De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

12 minuten leestijd

Dr. J.A. de Jong, As the waters cover the sea, 246 p., ƒ15,75, J.H. Kok, Kampen, 1970.

Welke rol hebben chiliastische verwachtingen gespeeld bij de opkomst van de Anglo-Amerikaanse zendingsbeweging in de 17de en 18de eeuw? Ziehier het onderwerp van deze wetenschappelijke studie, die tot titel heeft de woorden van Jes. 11:9: gelijk de wateren (de bodem van) de zee bedekken.

De zendingsmensen wilden niet van een 'utopisch millennianisme' weten, maar wel koesterden velen chiliastische verwachtingen; en daaronder verstaat de schrijver op de Schrift gebaseerde verwachting met betrekking tot de laatste dagen van de geschiedenis der wereld. Wel mag niet worden vergeten, dat verscheidenen slechts aan een enkel aspect van de chiliastische beschouwingen vasthielden. In een epiloog zegt de schrijver: de verwachtingen van de leiders van de Anglo-Amerikaanse zending na te gaan en de graad waarin deze uitzichten gerealiseerd zijn, geeft inspiratie voor nieuwe opdrachten in het heden. 'Niet minder dan vroeger moet de kerk leven in hope en met de leiders in het verleden moet zij haar inspiratie betrekken uit de profetieën van het koninkrijk Gods.'

Het eerste hoofdstuk handelt over chiliastische gezichtspunten uit de tijd voor 1640. Hier — en ook in de volgende hoofdstukken — ontmoeten wij bekende namen als William Perkins (die vasthield aan een nationale bekering der Joden), Richard Sibbes, Thomas Goodwin (hij meende, dat het jaar 1666 de val van de antichrist zou brengen), John Owen e.a.

Het tweede hoofdstuk (Dorre beenderen en eerste vruchten) vertelt iets van het moeizame pionieren. Met eerbied lezen we van John Eliot, de apostel der Indianen. Ook in zijn werk vinden we een achtergrond van een gematigde vorm van millennium.

Over de jaren 1675—1735 (derde hoofdstuk The new Jerusalem) waagt de schrijver het generaliserend te zeggen, dat hoewel chiliastische eschatologie een nieuw inzicht gaf voor het verstaan van de zending dit toch niet leidde tot zendingsinspanning op grote schaal. Die kwam eerst in de tijd van de grote revivals (1735-en later). Hier zien wij de grote invloed van het werk van Jonathan Edwards (1703— 1758), voor wie het millennium of zoals hij het uitdrukte de tijd van de laatste dagen het toppunt was van het Goddelijke werk van verlossing.

Nieuwe problemen kwamen op na de onafhankelijkheid van Amerika. De laatste twee hoofdstukken (over de tijd van 1776—1810) spreken apart van Engeland en Schotland en daarna over Amerika. Ook in die tijd leefde er in vele zendingskringen een eenvoudig chiliasme met een sterke nadruk op de geleidelijke komst van het beloofde Koninkrijk door prediking en bekering. Deze eschatologie legde een sterk accent op gebedssamenkomsten voor reveil en hervorming. De zendingsimpulsen kwamen inzonderheid van Schotland, waarbij de schrijver als eerste noemt John Erskine, die Paulus als voorbeeld stelde ter navolging 'om van pool tot pool de onuitsprekelijke heerlijkheid van Christus bekend te maken'. William Carey stichtte de Baptist Missionary Society. Terecht zegt de schrijver, dat het een complexe taak is de invloed van de chiliastische verwachtingen op het ontwaken van de moderne zendingsbeweging in Engeland en Schotland na te gaan. De nadruk op het eschatologische was niet gelijk in de verschillende zendingsverenigingen en kringen, maar over het geheel werden eschatologische verwachtingen beschouwd als motief en roeping voor het werk van de zending. De zendingsgenootschappen zijn monumenten van geloof en hoop bij Engelsen en Schotten, dat de Here der geschiedenis zijn rijk bouwt. En tenslotte voert de schrijver zijn lezers nog naar Amerika, waar ondanks de zware terugslag na de onafhankelijkheid een nieuw elan geboren werd in 1810.

