De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Toenemende verontrusting

Voor mij ligt het laatst verschenen nummer van 'Waarheid en Eenheid', het orgaan van de verontruste Gereformeerden. Bij het doorlezen van de inhoud trof mij de bewogen wijze waarop allerlei ongereformeerde verschijnselen in het leven der Gereformeerde Kerken gesignaleerd werden. Achtereenvolgens komen ter sprake de visie van Kuitert en Lever, de wijze waarop met name Kuitert voort gaat op allerlei wijze zijn activistische-revolutionaire ideeën te spuien, de visie van Schippers op de evangeliën, het veldwinnend modernisme in het blad 'Risiko' van het Landelijk Centrum voor Geref. Jeugdwerk, een experimentele kerkdienst in Den Haag.

Er is bij de verschillende scribenten een toenemende verontrusting waar te nemen ten aanzien van de koers die allerlei figuren binnen deze kerken volgen. De toon waarin sommige bijdragen geschreven zijn zal door sommigen als fel worden betiteld. Toch meen ik dat W. en E. erin slaagt te ontkomen aan het gevaar van loze kreten, maar vanuit de Schrift en de belijdenis der reformatie het kerkelijk leven onder de loep neemt. Daarom is het te hopen dat hun critiek door de leiding der kerk serieus genomen zal worden. Ik ben er niet gerust op dat dit gebeurt. Maar al te veel zien we een tendens zich breed maken waarbij geluiden die niet 'in' zijn eenvoudigweg worden 'doodgezwegen'.

De 'progressieven' nemen niet eens meer de moeite de op hen uitgebrachte kritiek te weerleggen. Op de komende synodevergadering der Geref. kerken komen de bezwaarschriften tegen Kuitert ter sprake. Het is te hopen dat de kerkleiding geen voet zal geven aan de hierboven gesignaleerde tendens tot negatie. Want de feiten liegen er niet om.

Onder de titel 'De Kerk presenteert zich' schrijft ds. W.C. v. d. Brink (van Nieuw-Loosdrecht) over een televisiekerkdienst uitgezonden op 6 september n.m. vanuit de Opstandingskerk te Den Haag. Het ging om een experimentele kerkdienst, waarin een aantal jongeren actief zou meewerken, onder leiding van dr. A.J. Jelsma.

Nu is tegen een goede bijdrage van de jeugd in de eredienst geen bezwaar te maken. Mits deze bijdrage zich voegt in wat naar reformatorisch besef een kerkdienst moet zijn: Woordverkondiging. Terecht wijst de scribent in W. en E. erop dat een kerkdienst geen experimenteel karakter heeft te dragen, maar de ontmoeting mag zijn tussen God en Zijn volk, rondom het Woord. Wij citeren uit dit artikel:

Wat was er nu aan de hand in de Opstandingskerk? Uit Den Haag heb ik daarover een paar brieven gekregen, die ik — met het oog op de beschikbare plaatsruimte — niet in hun geheel kan opnemen, maar waaruit ik toch een paar citaten wil geven.

’Wat ons ontsteld en verbijsterd heeft, is kort gezegd: de praktisch volslagen afwezigheid van de duidelijke, centrale boodschap van het evangelie: Jezus Christus, de Redder van zondaren. In plaats daarvan aanschouwden wij een bont, haast onontwarbaar kaleidoscopisch beeld van veelal door het humanistisch levensgevoel geïnspireerde menselijke opinies omtrent wat voor die boodschap moet doorgaan.' ... 'De mens Jezus als inspirerend en navolgenswaardig voorbeeld voor het komen tot een ideale samenleving.'

Puur vrijzinnig! En dat in een uitzending, die er vooral op gericht moet zijn buitenkerkelijken te vertellen wie Jezus is en wat Zijn werk was. Het staat voor mij wel vast, dat velen in verontwaardiging, en ook bedroefd, hun toestel uitschakelden. Mijn briefschrijver merkt verder nog op:

’Van een predikant, die pretendeert aan de Schrift gebonden te zijn, mag verwacht worden, dat hij zo kan bijsturen, dat de boodschap van het evangelie voor zondaren duidelijk doorklinkt.'

’De vraag was: wie is Jezus voor jou? Hoe komt het toch, dat bepaalde antwoorden duidelijk verraden geïnspireerd te zijn door het modern-humanistisch levensgevoel? Van welke catechiseermeester hebben deze jongeren dat geleerd, dat een acceptabele Jezus 'intelligent', 'humaan' en vooral niet te 'goddelijk' moet zijn? Jezus, als Redder van zondaren, is niet één keer genoemd.'

