Uit de pers
Herbert Marcuse
Bewegingen en acties staan nooit op zichzelf. Ze hebben doorgaans een achtergrond in allerlei filosofische stromingen en opvattingen. Onze tijd is de tijd van protestacties en studentenrellen. In het verband van deze acties wordt steeds weer de naam genoemd van Herbert Marcuse, een duits-joods denken, geboren in 1898 in Berlijn. In het vooroorlogse Duitsland was hij een bij uitstek linkse figuur, wiens sympathieën lagen ergens tussen communisme en socialisme. In het begin van de jaren dertig week hij uit, kwam terecht in de Verenigde Staten. Als hoogleraar in Californië onderhoudt hij vele contacten met radicale studentenbewegingen.
Wat beoogt deze denker, die onwillekeurig vergeleken wordt met Karl Marx? Men kan, aldus dr. J.C. Verplancke in 'Patrimonium' (overgenomen in 'De Wekker' van 14 augustus) niet zeggen, dat Marcuse de stoot gegeven heeft tot de studentenopstanden. Marcuse heeft wel de ontwikkeling ontleed en is in de studentenwereld gaandeweg de geestelijke leider geworden. Dr. Verplancke zegt ten aanzien van de ideeën van deze denker:
Evenals Marx is Marcuse geïnspireerd door het dialectisch denken van Hegel: veranderingen in die samenleving kunnen slechts voortkomen uit de botsing van tegenover elkaar staande groepen. De gedachtengang is dan deze: steeds is er in de maatschappij een heersende groep. Deze roept oppositie op en uit die botsing ontstaat een nieuwe maatschappijvorm. In de middeleeuwen riep de adel de oppositie op van de zgn. derde stand. Daaruit kwam de kapitalistische maatschappij voort. Daarin was het weer de bougeoisie die de oppositie van de arbeidersklasse opriep. Marx ziet die groepen door een economische bril: de strijd tussen bezitters en niet-bezitters. Marcuse ziet meer in een sociologisch kader: de strijd tussen de gevestigde orde (de establishment) waarin zowel de bezittende als de niet-bezittende klasse zijn opgenomen en hen die nog daarbuiten staan, waartoe dan behoren studenten, provo's en andere clochards, radicalen, hippies etc. Uit de botsing moet dan een nieuwe maatschappijstructuur voortkomen.
Marcuse merkt echter op, dat de establishment er in is geslaagd het streven naar omwentelingen in te kapselen. Er heerst een vrijwel onbeperkte vrijheid van meningsuiting, zodat iedereen oppositie mag voeren, mits men zijn mening niet boven, maar naast die van anderen wil stellen. De oppositie wordt zodoende een onderdeel van de establishment. De gegeven situatie wordt als ideaal beschouwd en het streven naar een betere maatschappij is ingekapseld in de maatschappelijke orde zelf. Marcuse spreekt hier dan van de een-dimensionale maatschappij. Men koestert geen utopieën meer, de tweede dimensie is verloren gegaan.
Marcuse zoekt nu naar de krachten die het vermogen tot inkapselen te boven gaan. Die krachten zullen zich veel extremer moeten opstellen. Zij moeten komen tot 'de grote weigering'. De gehele establishment inclusief haar inkapselvermogen moet worden verworpen. Dat kunnen alleen zij, die nog buiten het establishment staan, zoals de studenten. Zij hebben een 'natuurrecht op verzet', een recht om onwettige middelen, ook geweld, aan te wenden zodra de wettige ontoereikend zijn. Geweldloosheid immers betekent het zich toch weer neerleggen bij de gevestigde orde; geweld is noodzakelijk en gewenst om tot bevrijding te komen. Geweld moet slechts worden afgewezen als het dient voor onderdrukking. Vandaar dat de Black Powerbeweging moet worden toegejuicht en het geweld van de politie om revolte te onderdrukken moet worden afgewezen.
