De huwelijksbevestiging (IV)
Juridische betekenis van de ondertrouw
Op het gewicht der ondertrouw tijdens de republiek wees ook H.O. Feith in de Groningse volksalmanak van 1891 (blz. 45—55).
Waar men tegenwoordig, bij het verbreken van de ondertrouw, hooguit tot vergoeding van gemaakte kosten kan worden verplicht, kregen vroeger bij verbreking der ondertrouw met wederzijds goedvinden, beide partijen boete. Een man kon door gevangenisstraffen gedwongen worden of door zijn schoonvader met behulp van de politie naar de kerk worden gebracht. Een vrouw, die de ondertrouw verbrak, moest de bruidschat teruggeven. Maar ook kwam het nog al eens voor dat een vrouw, wanneer zij in verwachting was, een man tot een huwelijk wilde dwingen en voorgaf dat er trouwbelofte gedaan waren, terwijl dit hoogst twijfelachtig mocht heten. Zwak stond dan de zaak wanneer men zei buiten de predikant om gehandeld te hebben, en zich op een vormvrije ondertrouw beriep. Terwijl toch in andere landen, met name de Angelsaksische, het vormvrije huwelijk zich lang gehandhaafd heeft, is dat ten onzent niet het geval geweest. Bijzondere betekenis had daarbij de bij de oude Germanen reeds voorkomende bruidschat, de z.g.n. arrha. Hiervoor toch moest, zoals we reeds zagen, de bruidegom de voogdij over zijn vrouw kopen. Later werd dit meer een formaliteit. Veelal was het toen een gouden ring die de bruidegom schonk en hieruit is weer de gewoonte ontstaan van elkaar een ring, de trouwring te geven. Ook het Friese, thans nog als waardevol antiek gewaardeerde knottenkistje, vindt hierin zijn oorsprong.
Begrijpelijk echter dat ook al was die tot formaliteit geworden bruidschat soms van heel weinig materiële waarde, zij als bewijsstuk dat er trouwbeloften gedaan waren, van grote betekenis kon worden.
Zo vinden we in het genoemde artikel van Feith een fraaie opsomming van allerlei artikelen, die niet enkel als bruidschat fungeerden, maar die, als ze aan een vrouw geschonken waren, een man tot een huwelijk konden verplichten, b.v. een zakdoek, een ducaat, een kleerhanger, een reukbal. En dan natuurlijk de ring; ook een kus werd als afdoende bewijsstuk beschouwd. Een man mocht wel zeer voorzichtig zijn met zijn attenties. Als zulke attenties hem later in moeilijkheden, b.v. voor de rechtbank, brachten, was het verweer dikwijls dat ze in scherts gegeven of zelfs afgepakt waren, of ook dat men in dronkenschap gehandeld had.
Feith demonstreert het een en ander aan de hand van het door hem geciteerde gedicht: 'Het Spaense Heydinnetje' van Jacob Cats uit diens Trouwring (blz. 149).
Hij streckt van sijner hant / Een ring, een rijck juweel een hele diamant / En seijt haar: Schoone Maaght! ick sweere bij mijn leven, / En bij het ridderschap mij van den Prins gegeven, / Ick sweere bij het pant, dat ghij voor ogen siet, / Dat u mijne trouwe ziel oprechte liefde biet, / ’t En wil u, schoone bloem! niet als een bijzit houwen. / Ick wil u naar den aert van onse wetten trouwen, / En tot een vast gemerck, sie daar een eeuwich pant / Draegh dat tot mijnder eer aan uwe rechterhant.
De aangifte en de hierbij behorende ondertrouw waren dus van een betekenis die deze in de r.k. kerk nooit gehad hadden. Er bestond in de Hervormde kerk in sommige gewesten een apart ondertrouwformulier.
Na de invoering van de burgerlijke stand zou de ondertrouw deze betekenis, als was er dan reeds iets tot stand gekomen waar de huwenden zelf niet meer van terug konden, weer al meer gaan verliezen. Wat de r.k. kerk altijd beschouwd had als het eigenlijke moment van de huwelijkssluiting, wanneer nl. haar leden in tegenwoordigheid van de priester dat sloten, kwam nu naar Hervormde opvatting reeds bij de ondertrouw tot stand.
Alleen het huwelijk was dan nog niet voltooid, 't Was nog incompleet. Compleet werd het door de voltrekking oftewel bevestiging. Deze geschiedde als er geen beletselen naar voren werden gebracht en aan alle vereisten was voldaan. Daarna was het huwelijk compleet en traden alle juridische gevolgen in.
Aan die bevestiging werkten de trouwenden zelf ook mee door hun ja-woord thans openbaar in het midden der gemeente te herhalen. Echter niet op wat zij deden kwam het nu zo zeer aan, maar op de bevestiging door de predikant.
Zij moesten dan antwoorden op de vraag: 'Bekent gij dat gij genomen hebt (namelijk door de consensus mutuus bij de ondertrouw) en neemt (namelijk thans in het midden der gemeente) tot uw wettige echtgenoot n.n. hier tegenwoordig'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's