De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De huwelijksbevestiging (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De huwelijksbevestiging (I)

9 minuten leestijd

Ds. R.T. Huizinga uit Elspeet zond ons enkele artikelen over de kerkelijke huwelijksbevestiging. Zijn conclusie is dat deze alleen tot haar recht komt in een werkelijke samenkomst van de gemeente, b.v. tijdens een zondagse kerkdienst. We menen dat hiertegen nogal wat practische bezwaren zijn in te brengen. Maar desalniettemin geven we de gedachten over dit onderwerp graag aan de lezers door, temeer daar ds. Huizinga uitvoerig ingaat op de ontwikkeling van de kerkelijke huwelijksbevestiging in de loop der eeuwen, waardoor zijn conclusies ook een gefundeerde achtergrond hebben. De redactie

I

Inleiding

In verschillende streken van ons land bestaat de gewoonte van het 'rouw in de kerk brengen'. Niet dat een rouwdragende familie dan niet vóór en op de begrafenis een predikant of voorganger, liefst van de eigen gemeente, heeft verzocht om haar te wijzen op de enige ware troost en met haar te bidden.

Maar het is die rouwdragenden een behoefte om daarna, tijdens de zondagse of een door de weekse kerkdienst, te verkeren in het midden der gemeente, die dan deelneemt in haar verdriet, als allen tezamen nog eens weer in het gebed en de prediking bij het heengaan van één hunner bepaald worden.

Dit 'in het midden der gemeente' is naar Geref. opvatting voor de rechte verbondsmatige bediening van Doop en Avondmaal ook altijd een onmisbare voorwaarde.

Maar ook voor een niet-sacramentele gebeurtenis in het kerkelijk leven. Ook het oude formulier voor de huwelijksbevestiging en inzegening spreekt van 'voor God en voor de Gemeente'.

En artikel XXI, lid 2, van de Kerkorde, zegt dat de huwelijksbevestiging en inzegening in het midden der gemeente zal geschieden.

Maar dat 'in het midden der gemeente' komt bij de huwelijksplechtigheden haast nergens meer voor. En zo komen de bevestiging en inzegening ook meestal niet goed tot hun recht. Want waar is de gemeente tijdens die gebeurtenis? Meestal vindt deze plaats op de trouwdag in een aparte dienst midden in de week. En daarbij zijn vaak niet meer dan de naaste familieleden aanwezig. Verschillenden van hen zijn dan afkomstig van buiten de eigen gemeente. En de anderen die aanwezig zijn zijn meest collega's en relaties van wie velen kennelijk nooit een kerk bezoeken.

En toch blijft men de bruidsparen maar voorhouden: U staat hier in de kerk voor God en voor de gemeente. Men zegge nu niet: maar toch is het in het midden van de gemeente. Waar die gemeente dan is? Wel, ze is toch vertegenwoordigd door de ambtsdragers zegt men. Dat zijn er soms niet meer dan twee, een ouderling en een diaken, daar vaak niet de eigen predikant voorgaat, doch iemand van buiten tot wie het bruidspaar in bijzondere relatie staat. En dat die twee ambtsdragers de gemeente kunnen vertegenwoordigen sluit de Schrift elders niet uit, maar het is toch wel erg gezocht en onwaarachtig om vanwege hun ambtelijke aanwezigheid nu bij een huwelijk te spreken van in het midden der gemeente. Daaronder wordt iets anders verstaan.

Als protestanten, die geen onderscheid kennen tussen priesters en (onmondige) leken, kunnen wij niet goedkeuren dat de kerkelijke huwelijksplechtigheid niet in het midden der gemeente plaats vindt. Onze vaderen, die het formulier opstelden, achtten dit voor de rechte wijze van bevestiging en inzegening een conditio sine qua non.