Hoewel het niet zo eenvoudig is de gedachtengang van een denker als Marcuse weer te geven, menen we toch dat dr. Verplancke er in geslaagd is in enkele zinnen de kern van de zaak te raken. Het is goed om in dit licht allerlei bewegingen die aan de hand zijn te onderkennen. Ook allerlei uitingen van gezagsondermijning worden in dit licht duidelijk. Overigens is het geen nieuw geluid. In naam van een vals vrijheidsideaal, waarin de mens tot maat aller dingen wordt verklaard trekt Marcuse ten strijde tegen de gevestigde orde.
Ten diepste hebben we hier te maken met een uiterst hooghartige gedachtengang. Het uitgangspunt is, dat onze huidige maatschappelijke orde een 'valse' vrijheid herbergt, terwijl de idealen van Marcuse de 'ware' vrijheid bevatten. Dit is een volstrekt subjectief oordeel, dat slechts aanslaat bij hen, die zichzelf rekenen tot de bevoorrechte klasse der helderzienden, een elitegroep die meent monopolie te bezitten om het eenvoudige klootjesvolk het gemis van zijn 'ware' behoeften bij te brengen.
Zulk een elitegroep vormen van oudsher de studenten. Vroeger kwamen zij uit de bevoorrechte groepen van de maatschappij voort en uit dien hoofde meenden zij zich te kunnen veroorloven wat een gewone burger zich nooit zou hebben kunnen veroorloven. En rechters — die zelf ook eens studenten waren! — vonden hun baldadigheid aanvaardbaarder dan die van b.v. een jonge arbeider.
Tegenwoordig levert elke bevolkingsgroep studenten. Maar bij een deel van hen — niet zelden juist zij die afkomstig zijn uit kringen waar men vroeger over een universitaire studie eenvoudig niet hoefde te denken — treft men nog dezelfde elitegedachte. Bij hen slaat Marcuse aan: zij staan nog buiten de establishment, zij doorzien wat het gewone volk nog niet doorziet, zij hebben als studenten privileges en zij mogen doen wat een gewoon burger niet mag doen: zich verzetten tegen de politie, universitaire gebouwen bezetten, consulaten binnendringen enz. Wee de rechter die hen als gewone stervelingen behandelt: hij heeft er niets van begrepen, aan zijn optreden moet zelfs een Kamerdebat worden gewijd en een V.U.-hoogleraar in het strafrecht gaat een actie ontketenen om de straffen ongedaan te maken!
Het uit de band (van de establishment) springen van de studenten krijgt nu een ideologische basis in de theorieën van Marcuse. Deze proclameert de 'ware' tolerantie, die inhoudt: onverdraagzaamheid tegenover de denkbeelden van 'rechts' en verdraagzaamheid tegenover die van 'links', omdat alleen deze laatste de 'ware' vrijheid propageren. Hier hebben we bijna met een religie te maken, die gespeend is van alle maatschappelijke twijfel. En het is waarlijk geen wonder, dat er hoogleraren zijn, die in deze denksfeer niet meer in staat en bereid zijn hun wetenschappelijk, zorgvuldig het 'voor' en 'tegen' afwegend werk te verrichten. Juist in de sfeer van de wetenschap bestaan immers geen stellingen (als die van Marcuse) die zich niet voor tegenspraak lenen.
Wij geven graag dit oriënterende artikel aan u door. Wie meer van Marcuse wil weten, kan terecht in het boek van prof. dr. S.U. Zuidema over Marcuse. Zuidema schrijft niet gemakkelijk, maar wie de gang van het betoog kan volgen, wordt door hem op knappe wijze geïnformeerd over de gedachtengang van deze Marcuse. Een denken dat volstrekt in strijd is met het christelijk geloof. Het 'paradijs' dat Marcuse belooft loopt uit op volstrekte wetteloosheid en anarchie. Te betreuren valt dat velen maar al te gemakkelijk zich voor het wagentje van deze denker laten spannen, en dat juist ook van de zijde van hoogleraren van wie men een ander geluid zou mogen verwachten, zo weinig protest wordt aangetekend tegen dit revolutiedenken.
Hoe functioneert de Doop in onze gemeenten?
