De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een dubbele boekhouding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een dubbele boekhouding

9 minuten leestijd

Zoals we in het begin van onze bespreking van artikel 2 onzer Nederlandse geloofsbelijdenis zagen, is er op dit artikel door de loop van de jaren felle critiek geleverd. Nadat we eerst rustig hebben geprobeerd te lezen en te verstaan, wat dit artikel in feite zeggen wil en nadat we het vervolgens getoetst hebben aan de Heilige Schrift, willen we ons nu nog een ogenblik bezighouden met deze critiek en met een mijns inziens verkeerde interpretatie in onze dagen, nu de theologische inzichten in zo velerlei opzicht zich wijzigen.

Barth en de Duitse christenen

Het is Karl Barth geweest, die in het verband van artikel 2 van de Confessio Belgica gesproken heeft over een dubbele boekhouding. Een term, die van vindingrijkheid getuigt en waarin is uitgesproken, dat de kerk er twee boeken op nahoudt, waaruit zij de grote daden Gods afleest: het boek van de natuur en dat van de Schriftuur. In deze uitdrukking ligt echter meteen ook de critiek opgesloten. Een dubbele boekhouding is een bedrieglijke zaak. Daar loopt men vroeg of laat mee vast. Nu, zo staat het er ook voor met wat in artikel 2 beleden wordt, volgens Barth. Hij spreekt in dit verband ook van een tweebronnen-theorie: men zou God kunnen kennen uit de bron van de natuur en uit die van de heilige Schrift. Maar, zegt hij, niemand kan twee heren dienen. Eeuwenlang heeft de Kerk naast Christus en de heilige Schrift Gods openbaring óók gezocht in de rede, in geweten, in gevoel, in de geschiedenis, in de natuur, in de cultuur. En dat leidde automatisch tot een natuurlijke theologie, die weldra over de Schrift ging heersen. Dan is het: de Schrift en nog iets. Maar dat iets gaat binnen de kortst mogelijke tijd de toon aangeven. Kijk het na bij de Rooms-katholieke kerk, waar men een nevenstelling kent als die van Schrift en traditie, en waar de traditie veelszins over de Schrift is gaan meesteren. De Kerk zal genoegen moeten nemen met de énige openbaring in het Woord Gods, met de openbaring in Jezus Christus. Doet ze dat niet, dan zet ze, zoals in artikel 2 van de Nederlandse geloofsbelijdenis, de deur wagenwijd open voor de natuurlijke theologie. Karl Barth heeft niet behoeven te zoeken naar een voorbeeld van dat laatste (de natuurlijke theologie).

In zijn dagen was er immers de beweging van de Duitse christenen, die het christendom germaniseerden. Dat wil zeggen, dat men op de manier van de oude vrijzinnigheid helemaal opkwam uit de bloemetjes van de weiden, uit het onweer in de hoge bergen, uit de orkaan op de wijde wateren. De Duitse jeugd moest teruggeleid worden tot de natuur en haar mysteriën, waarin overal de 'survival of the fittest' (het overblijven van de sterkste) werd gepredikt. Welaan dan, het germaanse ras had deze prediking verstaan. En dat ras had dan ook naar de goddelijke wetten der natuur, met haar Führer aan het hoofd, rechtens de leiding onder alle volken. Het was immers bepaald niet zo dat God slechts sprak door de Bijbel van eertijds. In feite het boek van Joden. Het Duitse uur van ontwaking was gekomen — Gods uur. Volg de door God bestelde Führer. (Aldus de beschrijving van deze beweging door A.D.R. Polman in zijn behandeling van de N.G.B.).

Heeft Karl Barth daar terecht tegen geprotesteerd? Wie zal het willen ontkennen? Wij hebben aan den lijve ondervonden, wat het is, als één man (met achter hem een volk) in hoogmoedige verblinding God germaniseren en het Evangelie denken te kunnen vertolken in de taal en het program van de S.D.A.P. Wij hebben hun Jodenhaat gezien. We hebben met afschuw gehoord, hoe het 'levensonwaardige leven' werd vertrapt. Gelukkig, er waren er, die daartegen moedig hebben getuigd!

Wij zijn dus gewaarschuwd. Wij zijn uitdrukkelijk gewezen op de dodelijke gevaren, die dreigen, wanneer de mens met zijn bedorven verstand, tastend en zoekend aanvankelijk, maar weldra zinneloos hoogmoedig, op zoek gaat naar God. Wij moeten goed bedenken, dat wij deze mens niet meer 'halverwege' met de Schrift ontmoeten kunnen, of de mens gaat eraan, of de Schrift. Is het eerste het geval, dan betekent dat, dat er niets van zijn gedachten en gevoelens omtrent God overeind blijft. Maar wanneer wij de Schrift 'halverwege' inzetten in de speurtocht van de mensheid naar God, dan wordt dit 'hulpmiddel' van de Schrift spoedig een wandelstok, die die mens weggooit. Gods Woord wordt op dood spoor gerangeerd. En dat vanwege de eigenmachtige identificatie, waarin de mens meent God en het Goddelijke te kunnen grijpen en vangen in een sociaal stelsel, een filosofie.

