De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

'Anders gezegd’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

'Anders gezegd’

Horizontaal denken

11 minuten leestijd

II

Wij zouden Kuitert nog een ogenblik aan het woord laten om zijn gedachten te uiten over het z.i. zo noodzakelijke horizontale denken en leven in theologie en kerk. De vorige maal hebben we gezien, hoe welbewust hij zijn theologie theologie der revolutie wil geheten hebben.

Uitleg van het heil in de prediking

Kuiterts horizontalistische gedachtengang brengt immers ook verstrekkende gevolgen met zich mee voor de prediking. Dat is duidelijk. Enerzijds, zegt hij, kan de prediking niet bestaan in prediking van de humaniteit (de medemenselijkheid), de aardse toekomstverwachting, of hoe men hier ook spreken wil. Wij prediken Christus en Dien gekruisigd. Maar wie Christus voor ons is, waarin het heil van Zijn kruis en opstanding voor mens en wereld bestaat, laat zich anderzijds slechts binnen het raam van de eigentijdse werkelijkheidsbeleving relevant (bruikbaar) verder vertellen... Vandaag, zegt Kuitert, leggen wij onbevreesd het heilswerk van Jezus uit met de woorden, die ons vandaag in de mond gegeven worden d.w.z. in termen van mens-zijn, met en voor anderen (Man for others), in termen van politiek en maatschappelijk heil (the secular City), enz. Het gaat, volgens Kuitert, in de prediking om een verstaanbaar 'omhalen' van de oude heilsboodschap in onze tijd. 'Veel preken zullen dan blijken niet voor de eeuwigheid geschreven te zijn. Maar zouden dat niet juist de goede preken moeten heten en de andere — terecht — de meest vervelende?' (blz. 139).

Dat deze manier van prediking het gevaar van reductie (verkorting van de heilsboodschap) met zich meebrengt, ziet Kuitert ook wel, zegt het althans te zien. Maar hij vindt, dat de kerken van de reformatie nu genoeg getobt hebben met de verkorting van de heilsboodschap in termen van 'hoe krijg ik een genadig God' (à la de Reformatie).

Het nuttigheidsbeginsel in de moraal

Ook wanneer Kuitert handelt over de moraal (de zede, het gedragspatroon) openbaart zich zijn uitgerekend horizontalistisch uitgangspunt. Hij heeft er geen enkele moeite mee, dat ook de christelijke moraal verandert. 'De christelijke moraal', zegt hij, 'is voor mij het gebod van God, vertaald in historische en daarom verschuifbare wegen van gehoorzaamheid. Op de wijze van de op verandering berekende moraal is het gebod van God onder ons tegenwoordig' (blz. 190). In verband daarmee acht Kuitert de uitweg van de zogenaamde situatie- of relatie-ethiek aantrekkelijk. Hij gaat dan verder bij zijn beschouwingen uit van het zogenaamde utiliteitsbeginsel, dat wat nuttig is voor de schepping. Dat lijkt hem een goed richtpunt voor het ethisch handelen. 'Dit beginsel van de nuttigheid', zegt hij, 'levert op zichzelf geen normen, maar we herkennen de normen als ware normen vanwege hun nuttigheid voor mens en wereld' (blz. 195).

Wat dat betreft 'zijn christenen en niet-christenen zeer wel in staat elkaar te vinden in wat moreel goed is, tot aan het punt van gemeenschappelijke inzichten toe'. Kuitert beroept zich in dit verband op wat Luther en Calvijn over het natuurrecht zeggen. Datgene, wat alle men­sen moeten doen, omdat ze mens zijn en het nog weten ook (= de natuurlijke zedewet) stelden volgens hem Luther en Calvijn gelijk met de tien geboden en deze laatste weer met het wezenlijke van Jezus' onderwijs in de Bergrede. De tien geboden zijn een soort herhalingscursus. Stellig kan de christelijke moraal duidelijk onderscheiden zijn van de algemeen gangbare moraal. Maar het is voor Kuitert duidelijk, 'dat, waar de algemeen gangbare moraal leeft van het verzet tegen moord, doodslag, leugen, onderdrukking, enz., dat de christelijke moraal als twee druppels water op die algemene lijken zal' (blz. 196).

In het proces van éénwording van onze wereld, dat druk aan de gang is, loopt het straks uit op 'één (oecumenische) wereldmoraal, dat, wat men nu eenmaal niet doet. En in de smeltkroes van moralen zal die moraal het winnen, die in de tot één wereld, één groep geworden mensheid deze mensheid het beste dient om tezamen mensheid te zijn en te blijven.'