En: 'Dr. Jelsma promoveerde deze uitlatingen tot fragmenten van waarheid.'

Uit een andere brief — van een onderwijsman — nog een paar dingen:

’de dienst begon met het vertonen van een serie kleutertekeningen van Jezus. Een jongedame zei: zoals deze kleuters tegen deze wanstaltige koppen (sic!) van Jezus aankijken, kijken ook veel mensen in verschillende kerken tegen Jezus aan. Toen kwamen er drie schaduwbeelden van jongelui, die Jezus voorstelden. De drie 'Jezussen' waren een verpersoonlijking van de moderne theologie, de orthodoxe theologie (op Schrift en belijdenis gegrond) en de rabbinistische.'

Wie van de drie? U kent het t.v.-spelletje wel.

’De eerste vraag luidde: heeft Jezus werkelijk het water in wijn veranderd op de bruiloft in Kana? 1 en 3 antwoordden natuurlijk ontkennend. No. 2 gaf de orthodoxe opvatting weer enz. enz. Voor de keus geplaatst: wie de ware Jezus was, koos niemand van de drie panelleden voor no. 2; 2 voor no. 1 en 1 voor no. 3.

Een vrijzinnig toversprookje van dr. Jelsma volgde. Jezus was een navolgenswaardig voorbeeld. Er werd niets gezegd over zonde, verlossing, bekering. Hierna: een zg. Avondmaalsviering, door de predikant getypeerd als het doorgeven van Jezus aan de ander.'

Meer citaten zou ik nog kunnen geven. Mij dunkt, het is zo al duidelijk genoeg. Wat niet duidelijk is, is dit:

1. Deze kerkdienst is gehouden door de Geref. Kerk te 's-Gravenhage-West, in één van haar kerkgebouwen, onder verantwoordelijkheid van de kerkeraad, in bijzijn van enkele van haar predikanten, onder leiding van één hunner. Wist de kerkeraad wat er zou komen?

2. Die éne, uitgerekend die, is aan de Hogeschool onzer kerken benoemd tot wetenschappelijk medewerker voor de vorming van onze a.s predikanten. Nu ja, ze hebben daar de communist Bakker ook al in de studentenwereld. Hoe is dit alles mogelijk?

3. Ik kan niemand de weg voorschrijven. Naar mijn vaste overtuiging is dr. Jelsma, om deze affaire en om een van de stellingen achter zijn proefschrift (een ongereformeerde verklaring van zond. 19 van de Cat.) schorsingswaardig. Klaarblijkelijk is de zaak met zond. 19 geen incidenteel geval!

4. Deze dr. Jelsma kan onmogelijk aan de Hogeschool in Kampen zijn werk gaan beginnen. Deze benoeming dient ongedaan te worden gemaakt. Dit alles mag men de gemeente van Christus niet aandoen, uit welke motieven ook!

Ds. J.C. Sikkel (de oude Sikkel) heeft op een van de Haagse kansels eens gezegd: 'wij staan verbaasd als de bliksem inslaat, maar wij moeten ons verbazen als de bliksem niet inslaat.' Inderdaad!

Hoe is het mogelijk dat de Gereformeerde kerken in Nederland er nog zijn? Hoe lang nog? Quis non fleret, wie zou niet wenen! Tranen schreien van berouw en bekering! Roepen uit deze diepten van het kerkelijk leven — en er zijn meer diepten — om de doorwerking van de H.G., een nieuwe heenwending naar Gods onfeilbaar Woord, een nieuwe trouw in de catechese, prediking, opleiding van predikanten, handhaving van kerkelijke tucht. Opdat niet het gehele volk verloren ga!

In een naschrift tekent de schrijver nog aan, dat als zijn inlichtingen juist zijn, de nabespreking totaal uit de hand gelopen is. Men kan natuurlijk als kritiek op dit artikel naar voren brengen dat de scribent in W. en E. afgegaan is op brieven van anderen en niet de tekst van het gesprokene voor zich heeft. Maar er is op zichzelf geen reden de waarheid van deze brieven in twijfel te trekken. Tenzij hun inhoud weerlegd wordt, moeten we dus aannemen dat in de Opstandingskerk dus plaatsgevonden heeft, wat hierboven is weergegeven.

