Huiszoeking in Jeruzalem
En het zal geschieden te dien tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarns doorzoeken, en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: De HEERE doet geen goed en Hij doet geen kwaad.' Zefanja 1:12
’t Is niet één van de meest bekende profeten, die deze woorden heeft uitgesproken en neergeschreven. Zijn profetieën worden niet zoveel gelezen als die van Jesaja en Jeremia. En van de man zelf weten we ook niet zoveel.
Toch moeten we eens goed naar zijn stamboom kijken. Zefanja, de zoon van Kuschi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia ... En die Hizkia is niemand minder dan de vrome koning van Juda. Van deze koning is Zefanja dus een achter-achter-kleinzoon. Een prins dus, wel niet uit de regerende linie, maar toch iemand met koninklijk bloed in de aderen.
En uit die stamboom kunnen we ook opmaken in welke tijd Zefanja heeft geleefd en geprofeteerd. Die tijd wordt trouwens omschreven als 'de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda'. Dan moet Zefanja wel geboren zijn tijdens de langdurige regering van Manasse. Een tijd waarin de afgoderij weliger tierde dan ooit tevoren. En desondanks heeft vader Kuschi de moed gehad zijn kind de naam 'Zefanja' te geven. Dat wil zeggen: 'De Heere heeft verborgen'.
Dat zegt wel iets over de afkomst en de opvoeding van Zefanja. Blijkbaar deden zijn ouders niet mee met de verschrikkelijke afgoderij van de familie. En blijkbaar hebben ze hun kind opgevoed in de vreze des Heeren.
Wanneer dat kind groot geworden is, dan geschiedt het Woord des Heeren tot hem. En dat Woord liegt er niet om... 'Ik zal alles ganselijk wegrapen uit dit land, zegt de Heere'.
Er zijn maar weinig mensen in Jeruzalem die dat kunnen geloven. Alles gaat toch goed, er is toch geen vuiltje aan de lucht? Er is vrede en welvaart, werk en brood voor ieder. En de dienst van God? Nog maar kort geleden heeft er een Reformatie plaats gehad onder koning Josia. Nee, 't is echt weleens erger geweest. Er zijn natuurlijk wel mensen die er anders over denken, mensen met meer verlichte denkbeelden, maar tenslotte moet je ieder in zijn waarde laten...
In die welvarende, materialistische, verlichte stad, gaat Gods lantaarndrager de ronde doen: de profeet Zefanja. Zó hebben de kunstenaars hem afgebeeld, de eeuwen dóór: wandelend door de straten van Jeruzalem, met een brandende lantaarn in zijn hand.
Och, wat zijn profeten eigenlijk ànders dan lantaarndragers? Het Woord Gods is immers bij hen? En dat Woord schijnt tot in de donkerste schuilhoeken.
De Heere is op zoek naar mensen. Dat is de boodschap van de profeet Zefanja. Niet, zoals bij Jeremia, naar rechtvaardigen. Nee, naar goddelozen. Naar de priesters, die van de heidense eredienst leven. Naar de dienaars van Baäl en Astarte. Naar de aanbidders van zon, maan en sterren. Je zou bijna zeggen: Er is geen lantaarn voor nodig, je kunt het allemaal zien, op klaarlichte dag en met het blote oog.
En dàt in Jeruzalem! Want Zefanja loopt niet door de straten van Babel of van Ninevé. Nee, Zefanja loopt door de straten van Jeruzalem, de Godsstad, de Verbondsstad. En hij is er goed thuis. Hij kan, bij wijze van spreken, de weg wel in het donker vinden. De Heere óók ... Hij kent de huizen van de afgodendienaars, de huizen van de rijke kooplieden, die het met de eerlijkheid zo nauw niet nemen. Hij wéét ze te vinden en Hij zàl ze ook vinden!
Maar de mensen in Jeruzalem zijn daar nog niet van overtuigd. Hoor maar, wat ze zeggen: 'De Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad'.
De profeet gebruikt daarvoor een beeld. Er zijn mannen in Jeruzalem, 'die stijf geworden zijn op hun droesem'. Dat beeld is ontleend aan de wijnbouw. Als de wijndruiven geplukt zijn, dan worden ze gestampt in een wijnpersbak. En daarna moeten ze telkens overgegoten worden, van het éne vat in het andere, zodat de droesem in het lege vat overblijft. Net zo lang tot de wijn helemaal zuiver en helder is.
Wijn, die niet overgegoten is, is altijd het beeld van valse rust, van valse zekerheid. Mensen in wier leven nooit iets gebeurd is. Die altijd stil gelegen hebben, nooit wakker geschud, nooit verontrust zijn.
Ze zeggen in hun hart... Ze zeggen het niet openlijk. Ze schreeuwen niet met de mode van hun tijd mee: 'God is dood'. Maar ze denken in hun hart: 'De Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad'. Ze zijn geen atheïsten. Ze geloven wel, dat God er is, ze noemen Hem zelfs bij Zijn Verbondsnaam: HEERE. Maar ze denken dat Hij Zich nergens mee bemoeit, dat Hij alles zomaar op z'n beloop laat. Ze trekken zich niets van Hem aan. Hij heeft geen plaats in hun leven. Misschien denken ze wel: 'God is liefde, Hij ziet het allemaal wel door de vingers'. Misschien denken ze wel: 'God is rechtvaardig. Hij hoort de zondaars niet'. Maar in de praktijk maakt dat geen verschil...
Over die mannen zal Ik bezoeking doen, zegt de Heere. Niet over de mannen, die kwaad doen. Maar over de mannen die kwaad van Hem denken.
Schrikt u daarvan? Want een mens kan soms schrikken van de gedachten die opwellen in z'n hart. Vooral wanneer de Heere ons huis, ons hart, ons leven, doorlicht met de lantaarn van Zijn Geest. Vooral als de vraag op ons afkomt: 'Zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken?'
Nee, dan zeggen we niet meer: 'De Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad'. Dan zeggen we: 'Heere, u hebt in mijn leven nooit anders dan goed gedaan. En ik heb nooit anders dan kwaad gedaan'.
Maar dan laat de Heere ons niet alleen iets zien van onze gedachten over Hem. Dan laat Hij ons ook iets zien van Zijn gedachten over ons. Dan zegt Hij: 'Ik weet de gedachten die Ik over u denk, gedachten des vredes en niet des kwaads'. Hoe is dàt mogelijk?
En dan worden we uit Jeruzalem naar buiten geleid. Want in de stad, daar zoekt de Heere met een lantaarn naar mensen. Maar buiten de stad, daar zoeken mensen met een lantaarn naar Hem. Daar komt de bende, met lantaarns en fakkels en wapens. 'We zoeken Jezus de Nazarener'. En daar spreekt Hij dat onbegrijpelijke woord: 'Indien gij dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan'.
En wie zijn deze? Mensen die niet beter waren dan de anderen. Mensen die óók kwade gedachten over Hem hadden gekoesterd. Maar ook .. mensen aan wie Hij gedacht had vóór de tijden der eeuwen.
En hun zonde, die bezocht had moeten worden? Die is kwijt, voor eeuwig! 'Want in die dagen en te dien tijde, spreekt de Heere, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar ze zal er niet zijn, en de zonde van Juda, maar ze zal niet gevonden worden'....
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's