Het goede adres
'En Jezus vandaar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon. En ziet, een Kananese vrouw uit die landpalen komende, riep tot Hem zeggende: Heere, Gij Zoon van David, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten.' Mattheüs 15 vers 21 en 22.
De Heere Jezus is meer dan eens vermoeid. Niet zozeer van het rondwandelen, maar van al dat redetwisten met schriftgeleerden en farizeeën. Hoe lang zal Hij hen nog verdragen. Zij weigeren hardnekkig tot Hem te komen, in Hem te geloven, maar houden Hem ondertussen bezig met hun betweterij. Want het was toen net als nu: de mensen houden van beschouwingen, om de beslissingen uit de weg te gaan. Veel godsdienstige gesprekken lijden aan dat euvel. Daarin is veel geveinsdheid.
Geen wonder, dat Jezus weg gaat, dat Hij vertrekt. Eigenlijk staat er: zich terugtrekt. Een onheilspellend woord. Als Christus zich terugtrekt dan valt er — misschien door niemand opgemerkt — een schaduw over het heilige land. Dan voltrekt zich het oordeel, waarvoor we wel mogen vrezen. Laten wij niet vergeten, dat dit ook heden mogelijk is en dat wij het er naar maken. Overal waar Jezus geen Jezus mag zijn, geen Zaligmaker, daar doen wij Hem verdriet. Wanneer wij over Hem horen en het over Hem hebben, maar niet tot Hem gaan, daar maken wij Hem moe. Nog een kleine tijd ben Ik bij u. Neemt de gelegenheid waar; verdoet de genadetijd niet met woord en tegenwoord; want het duurt maar kort. Wee ons, als Jezus weggaat, als Hij ons overlaat aan onze eigen wijsheid, die dwaasheid is voor God. Hoe houden wij Hem vast? Als we ons aan Hem gewonnen geven, als we in Hem geloven.
Hij vertrekt naar het gebied van Tyrus en Sidon. Dat is heidens gebied. Wij weten niet zeker, of Hij zich alleen maar in de richting van dat gebied begaf, of dat Hij er enige tijd verblijf hield, maar dit vertrek heeft stellig betekenis gehad voor dat heidense gebied. En even stellig schemert hier iets door van de gang die het Evangelie later nemen zal: Wij wenden ons tot de heidenen. Christus gaat naar een streek, waar Hij, naar wij menen, niets te zoeken heeft, waar geen werk voor Hem is. Tyrus en Sidon.
Toch geniet Hij in die streek enige bekendheid. Zijn gerucht dringt overal door; het goede gerucht van Zijn wonderen. Er woont in dit land een vrouw, die van Hem gehoord heeft. Zij is een Kananese vrouw, een van de oorspronkelijke bewoners, een heidense bij uitstek. Geen eervolle vermelding. Haar leven ligt onder een vloek: Vervloekt zij Kanaän. Zo'n vrouw zouden wij zeggen, heeft van Christus niets te verwachten. Zij valt niet in termen. Terwijl ze in zo grote nood verkeert. Haar dochter is deerlijk van de duivel bezeten. De duivel demonstreert zijn macht aan die dochter. Hij kwelt haar, en de moeder moet machteloos toekijken. Het snijdt haar door het hart, maar wat kan zij er tegen doen? Immers niets.
Zij hoort dat Jezus in de buurt is. Nu kan ze niet langer thuis blijven, ze moet naar Hem toe. Eenmaal bij Hem gekomen roept ze luidkeels: Heere, Gij zoon van David, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten. De moeder maakt de nood van haar kind tot de hare: Ontferm U mijner. Zo doen moeders, ze lijden er immers aan; de nood van haar dochter weegt haar zwaar. En die nood legt ze voor Jezus neer. Zij neemt de gelegenheid waar, aanhoudend smeekt ze Hem. Wat wij nog van geen Farizeeër vernamen, horen we uit haar mond. Zij belijdt Christus: Heere, zoon van David.