In het Hervormd weekblad voor Nijmegen, Maas en Waal en Over-Betuwe van 3 juli en 10 juli staat een lezing afgedrukt van dr. H. v. Vliet, hervormd predikant in Beuningen over de dooppractijk. Dr. v. Vliet komt als kerkvisitator uiteraard dikwijls met deze vragen in aanraking.
Hij wijst op de critische geluiden ten aanzien van de kinderdoop, waarbij achter deze critiek toch ook een stuk verontrusting zich laat horen. Verontrusting over het feit dat in het leven van gedoopten zo weinig te merken valt van een leven uit Christus. Wanneer we nagaan wat de Schrift zegt over de gedoopten, dan rijst de vraag: Wat zie je ervan in de gemeenten? Soms weet men nauwelijks dat men gedoopt is.
Dr. Van Vliet meent — en o.i. terecht — dat dit op zichzelf geen argument is tegen de kinderdoop. Ook ten aanzien van hen, die als volwassenen gedoopt zijn, kan men vragen: Is daar het leven uit Christus wel zo duidelijk? Trouwens, ook de Schrift laat zien hoe er in het leven van de christelijke gemeente een voortdurende strijd is om in het rechte spoor te blijven en geen schipbreuk te lijden. Maar afgezien van alle exegetische en theologische vragen ten aanzien van de kinderdoop, is er de vraag: Wat komt er van de doop terecht in de gemeente? Hoe funktioneert de doop daar? Heeft de doop de werking die bedoeld is? We citeren uit dit artikel:
Nu hoeft men nog niet de vraag te stellen: hoeveel gedoopten komen tot belijdenis doen, ook niet de vraag: hoeveel gedoopten komen tot avondmaalsviering, maar men zal wel de vraag moeten stellen: hoe komt het, dat de doop in de gemeente zo weinig uitwerking heeft? Hoe komt het, dat het in het leven van gedoopten zo weinig uitbot tot leven en groei, tot liefde en lof, tot het gaan funktioneren als lid van het lichaam van Christus, waarin men geboren, ingeplant, ingetreden is? Over déze vraag dient de gemeente zich te verontrusten. Ze moet zich niet op een zijspoor laten brengen door te gaan praten over het alléénrecht van volwassendoop of kinderdoop. Maar ze moet blijven op het spoor: hoe funktioneert de doop? Funktionéért ze eigenlijk wel? En als we moeten zeggen: het ziet er droevig uit — en wie zou dat niet zeggen — dan moeten we niet te vlug aankomen met de roeping en verkiezing door de Heer. Natuurlijk is die er óók. Maar die mag pas tot troost worden als wij zelf gedaan hebben wat de Schrift ons aanwijst. De Schrift wil meer dan de K.O. Die wil de kerkeraad — waarom alléén de kerkeraad? — laten waken over de band tussen de ouders en het kind met de kerk. Neen, de H. Schrift wil dat de gemeente in zijn geheel — en natuurlijk zeker de kerkeraad — er op toe ziet, dat er groei is in liefde en goede werken, er op toeziet dat niemand verachtert in de genade.
In het doopbevel uit Matth. 28 staat, dat aan de gedoopten geleerd moet worden te onderhouden wat de Heer bevolen heeft. Gedoopten — groten en kleinen — moeten dus leren het geheel van de bedoelingen van de Heer in acht te nemen, in de praktijk te beleven. Zoals dat b.v. blijkt uit Hand. 2:42, waar van de gedoopten gezegd wordt dat zij bleven volharden in het onderwijs der Apostelen en in de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En uit de Brieven die gedurig zich bezig houden met dat leren beleven van de bedoelingen van de Heer.
De doop kan dus zijn werking alleen hebben wanneer er op toegezien wordt dat de gedoopten blijven op de weg van de Heer.
Door de doop wordt de band met de Heer, die door het geloof wordt gelegd, versterkt en zichbaar gemaakt, wordt de opname in het lichaam van Christus vastgemaakt, zoals bij het enten de entloot stevig in de boom wordt vastgezet. Maar de doop kan zijn werking alléén verrichten als de dopeling blijft in het lichaam van Christus, als de rank blijft in de wijnstok. De kracht van het kruis en van de opstanding van de Heer kan zich alleen doen gelden in de gemeenschap met de Gekruisigde en Opgestane Heer. En de gemeente zal er op moeten letten, dat de gedoopten in die gemeenschap blijven leven.