Daarentegen vindt G. v. d. Leeuw, die met zijn sacramentele opvatting van het huwelijk niet goed uit de buurt van de r.k. gedachtenwereld weet te blijven, dat de huwelijksplechtigheid niet in de 'hoofddienst' moet plaats vinden, maar wel in een dienst der gemeente. (In zijn Liturgiek, blz. 210). Hij vervolgt: 'Zij die aanwezig zijn, hoewel samengekomen uit redenen van verwantschap of vriendschap, vormen de gemeente. Dit wordt nadrukkelijk gesteld door de medewerking van ouderling en diaken.'

Het Herderlijk Schrijven van de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk van 1952 stelt zich neutraler op en zegt op blz. 129: 'hoewel de kerkdienst een eigen orde heeft i.v.m. de huwelijksbevestiging, is het toch een dienst des Woords, die door de kerkeraad wordt vastgesteld en onder zijn toezicht wordt gehouden. De ouderling vertegenwoordigt het element van de tucht en de diaken doet zijn gewone dienstwerk'.

En ordinantie XII van de kerkorde spreekt ervan dat de bevestiging en inzegening van het huwelijk geschieden 'in een kerkdienst der gemeente'. Maar die kerkdienst der gemeente is helaas meestal heel wat anders dan een samenkomst der gemeente, waarbij de trouwenden ook werkelijk in het midden der gemeente en zo voor God en de gemeente verkeren.

Niet uitsluitend een zaak van twee mensen

Het huwelijk, hoezeer ook een zaak van twee mensen, is toch nergens ter wereld ooit gezien als een zaak uitsluitend van hen alleen. Maar als iets dat zeker ook de omringende samenleving, de familie in de eerste plaats aangaat. Zo vinden wij bij vele volken dat één of meer personen, die in de familie patriarchaal gezag hebben, b.v. een vader en een grootvader, niet alleen toestemming moeten geven, maar ook openlijk een officiële erkenning en bevestiging van het huwelijk uitspreken, waarbij tevens alles in een hoger licht gesteld wordt en de zegen wordt meegegeven. Vanouds heeft overal de huwelijkssluiting een religieus karakter, zegt W. Geesink in zijn Gereformeerde Ethiek II blz. 282; en er is eigenlijk geen theoloog die dat niet met hem eens is. Een huwelijksbevestiging en inzegening in een kleine niet erkende evangelisatie heeft nog iets van zo'n familiegebeurtenis.

Hoewel de Schrift ons geen speciale aanwijzing geeft voor de kerkelijke plechtigheid, geeft zij ons wel sterk de indruk dat het ook zo toeging in de tijd van de aartsvaders, (Vgl. Gen. 24:57—60 en ook 26:35 alsmede 27:46; zie verder Ruth 4:11 en 12. Vergelijk in het Nieuwe Testament 1 Kor. 7:37.)

Het met fakkellicht de bruid het huis van de bruidegom binnenleiden heeft in vele landen een onderdeel van de publieke officiële huwelijksvoltrekking uitgemaakt. Wij vinden dit gebruik tenminste in de oudheid bij de Germanen, de Romeinen, de Grieken, de Indiërs, maar ook bij de Israëlieten (vgl. Matth. 25).

Maar waar wij niet meer leven in de tijd van de aartsvaders laten ons de wetsbepalingen van het Oude Testament reeds zien dat het huwelijk in zijn maatschappelijke en religieuze betekenis een zaak is geworden van overheid en kerk, die toen nog zeer nauw met elkaar verweven waren. Zo vinden wij het later ook in de Westerse christelijke wereld. Aanvankelijk was het daar in de eerste plaats een zaak van de overheid. Terecht, aangezien het hier een zaak van natuurlijke orde betreft.

Dan vernemen we hoe Karel de Grote, in de toenmalige verhouding van Kerk en Staat, aan de Kerk opdroeg voorafgaande aan elk huwelijk een onderzoek in te stellen of er geen te nauwe verwantschap bestond tussen de a.s. echtgenoten als een beletsel voor een huwelijk. Dit ging dus van de overheid uit. Evenals de uitspraak van dezelfde keizer dat het wenselijk moest worden geacht dat de huwelijken in de kerk zouden worden ingezegend. Dit geschiedde dan meestal op de dag na de huwelijkssluiting.

