De huwelijksbevestiging (V)
Heeft kerkelijke bevestiging nog zin?
Onbekend met die ondertrouw zal menigeen de woorden genomen hebt en neemt in ons aloude formulier wel eens vreemd gevonden hebben.
Misschien heeft men dan gedacht dat 'genomen hebt' slaat op wat tegenwoordig, aan de kerkelijke plechtigheid voorafgaande, ten gemeentehuize geschiedt.
Na de invoering van de burgerlijke stand wordt daar het huwelijk voltrokken, en doet de overheid wat op haar terrein ligt, zoals het Protestantisme dat altijd al gewild heeft.
En daarom doet volgens protestantse opvatting die overheid goed met te eisen dat geen godsdienstige huwelijksplechtigheden zullen plaatsvinden, of het huwelijk moet eerst ten gemeentehuize voltrokken zijn. Zulks ook wel om allerlei maatschappelijke verwarring door de aanmatiging van een of andere kerk uit te sluiten, maar vooral omdat zij als Gods dienaresse doet wat geheel op haar terrein ligt.
En waar blijven wij nu met het woordje 'neemt' en met heel de kerkelijke huwelijksbevestiging? Is hier niet sprake van een ceremonie, die haar zin verloren heeft? Vroeger maakte de kerkelijke bevestiging, zijnde iets wat de overheid had moeten doen, de huwelijken pas 'compleet'. Kunnen we thans niet spreken van iets 'overcompleets'? Zo ziet J. Meester het in: de Idee van de kerkelijke huwelijksplechtigheid, (1957, blz. 128) en wil daarom liever alleen maar spreken van inzegening, of nog liever van voorbede. Als consequentie wil hij wijziging van het formulier (blz. 134/135).
Toch achten wij bevestiging en inzegening geenszins uit de tijd. Veel minder nog dan vroeger vallen kerkelijk en maatschappelijk leven samen. Het is zeer wel mogelijk dat de overheid geen bezwaar tegen een huwelijk heeft terwijl een kerkelijke gemeente dat huwelijk onmogelijk als een christelijk huwelijk en dat te stichten gezin als een christelijk gezin kan beschouwen. Hierop wijst ook het Herderlijk Schrijven van de Ned. Herv. Synode op blz. 130.
Hier zien wij dat, wil een huwelijk ingezegend kunnen worden, toch een erkenning oftewel een bevestiging vooraf niet kan uitblijven. Daarom hebben ook de kerkelijke afkondigingen nog wel terdege zin in de christelijke gemeente.
Th.I. Haitjema legt ons in zijn Ned. Herv. Kerkrecht (1951, blz. 261) bij de bespreking van Ordinantie 12, art. 2, lid 3 en artikel 3, lid 1, dat nauwkeurig uit.
Er moet verschil gemaakt worden tussen de afkondiging van de aanvrage van bevestiging van een huwelijk en de aankondiging van de daturn hiervan.
De eerste moet drie weken tevoren geschieden zodat bezwaren en beletselen naar voren kunnen worden gebracht en onderzocht.
Dat de kerk een burgerlijk huwelijk mogelijk wel als geldig, maar niet als christelijk kan erkennen, is bij de toenemende ontkerstening steeds meer te verwachten. Wat b.v. als twee personen van 't zelfde geslacht ten gemeentehuize een 'huwelijk' kunnen sluiten? Tot dusver gold, dat als zo'n huwelijk door bedrog toch tot stand had kunnen komen, het huwelijk direct nietig verklaard werd als het bedrog uitkwam.
Dit is het enige geval in de Nederlandse wetgeving, waar voor die nietigheidverklaring eerst een rechterlijke uitspraak is vereist. Bevestiging en erkenning van een huwelijk in de kerk als een christelijk huwelijk is zeker in de tegenwoordige tijd geen zinloze en overbodige zaak geworden.
Van Ruler spreekt in dit verband, hoezeer hij ook de burgerlijke huwelijksvoltrekking zo lang en indien ook maar enigszins mogelijk ten volle wil honoreren, van het opdringen van de Antichrist en van de apostolische opdracht der kerk in dezen om ergens sectarisch te zijn als het moet. (Pro Reguo pro Sanctuario, blz. 435 en 440). Ook Kuyper doet dat in de Gemeene Gratie (III; blz. 366).
Volgens Van Ruler en Meester werken de huwenden door hun jawoord niet slechts mee aan de bevestiging maar zijn zij het die zo zelf hun huwelijk bevestigen. (Volgens Meester is er dan eigenlijk alleen van bevestigen ten gemeentehuize sprake, zo zagen wij).
