Boekbespreking
G. Schnath, Fantasie für Gott, 176 S., DM 9,80, Kreuz Verlag Stuttgart, 1970.
Zeker niet minder dan in ons land vraagt men zich bij de oostelijke buren af, hoe de mensen van vandaag, vooral de van de kerk vervreemde ouderen en jongeren met het Evangelie benaderd moeten worden. Het voor ons liggende werk, dat tot ondertitel heeft Gottesdienste in neuer Gestalt en samengesteld is in opdracht van de Deutsche Evangelische Kirchentag vertelt van de ondernomen pogingen: in het eerste deel wordt het begin beschreven: bijzondere diensten gehouden in Ottweiler (in het Saarland), in Neurenberg, Frankfurt en Mannheim. Hoe zijn deze buitengewone diensten opgezet en hoe denkt men over het continueren van dit werk. Ik heb wel eens de indruk dat het laatste nog moeilijker is dan het eerste. Het derde stuk spreekt van de kerk en het nieuwe lied: Vernieuwde theolowers. Een zevental kenmerken voor het nieuwe lied De schrijver wijst op drie tendensen: hij onderscheidt: traditionalisten, evolutionisten en vernieuwers. Een zevental kenmerken voor het nieuwe lied wordt door de auteur (G. Watkinson) opgesomd. Bij deze liederen wordt genoemd — van verscheidene is ook de melodie afgedrukt — het uit ons land afkomstige over de spijziging van de vijf duizend (melodie van Piet van Amstel). Tenslotte volgt: de praktijk van de godsdienst: het gesproken, het uitgebeelde en het gespeelde woord.
Het tweede deel boeide mij het meest: de theologische bezinning. De prediking verandert de werkelijkheid, maar ook omgekeerd. Het moderne geluid vinden wij in een stelling als deze: Het gaat hier niet om mensen uit de niet-kerkelijke ruimte in de kerkelijke te trekken, maar de verlichting van de boodschap van het Nieuwe Testament met de kategorieën van het heden. Op belangrijke dingen gaat de schrijver (Knipping) in over de verkondiging: dit is een geautoriseerde verkondiging en de toespraak is een autoritatieve. Over het gesprek: Het gesprek is een heilzame controle voor de prediker, die het zich graag gemakkelijk maakt, als hij de proklamatie van het Evangelie tot deklamatie laat degenereren.
Voor dit boek is grote belangstelling, zoals hieruit blijkt, dat in weinige jaren een derde druk nodig is. Er is heel wat in dit verzorgde werk waar ik op zijn minst aarzelend tegenover sta, maar daartegenover staat, dat vragen worden aangesneden, die ook wij niet zonder meer kunnen voorbijgaan. Ik eindig met een citaat van Luther, dat de redakteur in zijn inleiding opnam: Want wij zijn het niet, die de kerk kunnen bewaren, onze voorouders zijn het ook niet geweest, onze nakomelingen zullen het ook niet zijn, maar Hij is het geweest, is het nog en zal het zijn, die gezegd heeft: Ik ben met u tot aan het einde der wereld.
Prof. dr. G.N. Lammens; Liturgische jaarorde en kerkelijke kalender; Uitgave N.V. Kok, Kampen; 41 pagina's; ƒ2,75.
Met deze rede aanvaardde prof. Lammens in mei van dit jaar het ambt van buitengewoon hoogleraar in de liturgiologie aan de Vrije Universiteit.
In deze rede pleit hij voor een liturgische jaarorde en een kerkelijke kalender, dus voor een vast rooster van 'een voor iedere zon-en feestdag vastgelegd arrangement van Schriftlezingen, liederen en gebeden'. Het blijkt, dat hij het meest voelt voor een rooster dat zich niet over één, maar over drie jaar uitstrekt.
De nieuwe hoogleraar memoreert dat de Nederlandse kerken van het gereformeerde type zo'n liturgische jaarorde (nog) niet hebben — afgezien dan uiteraard van de gebondenheid aan de feeststoffen en de stof in de lijdensweken, al putten die allerminst uit vastgelegde teksten of pericopen zoals zo'n strakke orde dat wil.
De bedenkingen tegen en de motieven vóór een liturgische jaarorde tegenover elkaar plaatsend, laat schr. de 'voordelen' overwegen. Waarom ze nu precies zwaarder wegen komt niet goed uit de verf. Toegegeven moet worden, dat zulk een uitgewerkt tegen elkaar afwegen in zo'n inaugurele rede van beperkte omvang ook niet goed is onder te brengen. Maar zodoende blijft de vraag liggen waarom het gereformeerd protestantisme dan zo traag was. Is dat alleen maar laksheid geweest? Waarom schenkt schr. geen aandacht aan een principieel op soberheid aandringende figuur als dr. Noordmans, al behoeft die heus niet het eind van alle tegenspraak te zijn? Ziet schr. geen enkel ander dan een toevallig verband tussen het streven naar een weelderiger liturgie en het verschralen van het geloofsleven der kerk — kan hier geen 'horreur du vide', geen 'vrees voor de leegte' in het spel zijn?
Deze vragen komen onwillekeurig op bij wie van deze rede kennis neemt, maar willen niet afdoen van de erkenning dat schr. toch wel veel facetten van de zaak bekeken heeft en een grote belezenheid op dit terrein doet blijken. En dat is altijd ten profijte van de studenten voor wie hij gaat doceren, en ook voor anderen die zich voor deze zaken interesseren en verder na te snuffelen literatuur in tientallen verwijzingen aangegeven vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's