Al in de tweede eeuw had Ignatius ook gezegd dat, zou er van een huwelijk naar christelijke ordening sprake zijn, men zich eerst tot de bisschop moest begeven. Teneinde nu te verzinnebeelden dat het huwelijk wel in de eerste plaats een zaak van de openbare burgerlijke samenleving was, maar toch onder de schutse van de kerk was komen te staan, was het later zó dat de sluiting vóór de kerk, 'in facie ecclesiae', of in het voorportaal geschieden moest. Uit een brief van paus Nicolaas I aan de Bulgaren in 't begin van de 9e eeuw weten wij dat dat toen al de gewoonte was. Na die sluiting volgde dan — van lieverlede, steeds meer direct daarna op dezelfde dag — binnen in de kerk de inzegening.

Maar niet alleen de sluiting door het uitspreken van het wederzijdse jawoord geschiedde vóór de Kerk. (Die openlijke wederzijdse trouwbeloften stonden bekend als de 'verba de praesenti', d.i. de op een ogenblikkelijk ingaand huwelijk gerichte vrije wilsovereenstemming zonder conditie of uitzondering.) Er was in onze landen nog een ceremonie die buiten vóór de kerk plaats vond. Men moet weten dat er in het Westen van oude tijden af de gedachte was dat de man de voogd was over de vrouw. En nu moest, waar naar die oude opvattingen een vrouw haar hele leven, ook na haar meerderjarigheid onder voogdij stond, die voogdij door haar vader of voogd worden overgedragen aan haar bruidegom. Hiervan komt het woord trouwen, d.i. toevertrouwen, oorspronkelijk, en ook het woord verloving, d.i. de voorlooftenisse, het van tevoren beloven. Voor deze gang van zaken zie men het hoofdstuk van de huwelijkssluiting onder het Germaanse recht bij L.J. van Apeldoorn in zijn Geschiedenis van het Nederlandse huwelijksrecht (1925). Op dit hoofdstuk volgen in dit boek een beschrijving over de toestand onder het canonieke recht en daarna onder het gereformeerde en het neutrale recht. Door alle latere schrijvers over ons onderwerp wordt nog steeds een dankbaar gebruik van Van Apeldoorns werk gemaakt, 't Werd nu gewoonte dat die in later tijd niet meer dan symbolische handeling van de plechtige overdracht, de trouw, in het Latijn genoemd de 'traditio', eershalve werd verricht door de priester, die aanstonds binnen in de kerk het huwelijk zou inzegenen. Hij werd hier doorgaans toe verzocht en verrichtte dan na het jawoord de plechtige oftewel solemnele bevestiging. Hij 'voltrok' dan het huwelijk, waarbij hij tevens de handen van het bruidspaar ineen legde. Dit huwelijksritueel heette ook wel de samenvoeging oftewel copulatie. Maar langzamerhand verdween de gewoonte van copulatie, de bevestiging door de priester, van vóór de kerk en geschiedde alles in de kerk. Eerst was er dan door het wederzijdse jawoord en vervolgens de aan de priester verzochte plechtige bevestiging en, wat van ouds daar zijn eigenlijke taak was, de inzegening. Die beide plechtige handelingen van de priester noemde men de solemnisatie. Toch bleef men spreken van huwelijksbevestiging 'in facie ecclesiae', dus vóór de kerk. Terwijl toch het huwelijk niet alleen onttrokken werd aan de burgerlijke openbaarheid, maar gaandeweg meer ook aan de kerkelijke. Want men kan moeilijk volhouden dat het 'in facie ecclesiae', dat oorspronkelijk letterlijk betekende voor het front of in het aangezicht, of voor de deur der kerk en dus openbaar voor kerk en wereld, dan toch nog de figuurlijke betekenis overhield van voor het front der kerk d.i. in het midden der gemeente en in 't bijzijn van het kerkvolk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De huwelijksbevestiging (I)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's