Anti-kritiek
In het nummer van 4 april l.l. nam de redactie van Trouw een artikfel op van ds. S. Gerssen over: Gereformeerde Bond en nieuwe psalmberijming. Hier gaat ds. Gerssen in op het rapport Psalmberijming 1968, waarin het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond zijn standpunt over de nieuwe berijming doorgaf.
Bij dit artikel plaats ik bij wijze van antikritiek enige opmerkingen en aantekeningen; ik kan het er niet mee eens zijn en vandaar dit antwoord.
Christelijke bewerking?
Onder één der kopjes (er zijn er vier: Te nuchter? 'Overschot', Misverstand, Liever gezangen?) Misverstand schrijft ds. Gerssen: 'Als in de traditie van Calvijn aan de psalmen van David een ereplaats in de kerkdiensten wordt gegeven, moeten wij er wel voor zorgen, dat het echte psalmen van David blijven en geen liederen worden, die eerst een christelijke bewerking hebben ondergaan'.
Ik begrijp niet best, wat de opstellers van het rapport van de G.B. hiermee te maken hebben. Het zou ook wel erg in strijd zijn met wat wij schreven over het zingen van onberijmde psalmen! Als ds. Gerssen een voorbeeld van christelijke bewerking van de psalmen van David wil vinden, dan kan hij die vinden in de nieuwe berijming, b.v. in Ps. 23, door hemzelf geciteerd, waar gesproken wordt over het nachtmaal der genade. Ik acht deze uitwerking, of hoe men deze bewerking van de tekst van de psalm in de nieuwe berijming noemen wil, onjuist! Aan de interkerkelijke commissie die de nieuwe berijming heeft voorbereid is destijds gerapporteerd: Bovendien is het niet helemaal (of helemaal niet) juist om hier aan het nieuwtestamentische avondmaal te denken. En ik meen te weten, dat men voor deze opmerking niet ongevoelig was al is alles bij het oude gebleven.
Dus wat ons betreft: geen christelijke bewerking. Dat hebben wij ook nooit gewild! Een christelijke bewerking van de psalmen zou trouwens bijzondere konsekwenties in zich hebben. Waarom zou men alleen de psalmen christelijk gaan bewerken en alleen bij een deel van het Oude Testament blijven staan? Neen, die weg willen wij niet. Deze opmerking behoeven wij ons niet aan te trekken.
Over het Hebreeuws
Met een licht schouderophalen nam ik kennis van wat ds. Gerssen schrijft in verband met wat in ons rapport staat over het zingen van onberijmde psalmen. Ik citeer nu ons rapport maar letterlijk: Het lijkt het H.B. nodig, nu zovele moeilijkheden in de kerk zich voordoen betreffende de berijming, dat de mogelijkheid onder ogen gezien wordt om in de eredienst onberijmde psalmen te zingen.
Ja maar, zegt ds. Gerssen, dan zou men in de Gereformeerde Bond moeten kiezen tussen oude en nieuwe vertaling en hij vervolgt dan: Zou 't dan niet het beste zijn de psalmen van David rechtstreeks in het Hebreeuws te gaan zingen?
Het artikel eindigt eigenlijk met deze opmerkingen.
Toen ik dit las heb ik me afgevraagd: Waarom schrijft ds. Gerssen dit? Is dit de klap op de vuurpijl? Maar ik zal deze opmerking wel serieus nemen, immers schreef ds. G. tevoren: het lijkt een grapje, maar het is volle ernst. Nu, ik moest denken aan de oude secte van de Hebreeën. De leden van deze antinomiaanse kring oefenden zich in het lezen van het Oude Testament in het Hebreeuws. Zo weinig vertrouwen hadden zij in de Statenvertaling, waarvoor zij maar weinig respect konden opbrengen. Jakob Verschoor, de stichter van deze groep, waarvoor de vaderen weinig goede woorden over hadden (Brakel sprak van een vuile secte) is geen voorbeeld voor ons, tenzij dan afschrikkend. Wij willen dus geen Hebreeuws, zelfs niet in dit punt. Wel beloven wij ds. G., dat de Ger. Bond aan zijn zijde zal staan, als hij misschien nog eens een ernstig pleidooi zal moeten houden voor de noodzaak van een goede kennis van het Hebreeuws voor iedere theoloog. Als wij de ontwikkeling die in deze tijd gaande is bezien, dan kon het wel eens nodig zijn, dat hij het opneemt voor de kennis van het bijbelse hebreeuws! Als ik aan dit chapitre bezig ben, dan vermeld ik maar het ene terrein, dat vlakbij is: Het Hebreeuws zal worden afgeschaft als leervak (facultatief) op het gymnasium.