Ik moet het hierbij wel laten, hoe interessant het ook is in te gaan op allerlei bijzonderheden uit het kerkelijke leven, die en passant aan de orde komen. Met bijzondere belangstelling zullen de lezers, voor wie het Engels geen bezwaar is, met de inhoud van deze studie kennismaken om te merken, wat één van de diepste motieven — niet de enige!, maar wel één van geweldige betekenis — is van de zendingsbeweging, vroeger en ook vandaag.

Dr. G. Puchinger: Een theologie in discussie, prof. dr. K. Schilder: profeet-dichter-polemist; Uitgave N.V. Kok, Kampen; 149 pagina's; ƒ11,75.

In dit werk worden drie causerieën van dr. Puchinger over prof. dr. K. Schilder weergegeven, gehouden voor de NCRV ter herdenking van de vrijmaking in 1944 van een deel van de toenmalige Gereformeerde Kerken. Zij zijn sober, respectvol, beknopt, naar de eis.

Dat voor die kerken prof. Schilder als representatieve figuur werd besproken, ligt zeer voor de hand. Minder, dat aan die bespreking een zo uitgebreide weergave werd toegevoegd van één aspect van prof. Schilder, te weten zijn polemische gave, en dat getoond speciaal aan één tegenspeler, dr. O. Noordmans. Gekozen werd daarvoor de discussie, tussen beiden in 1936 in De Reformatie gevoerd.

Deze discussie staat op een zo hoog peil, dat een beoordeling in de gebruikelijke zin niet mogelijk is: hier komen twee figuren aan het woord van een zodanig formaat, dat de gemiddelde weekbladrecensent er alleen maar schuchter naar kan luisteren. En waarnaar het — deze beoordeling dan toch wel — zeer de moeite loont om te luisteren.

Thema van de discussie was: de algemene genade ofwel gemene gratie. Is die in de eerste plaats te zien in het bewaren van de schepping voor de uiterste consequenties van de zondeval (N.), of als een instandhouden van de positieve krachten der schepping onder het voorbijgaand 'regiem' van de zonde (S.) tussen val en wederkomst?

Het eerste doet schepping en zonde bijna dialectisch samenvallen, waarachter Barth opdoemt. Het tweede schept de mogelijkheid van een gekerstende cultuur hier-en-nu, waarnaast dan dualistisch-antithetisch een niet-gekerstende cultuur moet geplaatst om aan het tweeërlei van de uitverkiezing recht te doen.

Beide geleerden (want dat waren ze voluit) weten helder en trefzeker te formuleren. Daardoor kunnen velen de discussie goed volgen, al blijft de lectuur niet gemakkelijk. Daarbij trekt onze sympathie toch het meest op dr. Noordmans die, veel voorzichtiger theologiserend, de gedachtengangen waarop hij zich oriënteerde veel meer liet temperen door de Schrift, voor zover wij dat kunnen zien; terwijl Schilder, zonder last te hebben van door bescheidenheid geboden reserve's, voet scheen te geven aan een ongebreideld christelijk cultuuroptimisme, dat nu na enkele tientallen jaren wel langzamerhand zichzelf schijnt te hebben overleefd.

Dr. Noordmans reageerde, m.i. zeer begrijpelijk, niet meer na door prof. Schilder in een te zelfverzekerd maar overigens brillant betoog te zijn neergezet. Dat is jammer, want deze zaak raakt (Noordmans wees daar al op) plaats en functie van de kerk, die juist nu zo worden aangevochten. Was er onder ons maar iemand te vinden die de afgebroken draad van deze discussie weer op kon nemen. De huidige situatie vraagt daarom. Bij een behandelen van deze zaak moeten, na zoveel jaren, dogmatische vooringenomenheden toch beter kunnen worden vermeden dan toen.

Warm aanbevolen voor predikanten, en anderen met dogmatische belangstelling.

Prof. dr. S.U. Zuidema, De (on-)geloofwaardigheid van onze ekonomische orde. Uitg. Buyten en Schipperheyn, Amsterdam 1970, 31 blz. ƒ2,—.

In deze brochure geeft prof. Zuidema een bespreking van de rede, die onder de titel 'De geloofwaardigheid van onze ekonomische orde', in 1969 is uitgesproken door prof. dr. H.J. van Zuthem, bij de aanvaarding van zijn ambt van buitengewoon hoogleraar in de bedrijfssociologie aan de Technische Hogeschool te Delft.

