aan Hem toe. Tenslotte wijs ik er nog op, hoe vaak in de Oud-Testamentische profetieën het heil voor Israël en de volkeren getekend wordt met het kleurrijke beeld van een vernieuwde schepping, waarin alles spreekt van de ongestoorde openbaring van Gods goedheid. Daar liggen schepping en verlossing inéén; tot een verloste schepping is het geworden. 'De wolf en het lam weiden samen, de leeuw eet stro als het rund en stof is de spijs van de slang; geen kwaad doen noch verderven zal men op Gods ganse heilige berg!' (Jes. 65:25).

Er zou veel meer te noemen zijn. Maar de aangehaalde gedeelten uit het Oude Testament mogen de lezer genoegzaam duidelijk maken, dat Gods Woord ons de schepping en de geschiedenis voorhoudt als een schoon boek, dat spreekt van Gods almacht, majesteit, heerlijkheid en trouw. Deze 'algemene openbaring' te loochenen, zoals Karl Barth doet, is een onbijbelse zaak. Men kan de uitdrukking 'algemene openbaring' een verwarrende en misleidende term noemen, zoals H. Kraemer (In Godsdienst, godsdiensten en het christelijk geloof) dat doet, beducht voor de lange tijd zo hoog verheven natuurlijke Godskennis, die haast automatisch als een vrucht daarvan wordt beschouwd en dan meteen te hoog gewaardeerd wordt. Deze vrees delen we, maar daarom behoeft de uitdrukking 'algemene openbaring' nog niet misleidend te zijn. Ten aanzien van het gans bijzondere van Gods openbaring door Zijn Woord, mag de onloochenbare openbaring Gods in al Zijn werken tot aan de einden der aarde, met goed recht 'algemeen' heten.

Nog één ding tot slot, bij wijze van conclusie uit het voorgaande. Door de bril van de heilige Schrift leert God de mens lezen in het boek van Zijn algemene openbaring. Daardoor leidt Hij de mens tot de erkenning van Hem als de éne God in ontzag voor Zijn majesteit, in onderwerping aan Zijn Schepperswil, in verootmoediging vanwege onze nietigheid en verlorenheid. Wanneer God de Heere echter de mens door Zijn Woord bekend gemaakt heeft met de bijzondere openbaring van Zijn genade in Christus, dan eerst recht functioneert de Scheppersheerlijkheid Gods als een troost in de volle geloofskennis van de éne God, Die juist omdat Hij als de Verlosser trouw bleef aan Zijn schepping, al onze achting eeuwig waard is. Vanaf de heuvel Golgotha schittert Gods liefde het klaarst, zelfs in een grassprietje.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een schouwspel van Gods heerlijkheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's