Om toch nog terug te komen op de secte van Jakob Verschoor (hij overleed in 1700), soms heb ik wel eens de indruk, dat hij nazaten heeft, natuurlijk eigentijdse, wat wilt ge! Men spreekt niet meer van het Oude Testament, maar van Thenach, niet van Jezus Christus, maar van Jezus Messias, van sjalom, van dabar, dit laatste dan in zeer eenzijdige en ongenuanceerde zin, waarvan Barr de kriebels kreeg. Nog kort geleden vernam ik, dat er ergens op een kansel aan de gemeente verkondigd werd bij de uitleg van: De Heere is goed: Eigenlijk, gemeente, staat er tof!
Vervulling
Liever dan op deze en andere dingen, die mij althans een beetje stekelig aandoen in te gaan, wil ik naar de kern van dit artikel toe.
Ds. Gerssen gaat in op een bezwaar van onze kant tegen de nieuwe berijming, dat de nieuwtestamentische vervulling van bijbelse noties als heil, bevrijding, verzoening niet of niet voldoende wordt opengehouden. Hij drukt het zo uit: de nieuwtestamentische vervulling zou te weinig doorklinken. Niemand, zegt ds. G., zal er wel bezwaar tegen hebben om het Oude Testament als boek der verwachting te karakteriseren dat open is naar de toekomst en hij vervolgt dan: 'Het is wel de vraag, wat onder die toekomst wordt verstaan. Men spreekt hier onmiddellijk over nieuwtestamentisch licht en daarmede zal wel het heilswerk van Christus zijn bedoeld. Bijbelse noties als bevrijding, heil en de Naam Gods worden versmald, als men ze al te nadrukkelijk wil laten samenvallen met wat in Christus reeds is geschied'. Maar waar staat dit toch in het door ds. G. bestreden rapport?
Het gaat om vervulling. Daarvan spreekt Christus zelf in Matth. 5:17: Ik ben niet gekomen om de Wet of de profeten te ontbinden. Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar te vervullen. Dit woord heeft men dikwijls gebruikt als de ene sleutel om alle sloten van het Oude Testament te openen, zo in de zin van: het Oude Testament is de belofte en de verwachting; het Nieuwe Testament spreekt van de vervulling, in de zin van werkelijkheid geworden; als ik het eenvoudig — iets te eenvoudig — zeggen mag: in het Nieuwe Testament zou je zien, hoe de woorden van het Oude Testament zijn uitgekomen. Maar daarom gaat het in het Nieuwe Testament als vervulling niet. Als dat het laatste, allesbeheersende woord over de verhouding van Oud en Nieuw Testament was, dan was daarmee het Oude Testament opzij geschoven; het had dan zijn dienst gedaan. Het zou dan nog alleen gebruikt worden om te bewijzen, dat 'het' eeuwen te voren alles 'voorzegd' was. En de voorzegging in de zin van 'voorspelling' werd dan in het Nieuwe Testament beschreven en uitgebeeld. En met zulk een opvatting van vervulling wordt er ook een geheel scheef beeld getekend — hoe populair het ook is — van wat profetie is. Wij zijn geen geavanceerde christenen, die boven het Oude Testament zijn uitgegroeid en voor wie het Oude Testament een overwonnen standpunt is! Scherp zoeken wij vast te houden aan de eenheid der Schriften: wij hebben in de hele Bijbel het Woord van God, al wil dit niet zeggen, dat er gelijkheid is tussen de twee testamenten.
Meer Oude Testament!
In dagen van zware bestrijding van het oude Testament als boek van Gods openbaring schreef prof. De Groot een boekje met de titel: Weg met het Oude Testament? Dit werkje is een aangrijpende oproep. Het Oude Testament afschaffen?, vraagt hij. Integendeel: niet minder Oude Testament, maar méér Oude Testament. Ds. Gerssen noemt een en andermaal Calvijn. Ik doe het ook graag en zeker, als het gaat om de moeilijke vragen, hoe wij het Oude Testament moeten lezen en verstaan, dat wil dus ook zeggen, hoe wij het Oude Testament zullen zingen. Meer dan eens doet Calvijn een scherpe aanval op wie het Oude Testament verwerpen. Hij spreekt van 'vileins', die de mond durven openen om de schat die de Heere ons heeft gegeven te vernietigen en te minachten. Elders spreekt hij van 'canailles', die zeggen, dat het Oude Testament overbodig is geworden. Maar hiernaast ligt het andere: wij willen de Bijbel niet vaneen scheuren, alsof wij alleen uit het Oude Testament accepteren en van betekenis achten, wat in het Nieuwe Testament vervuld is! Als b.v. over de dag des Heeren bij de profeten gesproken wordt, dan omvat deze dag van des Heeren toekomst — de dag van Jezus Christus dus en niet anders — de eeuwen tot de wederkomst toe. Het is met de profetie als met een gang door het bergland. Het lijkt alsof één aaneengesloten bergketen ons straks de weg verspert: daar is het einde en verder kan ik dan niet. Maar nadat de reiziger een nauwe pas doorgegaan is, die onverwacht zich voor hem opent, ziet hij weer een andere keten, die zich kilometers en kilometers verder verheft. Zo lezen wij de eschatologische rede des Heeren in Matth. 24: in één adem wordt daar gesproken van de verwoesting van Jerusalem en van de wederkomst van Christus.