Wie enigszins weet heeft van de gedachten van Van Zuthem en Zuidema zal het niet verbazen dat deze bespreking kritisch en scherp is uitgevallen. Herhaaldelijk wijst de schrijver erop dat Van Zuthem in sterke mate beïnvloed is door Marcuse, de Amerikaanse socioloog, die met zijn verwerping van macht en gezag en het centraal stellen van de autonome, mondige mens, aan de gevestigde maatschappelijke orde ronduit de oorlog heeft verklaard. Geen wonder dan ook dat verschillende gedachten van Van Zuthem — vooral waar prof. Zuidema hiervan een vervaging van de grens tussen christendom en humanisme vreest — bij hem scherpe kritiek ontmoeten. Dit wil overigens niet zeggen dat prof. Zuidema op alle punten overtuigt. We denken in dit verband aan zijn afwijzing van de onderscheiding die door Van Zuthem wordt gemaakt tussen primaire en secundaire levensbehoeften. Weliswaar past dit onderscheid goed in de gedachtenstructuur van Van Zuthem — en daartegen kan men bezwaar hebben — maar het duidelijke verschil kan men moeilijk ontkennen. Op die wijze zou onze sterk op consumptie gerichte maatschappij te onschuldig en te probleemloos worden voorgesteld. Wie de nogal moeilijke brochure van Zuidema wil bestuderen — en dat wordt ieder die voor deze materie belangstelling heeft aanbevolen — doet er goed aan ook de suggestieve rede van Van Zuthem te lezen.

Themen der Theologie, herausgegeben von Hans Jürgen Schultz: Band 1, Herbert Braun, Jesus, Der Mann aus Nazareth und seine Zeit, 17S S. Band 4, Ulrich Wilckens, Auferstehung, Das biblische Auferstehungszeugnis historisch untersucht u erklärt, 173 S. Band 5 Gert Otto, Vernunft, Aspekte zeitgemäszen Glaubens, 171 S. Prijs per deel DM 9,80 bij intekening, losse delen voor DM 12,80. Kreuz-Verlag, Stuttgart, Berlin 1970.

Enkele jaren geleden verscheen bij de Kreuz-Verlag het boek 'Theologie für nicht-theologen', dat ook in nederlandse vertaling is uitgegeven. De serie 'Themen der Theologie' bedoelt een voortzetting van dit boek te zijn. Op populair-wetenschappelijke wijze wil men voor een breed publiek informatie verschaffen over theologische vragen en probleemstellingen, en allerlei kernwoorden uit het christelijk geloof toelichten. De drie delen, die ons ter bespreking werden toegezonden, passen volledig in deze opzet. Ze zijn helder geschreven, geven in kort bestek veel materiaal en vormen een uitstekende informatiebron voor ieder die op de hoogte wil blijven met het huidig theologisch klimaat.

Uiteraard is het geen onbevooroordeelde informatie. De auteurs aarzelen niet positie te kiezen. Hun critische opvattingen ten aanzien van de traditie der kerk vragen dan ook een critisch lezen. Temeer, omdat de critische instelling van de schrijvers geen halt houdt bij de traditie, maar ook de Schrift zelf raakt.

Heel duidelijk komt dit uit in het boekje van Herbert Braun. Braun is een bekwaam geleerde die fraaie bladzijden volschrijft over de tijd van Jezus, het Jodendom van die dagen. Boeiend is ook wat hij schrijft over Jezus en de Wet, het joodse recht, huwelijk en echtscheiding, de joodse cultus, eigendom en bezit. De auteur steekt zijn uitgangspunt niet onder stoelen of banken. Het raam waarin de evangelisten Jezus' werk op aarde plaatsen is een geloofsbelijdenis van de christenen, die ja zeggen tot Jezus. Dit ja, aldus Braun, kunnen wij delen, maar de vorm waarin dit ja wordt uitgedrukt berust op antieke voorstellingen die voor ons niet meer acceptabel zijn. Het vierde evangelie valt als historisch betrouwbare bron ten enenmale weg. Terwijl de auteur ook in de andere Evangeliën rekent met een grote inbreng van de gemeentetheologie. Het is het bekende procedé dat men bij vele Nieuwtestamentici aantreft, vooral bij hen die sterke invloed van Bultmann ondergaan hebben. Als men vraagt: Wat zijn de criteria? om te onderscheiden tussen echte en onechte woorden van Jezus, geeft de auteur een allerminst bevredigend antwoord.