Maar hoe moet dat nu in de praktijk? Hoe kan dat funktioneren van de Doop worden bevorderd; hoe kan worden bewerkt, dat de doop inderdaad zijn funktie van bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de H. Geest, zijn funktie van afwassing en heiliging kan vervullen?
Over de H. Geest kunnen wij niet beschikken; al zouden wij alle mogelijke voorwaarden hebben vervuld en maatregelen hebben genomen; het is God, die de wasdom geeft. Maar dat neemt niet weg, dat na het planten het natmaken toch wel van grote betekenis is. Allereerst zal dan aan dopelingen en doopouders duidelijk moeten zijn, dat het begeren van de Doop betekent het begeren van de gemeenschap met de Heer Jezus. De Doop wordt bediend op de Naam d.w.z. om toe te behoren aan...
Bij de doopaangifte zal aan de kerkeraad duidelijk moeten zijn, dat dopeling of doopouders weten wie de Heiland is en wat Hij wil, het zal duidelijk moeten zijn, dat overgave aan de Heer begeerd wordt, dat het verlangen bestaat, dat niet de wereld, het vlees of de boze met zijn aanhang de dopeling zullen regeren, maar dat de Heer en zijn Geest het leven van de dopeling zullen vullen.
Dat betekent, dat duidelijk zal moeten blijken, dat de wil bestaat om te volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, de breking van het brood en de gebeden. Niemand kan in de gemeenschap van de Heer blijven zonder de liefde voor de broeders, niemand kan in de gemeenschap van de Heer blijven zonder zijn Woord te bewaren, niemand kan in de gemeenschap van de Heer blijven zonder zijn vlees te eten en zijn bloed te drinken (Joh. 6:53), niemand kan in de gemeenschap van de Heer blijven zonder die te zoeken in het gebed, zonder Hem te loven en te danken met de anderen tezamen.
De wil tot die volharding zal moeten bestaan; de doop van een kind veronderstelt op zijn minst bij de ouders het verlangen om zelf gedoopt te zijn als men dat nog niet was. Het zou verder goed zijn als de gewoonte van de oude kerk werd overgenomen, dat bij het zoeken van de doop er getuigen moeten zijn, die verklaren er borg voor te staan, dat de dopeling/doopouders, zoals een oude regel vraagt van ieder die zich voor de doop meldde: de zieken heeft bezocht, de zwakken geholpen, dat hij zich gewacht heeft voor elke vorm van verkeerde taal, dat hij Gods lof heeft gezongen, dat hij ijdele eer heeft gehaat, de hoogmoed heeft veracht en voor zich de nederigheid heeft verkozen (M. Dujarrier, Le Parrainage des adultes, p. 45).
Zoals van de dopeling oudtijds een driejarig catechumenaat werd gevraagd, zo zou voor doopouders zeker een periode van erkend meeleven in de gemeente moeten worden geëist. Maar... wat een problemen rijzen hier onmiddellijk. Toch zullen we moeten zoeken naar wegen om de doop in zijn funktioneren niet te belemmeren, maar juist te bevorderen.
Hier worden behartigenswaardige dingen gezegd. Dr. v. Vliet onderstreept terecht, dat elke kerkeraad en elke gemeente met deze dingen zit. Doopzittingen en doopbezoeken leggen daar getuigenis van af. De doop kan alleen maar functioneren in het geheel van het pastoraat der gemeente. Want — ook dat zijn we eens met dr. v. Vliet — wij zijn er niet met in bepaalde gevallen de doop te weigeren. Het manco ligt dieper. Dat is het verval der gemeente. Waar wordt nog beseft, dat de gemeente het lichaam van Christus is? Zal de doop recht functioneren dan is nodig, dat de gemeente opnieuw gaat horen naar het Woord, dat er iets gezien wordt van de vreze des Heren, kortom een nieuw reveil is nodig voor ambtsdragers en gemeenteleden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's