Wij kunnen dan de droefheid en de verontwaardiging van ds. v. d. Brink volledig begrijpen. Is men dan zo blind, dat men niet wil zien, dat men op deze wijze stenen voor brood geeft en meewerkt aan de afbrokkeling van het kerkelijk leven? We bedoelen beslist niet stenen te werpen op de Gereformeerde kerken vanuit een bepaalde hervormde hoogte. In eigen kerkelijk leven is genoeg wat ons zorgen baart.

Maar nu allerwege de samenwerking (en beoogde eenheid) tussen Gereformeerde en Hervormde kerken bepleit wordt, kunnen we hier niet aan voorbij gaan. De malaise in het Hervormd kerkelijk leven zal bij een dergelijk samengaan alleen maar vergroot kunnen worden, wanneer de Gereformeerde kerken dergelijke puur moderne geluiden tolereren en bevorderen.

Het vraagstuk van de gehoorteleden

Zoals bekend is, is er binnen onze kerk een vaak felle en emotionele discussie gaande over de geboorteleden. Ten onzent heeft destijds ds. Boer er over geschreven naar aanleiding van een synodale brief. Het gaat bij deze geboorteleden om diegenen die niet gedoopt zijn, maar zoals de kerkordeformulering aanduidt 'uit hervormde ouders geboren zijn'.

Wat moeten we met deze groep aan, waaronder er velen zijn die alleen nog maar door een administratieve band met de kerk verbonden zijn, en er dikwijls totaal geen prijs op stellen tot de kerk gerekend te worden? Moeten we hen voor de keus stellen: afschrijven ja of nee? Naast de pastorale problemen die dit alles met zich meebrengt, is er ook het financiële aspect. Vooral in de grote steden waar het percentage geboorteleden groot is, wordt dit merkbaar.

In 'Kerk en Theologie' van juli jl. heeft dr. R.J. Mooi, secretaris der synode, een artikel over dit onderwerp geschreven, waarin hij voor artikel II van de kerkorde een 'uitnodigende' interpretatie bepleit. Dit artikel beoogt geen afgrenzing maar is nodigend bedoeld, aldus dr. Mooi. Vandaar dat z.i. geboorteleden terecht erbij horen. Toch is het de vraag of we er op deze wijze uitkomen.

In het Geref. Weekblad van 11 september wijst prof. dr. C. v. d. Woude erop, dat men niet zomaar de sprong mag maken van nodiging tot 'erbij horen'. Tussen het een en ander ligt de daad van het gehoor geven. De nodiging mag uitgaan tot alle mensen. Maar dat betekent nog niet dat alle mensen tot de gemeente behoren. Het is duidelijk dat op de achtergrond van dit alles een bepaalde verbondsopvatting staat. Wij citeren uit het artikel van prof. v. d. Woude:

Wanneer 'geboorteleden', die misschien elke relatie met kerk en christendom hebben verloren en niet meer weten wat de boodschap van de kerk inhoudt of hoe een kerkgebouw er van binnen uitziet, toch krachtens het genadeverbond tot de Hervormde Kerk worden gerekend, dan wijst dit op een zeer ruime, haast grenzeloze opvatting van het genadeverbond. In het artikel van dr. Mooi komt dit ook wel uit. Hij betoogt: 'Men dient het aldus te stellen: binnen het genadeverbond is men niet geïnteresseerd in de grenzen van dit verbond, maar men is in zijn aandacht gericht op de Schenker van het verbond, de genadige God. Op dezelfde wijze is de kerk naar de opvatting van art. II der kerkorde niet geïnteresseerd in haar grenzen, maar veeleer in haar centrum: de verkondiging van Gods Woord en de viering der sacramenten. Daarom kent de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk een vage buitenste cirkel van hen, die enerzijds het volste recht hebben om te zeggen, dat zij niets ooit met de kerk te maken hebben gehad (!), doch die anderzijds ook — en dit dank zij deze kerkordelijke bepaling — het volste recht hebben om zich tot die kerk te rekenen en aanspraak te maken op de zorg en liefde vanwege die kerk'.

