De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het overblijfsel in Jeruzalem

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het overblijfsel in Jeruzalem

6 minuten leestijd

Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.' Zefanja 3:12

Ook in de oordeelsprofetie van Zefanja blijft er een 'maar' over.

De Heere heeft gezegd: 'Dit ganse land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden'. Blijft er nu niets meer over van het heilige volk, van de heilige stad? En nu ineens: 'Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven...'

Dat heeft Jeruzalem zeker niet te danken aan de vijanden van rondom, want die hebben het gemunt op de totale ondergang van de stad. Maar dat heeft Jeruzalem ook niet te danken aan zichzelf, want het heeft zich de totale ondergang waardig gemaakt. Dat heeft Jeruzalem alléén maar te danken aan de Verbondsgod, die zegt: Ik zal. Want Zijn Naam is ermee gemoeid. Zijn eer staat op het spel. In het midden van u... Dat hadden we ook niet verwacht! De Heere zou Jeruzalem toch met lantaarns doorzoeken? Waar komt dan nu dat overblijfsel vandaan?

Er zijn tijdens de ballingschap arme en geringe mensen achtergebleven om het noodzaklijkste werk te doen: hout houwen en water putten. Maar er is ook na de ballingschap een klein aantal ballingen uit Babel teruggekeerd om weer in de stad van hun vaderen te wonen. Waarom mochten die mensen in Jeruzalem blijven? Waarom mochten die mensen naar Jeruzalem terug? Niet omdat ze beter waren dan de anderen, die weggevoerd zijn en in Babel moeten sterven. Maar omdat de Heere in Jeruzalem woont! Daar mogen die mensen die hebben leren beven voor het oordeel en voor het gericht wel eens moed uit scheppen: 'Ik doe het niet om uwentwil, o huis Israëls, dat zij u bekend, maar om Mijns groten Naams wil'.

Zo is er ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Hoort ú daarbij? Hoor ik daarbij? Dan moeten we samen eens luisteren wat er gezegd wordt van dat overblijfsel in Jeruzalem...

Het is dus een overblijfsel, een rest. Dat wil zeggen dat niet héél Israël zal delen in het toekomstige heil. Velen van het volk zullen in Babel sterven. Anderen hebben het in Babel zó goed, ze hebben helemaal geen zin om naar Jeruzalem terug te keren.

Heeft ons dat iets te zeggen in een tijd, waarin de kerk tot een minimum schijnt te reduceren? En wat we dan overhouden, is dat allemaal Israël? Nee, we gaan niet rekenen en tellen, dat doet de Heere wel. Maar laten we ons bewust zijn: Het is maar een rest, een overblijfsel, een klein kuddeke...

En dat overblijfsel, zegt Zefanja, vormt nu met elkaar toch een volk. Een restant uit het oude volk, maar samen toch een nieuw volk. Het zijn niet zomaar enkele zelfstandige personen. Ze zijn aan elkaar verbonden, ze zijn op elkaar aangewezen.

Zalig worden is een persoonlijke zaak, maar Gods kinderen zijn geen individualisten! Ze wonen allemaal in hetzelfde Jeruzalem. Ze dienen allemaal dezelfde Koning. Ze spreken allemaal dezelfde taal. Zó zei Paulus het: 'Eén Heere, één geloof, één doop, één God en Vader ...'

Dat volk is ellendig. U kent de betekenis van dat woord? Ellendig, d.w.z. uitlandig, in ballingschap. Dat geldt voor dat overblijfsel in Jeruzalem. Dat geldt ook voor het overblijfsel naar de verkiezing der genade. Die mensen voelen zich hier niet thuis. Die zijn op reis naar een beter vaderland. Dat betekent dus niet dat ze zich als ellendigen, als ballingen hebben leren kennen. Ellendig door de zonde, die hen altijd omringt. Ellendig door de vijanden, die hen steeds maar op de hielen zitten.

Dat volk is ook arm. Neemt u dat maar héél letterlijk.

Wat tijdens de ballingschap in Jeruzalem overbleef en wat na de ballingschap in Jeruzalem terugkwam, dat waren geen aanzienlijken. En ook van de Kerk van het Nieuwe Testament wordt het gezegd: 'Niet vele rijken, niet vele edelen'. Maar laten we daar geen regel van maken. Alsof de paria's, de uitgestotenen, de verworpenen der aarde een schreefje vóór zouden hebben... Christus spreekt de armen niet zalig, zonder meer. Christus spreekt zalig de armen van geest. Dat zijn de mensen die alles verloren hebben, die alles kwijt zijn. Die niets meer hebben om in hun onderhoud te kunnen voorzien. Die op een ander aangewezen zijn.

Ziet u, dáár gaat het om in dit woord van Zefanja. Dat overblijfsel in Jeruzalem is niet zo gelukkig omdat het ellendig en arm is, maar omdat het op de Naam des Heeren betrouwt!

Wat is dat, de Naam des Heeren? Dat is de Heere Zelf! Dat is alles wat Hij aan ons heeft geopenbaard tot de zaligheid. Dat is... Christus! Want die Naam, dat is de énige Naam Die onder de hemel gegeven is. Hij is ervoor gekomen om ons de Naam des Heeren bekend te maken. Hij had geen ander doel dan die Naam te verheerlijken. En Hij is zó diep ingedaald in onze ellende en armoede, dat Hij ellendigen en armen tot een Helper en een Redder kan zijn.

Hoe krijg ik daar deel aan? Door op de Naam des Heeren te betrouwen. Er staat letterlijk: 'Die zullen bij de Naam des Heeren schuilen'.

Begrijpt u dat? Schuilen, dat doe je bij storm, dat doe je bij onweer, dat doe je bij zware regenval. Dan ga je niet verder, uit vrees te zullen omkomen. Dan zoek je een dak boven je hoofd, een toevlucht, een schuilplaats.

Als u dus in de storm van het oordeel en in de watervloed van Gods toorn een schuilplaats zoekt, hier ìs er één. Of nee, hier is de Enige. Hier bent u veilig, hier bent u geborgen.

Dat ziet u aan dat woord 'betrouwen'. Want een schuilplaats moet betrouwbaar zijn, anders ga ik er niet in, dan blijf ik liever buiten.

Dat is dan ook het eerste, dat het geloof doet: Gods Naam betrouwbaar achten, de Heere op Zijn Woord geloven. En dat werkt nu de Heilige Geest. Als we gezien hebben, dat we voor eeuwig moeten omkomen, dan opent Hij onze ogen voor deze énige schuilplaats, dan zegt Hij: 'Die Man zal zijn een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed.'

Wat wordt Zijn Naam dan dierbaar! Want voor Hem wàs er geen schuilplaats ten dage der benauwdheid. Toen al de stromen van onze ongerechtigheid op Hem aanliepen, toen de storm van Gods rechtvaardig oordeel boven Zijn hoofd losbarstte, toen kon Hij nergens schuilen, toen moest Hij òmkomen.

Maar nu is het buiten Hem ook nergens veilig meer. Als u deze schuilplaats niet betrouwbaar acht, als u deze schuilplaats voorbij loopt, waar moet u zich dàn bergen? Zoudt u vandáág nog niet een goed heenkomen zoeken?

U zult het ondervinden: 'De Heere zal een hoog vertrek zijn voor de verdrukte, een hoog vertrek in tijden van benauwdheid. En die Uw Naam kennen zullen op U vertrouwen, omdat Gij Heere, niet verlaten hebt degenen die U zoeken.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Het overblijfsel in Jeruzalem

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's