Ik begrijp er niets van, dat ds. Gerssen meent, dat wij het heil enz. zouden willen doen samenvallen met 'wat in Christus reeds is geschied'. Voor ons is de Christus dezelfde als in de dag, dat Hij zei: Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook. (Joh. 5:17). Ook vandaag is Hij de hoogste profeet en leraar; de enige Hogepriester, de eeuwige koning, die het heil waarvan het Oude Testament spreekt verwerkelijkt, uitdeelt, toepast door Zijn Geest. Er is — Gode zij dank! — nog een volk, dat elke dag bidt om de komst van Gods Koninkrijk, hetzelfde koninkrijk waarvan het Oude Testament spreekt. En dat is het koninkrijk ook van Jezus Christus! Het heil is in deze bedeling onuitputtelijk. Als wij ons bij het zoeken naar de inhoud van het woord heil beperken tot wat in Christus is geschied, dan zou dat op zijn best een halve waarheid zijn. En wij hopen daarvoor bewaard te blijven! Als ds. Gerssen schrijft over het misverstand als zou voor ons het heil het zelfde zijn als de rechtvaardiging van de zondaar, dat is dat misverstand niet aan onze kant, maar een ernstig misverstand van de zijde van onze kritikus. En als ds. G. dan voortgaat: ik ontken niet, dat het dat óók is, dan zit hij in hetzelfde schuitje als het rapport van de Ger. Bond over de nieuwe berijming, dat dit meerdere of om met ds. G. te spreken 'dit ook' niet of niet voldoende gehonoreerd wordt in de nieuwe berijming.
Het rapport zegt: de nieuwtestamentische vervulling van bijbelse noties als heil, bevrijding en verzoening wordt niet of niet voldoende opengehouden. Dat betekent dit: Wij zijn met het Oude Testament niet klaar, als wij zeggen, dat redding en heil betekent redding van de hand van de vijanden, in de eerste exodus van de Egyptenaren, in de tweede exodus van de Babyloniërs, van uiterlijke gevaren als ziekte; redding is méér dan bewaard worden van de dreiging van de dood. Alle lijnen van het Oude Testament lopen uit op Christus en de volheid van Zijn genade. Hij is de zin, de inhoud, het doel, het hoogtepunt van het Oude Testament, het is alles waar wat men zegt over de uitreddingen van de oudtestamentische tijd; de geschiedenis van het Israël van het Oude Verbond (ik bedoel dit niet in tegenstelling van het Israël van vandaag) is één geschiedenis van Goddelijke uitreddingen en het is niet zo maar, dat de Heere door Jeremia het volk verwijt: Ben ik niet goed voor u geweest? Maar het beste komt nog, kijk, dat is de openheid! En dat bedoelt het rapport te honoreren. Abraham heeft begeerd Christus' dag te zien en hij heeft die gezien (Joh. 8:56). Augustinus tekende de verhouding Oude en Nieuw Testament op deze wijze: Het Nieuwe Testament is in het Oude verborgen; het Oude Testament ligt in het Nieuwe open. Misschien was het deze zin, die — onbewust — mij op de formulering in het rapport bracht: een notie moet opengelaten worden naar de toekomst. Dat wil zeggen, dat vele jaren later zou blijken dat de inhoud van de profetie rijker was en veel verder ging, dan ook zelfs de profeet zelf heeft verstaan in de dag dat hij het Woord als Gods Woord predikte. Zo lezen wij het Oude Testament bij het licht van het Nieuwe Testament, dat wil niet alleen zeggen dat het gewaagt van wat in Christus reeds geschied is, maar van wat de Zaligmaker voor Zijn kerk gedaan heeft, doet en nog doen zal! 'De boodschap van het heil van het Nieuwe Testament heeft het gehele Oude Testament tot zijn voorgeschiedenis' (Westermann). Wat een perspectief zit in de bijbelse begrippen als heil en gerechtigheid e.a. Heil (in het heb. thesjuah) is zulk een geladen woord, open naar de toekomst, een toekomst, die ook verder grijpt dan wat er van in het Nieuwe Testament is verwerkelijkt. Leg naast deze gedachte eens wat de nieuwe berijming heeft in Ps. 146, waar het over het heil gaat. Daar zingt men: Reken niet op mensenwaarde, want bij mensen is geen baat (vs. 2). 'Geen baat', een volslagen kleurloze weergave van een woord, dat zo rijk heenwijst naar de nieuwtestamentische vervulling.