Ik meen, dat dr. Mooi hier een onjuiste tegenstelling maakt tussen centrum en grenzen van verbond en kerk. Ik stem toe, dat er in verbond en kerk van een centrum en een periferie sprake kan zijn. Niet ieder lid van de kerk of deelgenoot in het verbond leeft even dicht bij het centrum. Er zijn er ook, die zich meer in de periferie dan rondom het centrum bewegen. Maar wij kunnen moeilijk zeggen, dat de grenzen ons niet interesseren. De kerk is de vergadering der gelovigen, volgens de Ned. Geloofsbelijdenis. Bij ieder lid der kerk en ieder deelgenoot in het verbond behoort een geloofsrelatie tot Christus te zijn. Al kunnen wij deze relatie niet steeds scherp onderscheiden en moeten we in ons oordeel over andere personen uiterst voorzichtig zijn — ook Berkouwer wijst daar op in zijn jongste studie over 'De Kerk' — toch zijn er grenzen aan kerk en verbond. Het verbond omvat niet alle mensen en de kerk is geen algemeen-menselijk instituut. De relatie met Christus beslist: 'Indien gij nu van Christus zijt, zo zijt gij Abrahams zaad en naar de belofte erfgenamen' (Gal. 3:29).

Indien er echter 'geboorteleden' zijn, die openlijk tonen en verklaren 'dat zij nooit iets met de kerk te maken hebben gehad', dan zal ik me nòg onthouden van een oordeel over hun persoon, maar dan kan de kerk, die zich presenteert als de 'vergadering van gelovigen' m.i. moeilijk positief verklaren 'dat zij tot de kerk behoren'. Indien zij dit wel zou doen 'krachtens het genadeverbond', komt zij dan niet in de buurt van een 'uitwendig verbond', dat de persoonlijke geloofsgemeenschap met Christus niet meer noodzakelijk acht voor het lidmaatschap der kerk?

Dr. L. van der Zanden heeft jaren geleden in een studie over 'De Verbondsgedachte' de juiste opmerking gemaakt: 'Dat er in elk kerkverband ondanks alle kerkelijke tucht, personen zijn, die in werkelijkheid niet tot het Genadeverbond behoren, niet in persoonlijke betrekking met God in Christus staan, is een niet te ontkennen feit, maar de vraag is deze, of zij van Christus' wege tot het sacrament gerechtigd zijn, of hun kerkelijk lidmaatschap rechtmatig is, of het principieel verdedigd kan worden, zoals de leer van het dubbele Verbond beproeft' ('De Verbondsgedachte', pag. 93, 1934).

Het is juist, dat wij niet precies van ieder kunnen zeggen of hij al of niet tot het genadeverbond behoort. Wij behoeven ook niet, als de discipelen te vragen: 'Here, zijn er weinigen, die zalig worden?' Maar het gaat bij de vraag over de 'geboorteleden' niet over ons persoonlijk oordeel over anderen, maar het gaat hierbij, zoals dr. Mooi terecht opmerkt, 'over de leer aangaande de kerk, de ecclesiologie'. Hoe denkt de kerk over karakter en grenzen van het genadeverbond? Ik ben met dr. Mooi van mening, dat de kerk daarbij mild en ruim moet oordelen. Maar het is me al te ruim (men kan ook zeggen: 'al te eng') wanneer de norm voor het toebehoren bij de kerk zou zijn 'of zij uit hervormde ouders zijn geboren'. Beter lijkt me de formulering, die H. Bavinck geeft: 'Zolang zij naar het oordeel der liefde in de weg des verbonds wandelen, zijn zij als bondgenoten te beschouwen en te behandelen' (G.D.² III, pag. 244). Maar — het 'wandelen in de weg des verbonds' betekent iets. Het is meer dan geboorte uit bepaalde ouders.

In het geding is de verhouding tussen verbond en kerk. Voor een theologische visie op deze zaak zullen we nooit mogen vergeten de waarheid van de zinsnede uit het doopsformulier, dat in alle verbonden twee partijen begrepen zijn en dat wij door de doop geroepen en vermaand worden tot een nieuwe gehoorzaamheid. De profeten van Israël spreken 'kritischer' over het behoren tot het verbondsvolk, dan een bepaalde volkskerkgedachte (vgl. b.v. Amos 3:2; 7:1vv, 8:7vv).

Daarnaast spelen de pastorale en administratieve facetten een rol in dit vraagstuk. De zaak komt in de toekomst weer ter synode van de Hervormde Kerk. Mogen aan degenen die zich hierover hebben uit te spreken de wijsheid gegeven worden een uitspraak te doen, die de mist rondom de geboorteleden wat doet opklaren. Er staat in elk opzicht veel op het spel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's