Ons huwelijksformulier weerspreekt dat door te vragen: begeert gij dat uw huwelijk bevestigd wordt? De bevestiging geschiedt dus pas na hun jawoord op deze vraag, namelijk door de predikant. Ook is bij genoemde opvatting van Van Ruler een bezwaar dat aan de ambtsdrager der kerk weer een louter passieve rol wordt toebedeeld zoals Trente ook wil. Hij spreekt van de daad der huwenden ten overstaan van de dienaar des Woords. In dit verband spreekt hij zich uit tegen het handen ineen leggen door de predikant, de copulatie, zoals dat b.v. nog in het formulier van de Paltz, een voorloper van het onze voorkwam (Meester blz. 12). Ook tegen de gang van zaken in de orden van dienst van het ontwerp dienstboek der Ned. Herv. Kerk hebben we bezwaren. Wat oudtijds de bevestigingswoorden waren is daarin meer of minder gewijzigd overgenomen en nu worden ze als de inzegeningswoorden opgevat. Terwijl de eigenlijke inzegeningswoorden, die de allerlaatste zijn van het formulier, nl. Onze lieve Heere God vervulle u ... enz., in al deze orden van dienst voorkomen als de woorden van de slotzegen van de dienst. Bovendien is het ook raadselachtig, waarom de diensten bij een huwelijk met een andere zegen besloten moeten worden dan gewoonlijk bij de dienst des Woords gebeurt. Ook wordt het aansluiten van het geknield liggen tijdens het gebed en de inzegening zelf bij dit alles doorbroken.
Overigens is er wel iets aantrekkelijks bij Van Ruler, namelijk als hij stelt dat het centrale van de kerkelijke huwelijksbevestiging is: het samen komen onder het Woord. Daarin wordt bevestigd, d.i. onderstreept, zegt hij wat ten gemeentehuize geschied is en wordt ons met het formulier voorgehouden dat de Heere niet alleen het huwelijk in het algemeen maar juist dit huwelijk ook gewild en gesticht heeft. Ook moet de kerk, waar in de meest ideale situaties ook een christelijke overheid in deze gebroken wereld toch nooit helemaal het Woord recht zal doen wedervaren, dit gebrek aanvullen.
Die bevestiging geschiedde in de tijd van de republiek in het midden der gemeente. Niet zo maar op een onwaarschijnlijk uur in een haast lege kerk. Dat zou een terugkeer tot de r.k. praktijk zijn. Men kon werkelijk spreken van voor God en voor de gemeente, 's Zondags of in de toen nog vaste weekdiensten, wanneer men verwachten kon dat de gemeente normaal in de kerk bijeen was, op de predikdagen moest de bevestiging plaats vinden zegt Voetius (zie Van Apeldoorn in boven aangehaalde werk blz. 95, noot 3). Ook bij niet Hervormden was dit zo (vgl. Le Poole: Kerkelijk leven onder de Doopsgezinden, blz. 156).
In het midden der gemeente
In het midden der gemeente, zo behoort het nog. Zo goed als het groot is dat de kleine kinderen, de dopelingen, als kinderen niet slechts van een bepaald gezin, doch als kinderen van de gemeente, het huisgezin des Heeren, de kerk in worden gedragen, zo goed behoort ook de plechtigheid der huwelijksbevestiging in het midden der gemeente te geschieden. Ook de stichting van een nieuw gezin raakt het geheel der gemeente, zo goed als de ontbinding van een gezin bij de dood de hele gemeente raakt, hetgeen bij het rouw in de kerk brengen tot uiting komt. De rouwdragenden begeren ook juist in een gewone dienst in 't midden der gemeente te zijn.
Kan volgens de r.k. leer met haar achteruitzetting der leken de gemeente ontbreken en kan ten gemeentehuize één ambtenaar van de burgerlijke stand voldoende zijn om overheid en samenleving te vertegenwoordigen, het Protestantisme leert dat de kerk geen samenleving min of meer los van elkaar is, maar één gezin, dat wéét, wij zijn elkanders leden.
Het protestantisme kent geen leken, maar in de mondige gemeente hebben allen een priesterlijke bewogenheid en verantwoordelijkheid voor elkaar.
En dat de inzegening ook werkelijk in het midden der gemeente dient plaats te hebben spreekt nog meer vanzelf dan de bevestiging. Het formulier wijst aan hoe de gemeente gezamenlijk vooraf om die zegen bidt, zoals ook de weken vooraf de gemeente tot voorbede wordt opgeroepen door de afkondiging.
In het midden der gemeente. Voor God en de gemeente. Dat betekent dat bevestiging en inzegening ook in haar normale samenkomsten plaats moeten vinden. Is het daarom zo vreemd gelijk wij eenmaal in een stad meemaakten, dat bevestiging en inzegening in de zondagse dienst des Woords geschiedden? De zaterdag vooraf was dit huwelijk ten gemeentehuize voltrokken.
Tijdens het schrijven van deze overwegingen vernamen wij van verschillende leden onzer tegenwoordige gemeente Elspeet dat ook hun huwelijk nog op zondag in de kerk was bevestigd. De voltrekking ten gemeentehuize vond dan veelal vrijdags tevoren plaats. De trouwboeken wijzen uit dat dat nog tot 1946 heel gewoon was. In Staphorst geschiedt het nog zo.
In de Homiletiek van T. Hoekstra (jaar van uitgave onbekend; rond de twintiger jaren dezer eeuw), wordt ons op blz. 276 en 277 voorgehouden dat een huwelijksbevestiging in een aparte weekdienst geen regel maar uitzondering is.
Het boekje van de burgerlijke stand laat in alle uitvoeringen ook de mogelijkheid open dat de kerkelijke plechtigheden op een andere datum dan de voltrekking ten gemeentehuize plaats vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's