De begrippen van het Oude Testament wijzen boven zichzelt uit, hebben zoals prof. De Groot het uitdrukte een meerwaarde. Zij 'tendieren nach vorwarts' (Wolff). Als er een fundamentele eenheid is tussen Oud en Nieuw Testament, — en die is er — dan moet dit er ergens in het lezen en in het zingen kunnen uitkomen!
Nieuwtestamentisch licht
Ik geef een voorbeeld van Calvijns uitleg. Bij Gen. 15:6 tekent hij aan: Welk een rijke vruchtbare en verborgen leer deze plaats bevat, zou niemand van ons kunnen vermoeden, tenzij Paulus ons daarvoor de ogen had geopend (Rom. 4:3), maar het is wonderlijk en vreemd, dat terwijl de Heilige Geest zoveel licht heeft ontstoken zeer vele uitleggers als met gesloten ogen ronddolen als in de duisternis van de nacht. De Joden ga ik voorbij, omdat hun blindheid bekend is, maar dat wie Paulus tot een uitlegger hebben toch deze plaats zo hebben verdraaid, is een vreemd geval, (eine Ungeheuerlichkeit, vertaalt Goeters). Vergelijk de verklaring van Ps. 32:1. Indien Paulus dit getuigenis niet had gebruikt, zouden de lezers nooit tot de oorspronkelijke (echte, genuiene) zin van de profeet zijn doorgedrongen. Hier is voor mij het nieuwtestamentische licht over het Woord van het Oude Verbond.
Niet opengelaten
Als voorbeeld, dat de weg naar de toekomst niet opengelaten is werd in ons rapport genoemd de nieuwe berijming van Ps. 16. In het vierde couplet staat: Daarom verheug ik mij van harte zeer, want zelfs mijn vlees zal hier behouden worden. Maar wat zegt nu Hand. 2:30? Alzo David een profeet was, zo heeft hij dit voorziende (d.w.z. hij had een visie in wat er straks geschieden zou) gesproken van de opstanding van Christus. Het Nieuwe Testament geeft dus hier door het woord van Petrus onderricht over de zin van Ps. 16. De meerwaarde van de woorden van Ps. 16 wordt hier in Hand. 2 zeer duidelijk en klaar geformuleerd. In de nieuwe berijming staat: mijn vlees zal hier behouden worden. Hier, dat is diesseitig en daarmee is de kous af en het Nieuwe Testament zegt neen, het gaat over de opstanding.
Hier ligt voor ons een manco bij de nieuwe berijming. Het profetische element is er uit. Daarmee willen wij niet zeggen: Als u ps. 16 berijmt, dan moet u eigenlijk Hand. 2:30 berijmen. Daarop doelden wij boven. Maar men mag de vervulling niet buitensluiten. Wij willen preken uit het Oude Testament, maar niet oudtestamentisch (meer Oude Testament!), wij willen zingen uit het Oude Testament, maar niet oudtestamentisch. De oude christelijke kerk 'bewees' met het Oude Testament in de handen, dat Jezus de Christus is. (Hand. 9:22; 18:28). Zo willen wij ervan zingen. Dan doen wij het Oud Testament niet dicht, sluiten het niet af; trouwens dat doet men ook nauwelijks; men gaat dan als men naar het Nieuwe Testament afgesloten heeft op een andere lijn over, die van de rabbijnen. Wij zoeken ons te houden aan een gedachte door Brunner op deze wijze geformuleerd: Het Oude Testament — zonder het Nieuwe — als één organisch geheel — is een zin zonder slot en het Nieuwe Testament zonder het Oude als één organisch geheel — is een zin zonder begin.
Over een volgend artikel
Er is een tijd geweest, dat men theologisch met het Oude Testament eigenlijk had afgerekend; Von Harnack, later E. Hirsch, die een volkomen tegenstelling tussen Oud en Nieuw Testament construeerde, eigenlijk ook Bultmann. Het tij is gekeerd en daarover verheugt de christen zich, die bij het volle Woord zoekt te leven. Er kwam een keer ten goede. In deze tijd is er het gevaar, dat men naar de andere kant doorslaat: Het Oude Testament is alles. Maar dan doet men tekort aan het Nieuwe Testament. In het stuk van ds. Gerssen vond ik een stelling over de verhouding van Oud en Nieuw Testament, die ik op zijn minst gevaarlijk vind. Daarover hoop ik de volgende keer nog iets te zeggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's