Leven met de dood

Maar, zal de lezer vragen, breekt deze horizontalistische visie van Kuitert niet de nek op het onherroepelijke van de dood? Alles blijft hier dan toch maar binnen de horizon van ons leven hier en nu. Is er dan toch niet een wereld na dezen, waarop de kerk de mens mag leren hopen, zeker in haar pastoraat aan sterfbedden? Alles hangt met alles samen in de zaken van de theologie. Men ziet het ook hier weer.

Kuitert gaat in zijn theorie 'over de herwaardering van de dood' uit van het biologische gegeven, dat de levende natuur niet bestaan kan zonder een levenloos (uit afgestorven produkten bestaand) substraat. Er is geen dood zonder leven en geen leven zonder dood. Dat door de zonde de dood in de wereld gekomen is, is biologisch gesproken, onzin. De dood is er altijd geweest. Strijdt dat dan niet met de gegevens van de heilige Schrift? Kuitert vindt, dat wij schepping-zondeval-verlossing onmogelijk als een historisch opeenvolgende trits kunnen blijven zien (zie zijn 'exegese' van Gen. 1—3). Gen. 2:17 is volgens hem een oordeelsaankondiging en niet aankondiging van de entree van het sterven. Rom. 5:12vv blijft dan over (dat niet alleen trouwens!) Wel, redeneert Kuitert, Paulus zegt hier niet, dat het sterven door de zonde in de wereld is gekomen. Niet het sterven, maar de dood. Dood als machtsbegrip. Kennis van schuld en zonde roept bij Paulus de dood in het leven. Voor de zondaar wordt het sterven (dat op zichzelf een goede zaak is) een impasse. Deze impasse van het zondaarsbestaan is door Paulus aan het moeten sterven gedemonstreerd, 't Is voor Kuitert zeer de vraag, of wij Paulus daarin nog kunnen volgen. We zullen wel degelijk het gericht Gods moeten prediken, maar niet meer aan de hand van de doodsgedachte. In onze tijd heeft het moeten sterven zijn mythologische meerwaarde verloren. Het behoort met andere woorden tot het gewone mens-zijn en het moeten sterven zal door ons ook moeten worden erkend als iets, dat bij de goede schepping behoort.

Maar, vraagt Kuitert dan, brengt deze 'herwaardering' van de dood ons op de­ze wijze niet tot pure oppervlakkigheden? Nee, onze tijd is 'getermijnd'. Wij moeten daarmee tevreden zijn en moeten niet proberen bv. in de vorm van onsterfelijkheidsverlangen meer dan mens te willen zijn. Dat is afgodendienst. We leven maar één keer.

Bovendien is het moeten sterven een mogelijkheid tot voltooiing van het menszijn door middel van een daad. De mens geeft zich op (dat is dus meer dan de aanvaarding van de dood als een soort lot). Wij moeten van ophouden weten. Wij moeten ook bereid zijn om plaats te maken voor anderen, inclusief de bereidheid om met ons leven de anderen, die na ons komen, zo goed mogelijk te dienen (denk o.a. ook aan de orgaantransplantaties).

Is dan met de dood alles uit? De wereld gaat verder met wat ik eraan gegeven en besteed heb, in de vorm van arbeid, offer, verwachting en eventueel kinderen. Voor het overige 'trekt de stervende de ladder achter zich omhoog. Hij kan ons niets meer vertellen... Of is dat alles (het hiernamaals en de onsterfelijke ziel) een mythologische verwijzing naar een geborgenheid, die ook het moeten sterven insluit? Bij wijze van antwoord willen we nog eens Barth aanhalen: 'Gott ist mein Jenseits'. Zoveel iemand van zijn God verwacht, zoveel heeft hij.' (blz 161).

Met deze woorden besluit Kuitert zijn tweede artikel over de dood in zijn 'Anders gezegd'. Onmiddellijk daarop gaat hij weer over tot de orde van de dag door de vraag te stellen: Kan en mag de kerk uitspraken doen op politiek, sociaal en maatschappelijk gebied?

Een schrale troost

Kuitert is in bovenstaande regels genoeg aan het woord geweest om er ons een voorstelling van te kunnen maken, hoezeer hij alles op de noemer van een horizontale theologie brengt. Bij het laatste, wat we schreven over Kuiterts gedachten t.a.v. de dood komt ons om te beginnen de tekst in de gedachten, die Paulus in het machtige opstandingshoofdstuk (1 Cor. 15) uitspreekt: Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn we de ellendigste van alle mensen...! Helaas, zulk een schrale troost, waar de ellendigsten aller mensen het levenslang mee schijnen te kunnen uithouden, de troost van de vrijdenker, die wel verder zal zien, als hij straks de ladder achter zich omhoog trekt, schijnt Kuitert voor zijn rekening te durven nemen uit oorzaak van zijn hooggeroemde theologie van de revolutie. Wij hebben althans van de 'wereld' al zovaak gehoord, dat er nog nooit iemand uit de dood is teruggekomen. Dat behoeven wij uit de mond van een 'theoloog' niet nog eens opnieuw te horen. Wij voor ons zijn ervan overtuigd, dat naar het klare getuigenis der Schriften, de vromen, zowel onder het Oude als onder het Nieuwe Verbond, het heil, dat ze in hun God omhelsden nooit in termen van aardse welvaart en intermenselijke verhoudingen hebben kunnen uitdrukken, hoeveel dat heil daarmee ook te maken had.