Uiteraard vallen in deze opzet de messiaanse titels onder de tafel, of liever gezegd: deze worden toegewezen aan de latere gemeente, die op deze wijze uitdrukking gaf aan het gezag dat Jezus voor haar had. Er is volgens Braun alleen maar autoriteit in dialoog, dat betekent: Niet ieder woord van Jezus behoeft in elke tijd gezag te hebben, om toch recht te doen aan de persoon van Jezus. Het is duidelijk dat het getuigenis van de Evangeliën hier door de filter van het moderne denken heengaat. Zo is b.v. het geloof aan de opstanding een oudchristelijke uitdrukkingsvorm voor de autoriteit die Jezus over de mensen gekregen had. Wij voor ons, schrijft Braun, kunnen de uitdrukkingsvorm niet accepteren, maar wel de autoriteit die erdoor aangegeven wordt. Wij mogen dus niet meer van de mensen eisen dat zij Jezus als Gods Zoon aanvaarden, want dan vragen wij iets, waartoe zij niet verplicht mogen worden, wij mogen wel zoeken naar het gezag dat Jezus' woorden en daden vandaag voor ons heeft. Het is duidelijk dat het gezag van de Schrift hier ten enenmale wegvalt.

Gert Otto geeft in het boekje 'Vernunft' allereerst een schets van de ideeën der Verlichting, waarbij hij er de nadruk op legt dat wij in ons geloven en handelen als christenen de consequenties waarvoor de Aufklarung ons plaatst niet meer naast ons neer kunnen leggen. Dat betekent inzake het geloof in God critiek op het traditionele Godsgeloof; het gebed wordt horizontalistisch verstaan als verantwoordelijk voor de wereld. De kerkelijke praxis, krijgt in een tijd van 'vernünftlicher Glaube' een maatschappelijke spits. De inhoud van het boekje geeft meer dan de titel doet vermoeden. Het gaat niet om een uiteenzetting van het begrip 'rede' als wel om een antwoord wat geloven en christen-zijn betekenen in een moderne tijd. Daarbij is het moderne denken voor Otto bepalend, terwijl enkele bijbelteksten en een modern geïnterpreteerde Luther dienst moeten doen als kroongetuigen.

Het meest geslaagd achten we het boekje van Ulrich Wilckens. Het biedt een overzicht over de Nieuwtestamentische gegevens inzake de opstanding. De auteur stelt zich wel op critisch standpunt, maar bestrijdt toch de visies van Bultmann (Jezus opgestaan in het woord der verkondiging) en Marxen (opstanding als interpretament). Wilckens legt grote nadruk op de opwekking als machtsdaad van God, als werk van Zijn scheppende almacht.

Men kan, aldus de auteur, de opstanding van Jezus als oorzaak voor de ontdekking van het lege graf niet door historische argumenten bewijzen, men kan evenmin haar bestrijden door allerlei verklaringen van het lege graf. Dat is voluit waar. Het komt aan op de gehoorzaamheid aan het getuigenis van evangelisten en apostelen. Over allerlei verbanden waarin het getuigenis van de opstanding gepredikt wordt zegt Wilckens schone dingen. Met name over de relatie opstanding-apostolaat. Maar de vraag blijft toch over of het critische uitgangspunt van de schrijver hem voldoende verweer biedt tegen degenen die hij bestrijdt.

Het is goed en nodig in onze verwarde tijd op de hoogte te blijven van de inzichten die in de moderne theologie opgeld doen. Zij bepalen namelijk op verschillende punten de practijk van prediking en kerk-zijn. Voor de verbreding van ons inzicht kunnen deze helder geschreven en keurig uitgegeven boekjes goede diensten bewijzen. Aanbevolen studiemateriaal voor wie zich in de huidige problematiek wil verdiepen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's