Hoe weinig zal ze van die namen geweten hebben! Maar het gaat er niet om hoe véél wij er van weten. Wat ze van Hem weet laat haar niet werkeloos; het is voldoende om te roepen: Ontferm U mijner. Een beschamend voorbeeld, vindt u niet? Wij hebben veel meer van Jezus gehoord, en... deden er niets mee. Het Evangelie is een grote schat. Wee onzer, als we die begraven in onze onverschilligheid; als we er geen werk van maken, doen wij er ook geen winst mee. Dat neemt de Heere ons kwalijk.
Zo was het onder de Joden, zo is het onder ons. Er zijn wel mensen, die over Hem spreken, maar dat brengt hen niet tot Hem. Wij houden lichtvaardige en zwaarwichtige beschouwingen, maar daardoor is nog nooit iemand tot Christus gegaan. Integendeel, daardoor dreigt Hij zich van ons te verwijderen. Weet u iets van Hem? Buit het dan uit! Doe er wat mee in gebed en geloof. Ga niet met uw verstand te rade, maar hoort het evangelie. Hoort het, midden in uw levensnood. Gaat er eens op in, gaat er eens op door. Hoe kom ik bij Hem, wat kan ik Hem zeggen?
Deze vrouw schreeuwt haar keel bijna hees; het komt rechtstreeks uit haar hart. U hoort haar niet praten, u hoort haar roepen. Het is al heel wat gewonnen als het vrijblijvend praten in een verbindend roepen overgaat. Dan krijgen wij het er pas moeilijk mee, dan kunnen angst en nood de boventoon voeren, geloof en ongeloof raken slaags. Nu of nooit. Jezus is de enige, die redden kan en Hij is nabij. Ik zet alles op alles. Als Hij niet helpt, dan ben ik verloren, dan is mijn kind verloren. Dan is er geen redden meer aan, wij worden beiden een buit van de duivel.
Niet uit de verte, waar we alles nog zo goed kunnen bekijken, maar van vlak bij klinkt deze noodkreet. Denk niet, dat daarmee alles op slag verandert. Nee, dan gaan de onweders over ons heen, de hemel wordt zwart van wolken. Dan begint het pas te stormen. Het is er op of er onder.
Ontferm U mijner. Zo wordt er gebeden door allen, die God nodig hebben. Jezus wordt het meest geëerd, wanneer we Hem om erbarmen bidden. Het raakt een tere snaar in Zijn hart. Om zich te ontfermen heeft God Zijn Zoon gezonden in de wereld. Wie daar een beroep op doet, doet het niet te vergeefs. Het is geen slag in de lucht, o nee. Wij kunnen niets aanvoeren, wij kunnen geen rechten laten gelden. Maar we mogen wel roepen en al roepende pleiten: Heere, gij zoon van David. Deze moeder kan haar dochter niet zien lijden; zou de Heere Jezus niet meedogender zijn dan die moeder. Zou Hij zich niet over hen beiden erbarmen? Ze heeft goede gedachten van Hem. Heere! Gij hebt er de macht toe. Tegenover de duivel, ben ik onmachtig. Hoe vaak herhaal ik het niet: Ik kan er niets tegen doen. Maar Gij wel. U is macht gegeven. U bent de sterkere. Mag ik U bij Uw naam noemen: Heere!
De Zoon van David, dat is toch de grote koning. Van Hem is gezongen: Want Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders de ellendige en die geen helper heeft. Nu, dat klopt wonderwel op haar geval. Zo gaat ze te werk, met wat zij weet. Is het veel, is het weinig? Het is genoeg om Hem te bidden. Is iemand van u in nood en weet hij niet hoe hij moet bidden? De Heilige Geest leert het ons hier: Jezus, de Heere aanroepen, zijn Naam aanroepen, Hem bij Zijn naam noemen. Heere, gij zoon van David. Dat zijt Gij toch. Wel, dan ben ik aan het goede adres. Want ik heb Uw erbarming nodig, Heere Jezus. Mijn dochter... ik. Ik heb een Koning nodig, die redt; een koning met een priesterlijk hart. Zo'n gebed is de Heere aangenaam en wordt door Hem verhoord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's