Tijd en eeuwigheid

God gaat immers ook bepaald niet op in Zijn relatie tot Zijn schepping. Wij hebben van de reformatoren geleerd om de deugden Gods in betrekking tot ons te zien, maar dat houd niet in, dat het Godzijn van God gans en al op de noemer van wereld en mens te brengen valt. Het is daarom een veeg teken, dat de eeuwigheid van God, de eeuwige God Zelf in de beschouwingen van een man als Kuitert verdwijnt achter de tijd en de schepping.

Kortom, wij missen in zijn overwegingen het gewicht van de eeuwigheid. En dat is iets, dat de mens en de kerk duur te staan komen. Wij hebben dan de deur opengezet voor het pantheïsme, waarin God en de werkelijkheid van ons mensen samenvallen. Wie de twee artikelen over de dood in het boek van Kuitert leest, vraagt zich af: Zou deze man werkelijk niets meer te zeggen hebben? De theologie van Kuitert kijkt kennelijk op geen enkele wijze (en zeker niet op de manier van de Bijbelse hoop) door de tijd heen. Want zij houdt op geen enkele wijze rekening met het oordeel Gods, dat over de schepping ligt, houdt geen rekening met de Bijbelse uitspraken over de antichrist en het eschatologisch eindgericht, waarin de wereld door vuur zal vergaan.

Verdwijnend christendom?

Met deze consekwentie 'verwereldlijking' van de zaak verspeelt de kerk het meest wezenlijke van haar boodschap. Wij dagen Kuitert uit om waar te maken, wat hij tussen de regels door suggereert vast te willen houden, nl. dat Christus meer is dan een goed voorbeeld. Hij zal ons moeten vertellen, waarin het verzoeningswerk van Christus bestaat en hoe de Heilige Geest ons daaraan deel geeft, en waar de scheidslijnen lopen tussen Kerk en wereld.

Zijn we in het koninkrijk van God, als christenen en niet-christenen hand in hand strijdend voor sociale gerechtigheid, het einde van hun weg bereikt hebben? Of is deze idee van het koninkrijk Gods werkelijk de beslissende stap in de richting van de volle openbaring van het Rijk Gods? Deze vragen zijn vaak gesteld. Dat we er eindelijk dan ook eens mee gaan rekenen in onze theologische en kerkelijke arbeid, opdat het christendom (ook à la Kuitert) niet binnen de kortst mogelijke tijd als een fase in de cultuurgeschiedenis van de mensheid verdwijnt. Dat laatste is juist de zorg van Kuitert en anderen. Het zij zo. Maar op deze manier theologiseren, betekent de zorg groter maken en wat erger is, het verdwijningsproces van het christendom in deze wereld verhaasten.

Wie zal ons garanderen, dat de mens van de sociaal rechtvaardige wereld (waarvoor ieder oprecht christenmens zich overigens zal willen inzetten) van louter zotheid en zatheid niet zal schoppen tegen de wereld, die hij voor zichzelf zo leefbaar heeft gemaakt? Wie zal dat garanderen? In elk geval niet die mens, waarin Kuitert blijkens al zijn beschouwingen zoveel vertrouwen stelt!

Onze conclusie is, dat de opvattingen van Kuitert, ondanks het beweerde tegendeel, wel terdege een reductie van de boodschap van het Evangelie met zich meebrengen. De vraag van Kuitert naar een christendom, dat bereid is onvoorwaardelijk deel te nemen aan het leefbaar maken van het bestaan, is een vraag, die ons allen aangaat. Dat is waar. Maar er is ook nog een andere vraag. En daarmee is niet slechts in de reformatie, maar ook nu, zeker nu, het hart van de zaak geraakt. Het is de vraag naar een genadige God. En vanuit deze vraag komen de dingen soms radicaal anders te liggen. Bv. zo, dat een mens een diepe vrede in zijn hart heeft, ook al zit hij twaalf jaren in de gevangenis als John Bunyan. Bv. zo, dat een mens zich diep ongelukkig gevoelt, ook al bezitten hij en zijn medemensen alles, wat hun hart begeert. God is uiteindelijk meer dan de optelsom van al die dingen, die Zijn handen geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

'Anders gezegd’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's