Schrijf ik dat allemaal, omdat ik achter Barth ga staan in zijn critiek op artikel 2 van onze geloofsbelijdenis? Nee. Wij moeten met het badwater niet het kind weggooien. Wij zijn met Barth beducht voor een natuurlijke theologie op de manier van de Duitse christenen. Maar dat weerhoudt ons niet met heel de Schrift mee te belijden, dat God Zich openbaart ook in de natuur en de geschiedenis en dat de Scheppingsopenbaring in de weg van de Schrift en van het geloof dermate doorkomt, dat het zicht vrijkomt op onze taak in de wereld. Een boer, een chemicus, een psycholoog, een politicus, wanneer zij althans op een gelovige wijze met de Schrift 'uitgerust' zijn, krijgen de schepping terug als een theatrum Deï — een schouwspel Gods. En zij kunnen weten, wat hun te doen staat, hoe vaak ze ook in de problemen zitten, hoe aangevochten zij ook worden door de macht van de boze. God gaat met Zijn schepping naar een heerlijk doel. En Hij trekt Zijn gelovigen daarin mee. Ook wat dit betreft blijft het de taal van de bruid: 'Wij zullen u nalopen'.

Nieuwe perspectieven?

Er is veel meer op te diepen uit de zee van critiek, die artikel 2 van onze N.G.B. dreigt te overspoelen. Dat wil ik niet doen. Ik wijs alleen nog op een lijn in de moderne (modernistische) theologieën van ons zogenaamde post-Barthiaanse tijdperk, waarin men volslagen in het andere uiterste terecht is gekomen. Een oud uiterste trouwens, waarin men het grijze paard van de oude vrijzinnigheid weer van stal heeft gehaald. Slechts enkele dingen over deze nieuwe gedachtenlijn. Er wordt druk gesproken over de kosmische betekenis van Christus. In hoeverre is Hij, Christus, ook het Licht der wereld buiten de bijzondere Woord-openbaring om? Het is duidelijk, dat hier vooral op het terrein van de ontmoeting tussen de godsdiensten belangrijke beslissingen vallen. De grote oecumenische conferenties houden zich voortdurend met deze vragen bezig. Er zijn mensen, die niet bewust Christus hebben aangenomen en toch enigermate werkelijk antwoorden op het werk van God aan hen. Er wordt druk gesproken over een latente kerk, een buitenkerkelijk christendom. Kuitert bv. schreef onlangs: 'Naast het officiële volk van God rijzen groepen op, die niet minder de kenmerken van het Godsvolk vertonen'. Dat lijkt verraderlijk veel op een loflied over de natuurlijke theologie. De openbaring van God in de structuren, in sociale revoluties beter gezegd, is in de theologische overwegingen van Kuitert het grote richtpunt. En als hij reeds sedert geruime tijd bezig is met wat altijd in gereformeerde kring schriftcritiek genoemd is, door de ganse Schrift in de prediking en in het handelen van de christenmens slechts te laten functioneren als een leeren levensmodel, dan heeft hij zich hiermee de handen vrijgemaakt voor een interpretatie van de openbaring Gods in de geschiedenis, die verdacht veel weg heeft van wat het humanisme en het communisme ons al heel lang hebben voorgehouden. Het heil wordt daarin door Kuitert zo 'aards' aangeprezen, dat wij ons uiteindelijk de vraag veroorloven, of God hier niet volkomen opgaat in Zijn schepping (in 't sociale en politiek bv.), zodat we inderdaad zouden kunnen spreken van pantheïsme. Houdt de prediking van het Evangelie op deze manier nog wel iets meer in dan bevrijding uit slavernij, honger en rassendicriminatie? Gaat het koninkrijk Gods op in een 'rechtvaardige' samenleving? Het is wel duidelijk, dat de loochening van een historische zondeval (vrucht van een zogenaamde nieuwere 'exegese' van Gen. 1—3) en de leer van de vrije wil met elkaar samenhangen. En dat dan weer op zijn beurt samenhangt met een vrijzinnig optimisme ten aanzien van het menselijke handelen, ook buiten Schrift en geloof om, dat is ook duidelijk. De wereld schrijft de agenda van de kerk voor. De Bijbel is Gods P.S. (naschrift) onderaan de brief, die Hij aan de wereld schreef. Deze en allerlei andere soortgelijke uitspraken komen we herhaaldelijk tegen in de nieuwere opvattingen. We noemden Kuitert als een exponent daarvan. (Zie verder de artikelen in ons blad over zijn boek 'Anders gezegd'.)

Maar we zijn gewaarschuwd. Er zijn Duitse christenen geweest, die zich in de duiding der geschiedenis afschuwelijk vergaloppeerd hebben. Dat blijft een teken aan de wand. Het blijft ook een veel te hoog spel om God te willen terugvinden in Zijn schepping buiten de Schrift en het christelijk geloof om, laat staan, dat wij Hem zouden willen vinden in door het ongeloof op touw gezette sociale en culturele revoluties. De duiding van de geschiedenis is een zaak van de volle Raad Gods, waarin slechts de heilige Geest inzicht heeft. En wat de heilige Geest er ons van doet verstaan, dat doet Hij ons verstaan in de weg van het Woord. Wat dat betreft moesten wij maar voortdurend bidden om de leiding van die Geest, opdat we ten aanzien van het wereldgebeuren in elk geval meer licht kregen over het laatste Bijbelboek, dat van de Openbaring van Johannes. Daarom is het van het hoogste belang, ook ten aanzien van ons inzicht in de Algemene Openbaring Gods, dat wij het rechte inzicht hebben in het boek van Gods Bijzondere Openbaring, de heilige Schrift. Wij moeten het eeuwige Woord van God niet kleineren, niet zo in de tijd binnenhalen, dat het 'slechts' een voorbeeld van het Goddelijk spreken is. Wij moeten en mogen om Godswil en om der wille van ons eeuwig heil niet knoeien met de Schrift. Daarom kunnen we geen 'hoera' roepen over artikel 2 van onze N.G.B. zonder ons tegelijk gelovig te voegen onder de belijdenis van de artikelen 3 tot 7 over de Schrift.

Maar daarover zullen we in de volgende inleidingen over de N.G.B. met elkaar verder nadenken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Een dubbele boekhouding

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's