Politieke beschouwingen van Karl Barth
II
Volgens Karl Barth was de burgerlijke gemeente blind en onwetend. Met de christelijke gemeente staat dat natuurlijk anders. Op het terrein van de burgerlijke gemeente is de christelijke gemeente met de wereld solidair. De christelijke gemeente bidt voor de burgerlijke gemeente. Zij doet dat juist daarom, omdat de burgerlijke gemeente als zodanig niet pleegt te bidden. De christen stelt zich naast de niet-christen mede verantwoordelijk voor de zaak der burgerlijke gemeente. De christelijke gemeente geeft echter niet een bepaalde theorie als de christelijke leer van de rechte staat. De christelijke gemeente, metend met de maatstaf van haar kennis des Heren, die de Heere over alles is, maakt onderscheid tussen de rechtvaardige en de onrechtvaardige staat, tussen orde en willekeur, tussen gezag en tirannie, tussen vrijheid en anarchie, tussen gemeenschap en collectiviteit, tussen persoonlijkheidsrecht en individualisme, tussen de staat van Rom. 13 en de staat van Openbaring 13. Van geval tot geval zal zij dit beoordelen.
In deze beschouwingen van Barth ligt toch een en ander, dat mij niet bevredigt. Het is niet duidelijk, waarom deze beoordeling van geval tot geval moet plaats vinden. Geeft de Heilige Schrift niet zekere algemene regels aan? Zou men op dit terrein niet iets in het algemeen kunnen zeggen? En anderzijds: wat voor zin heeft het onderscheid te maken in concreto of de staat, waarin wij ons bevinden rechtvaardig of onrechtvaardig is? Of het die van Rom. 13 of Openb. 13 is? Meent men werkelijk, dat er tussen Rom. 13 en Openbaring 13 een principieel onderscheid is gelegen? Ik meen van niet.
Brunner wijst er op, dat de apostel Paulus, die ons leerde, dat alle overheden van God zijn, de concrete romeins-heidense staat en de romeinse keizer Nero voor ogen had. Hij wist, dat de romeinse staat als een imperialistische soldatenstaat was ontstaan; hij wist, dat Nero geen koning David was.
Deze staat van Rom. 13 heeft de christenen vervolgd; ik kan dan ook met die van Openb. 13 niet anders dan een gradueel verschil zien.
Calvijn heeft dan ook dit onderscheid niet gemaakt, maar een algemene schriftuurlijke regel gegeven voor de moeilijkheden, die hier liggen. Calvijn bespreekt in de Institutie de gevallen, waarin de overheid niet behoeft gehoorzaamd te worden. Indien deze iets beveelt, dat ingaat tegen Gods gebod of de Heilige Schrift, dan mag hieraan geen gevolg worden gegeven. Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen. Ook art. 36 onzer geloofsgelijdenis geeft dezelfde regel.
Barth meent, dat de christelijke gemeente geen program heeft voor haar beslissingen maar dat daarin toch wel een zekere richting, een zekere lijn is. Welke deze lijn is zullen we nader zien. Geeft de staat aan de kerk zekere voorrechten als daar zijn: deelname aan school en radio, bescherming van de zondag, financiële tegemoetkomingen, dan mag zij daarvoor dankbaar zijn. Zij mag hiervoor echter niet gaan strijden en daarop aanspraak maken. Hier geldt: Wederstaat de Boze niet!
Aldus Barth. Het valt mij op, dat er bij Barth zekere doperse tendenzen zijn te bespeuren. Ook hier meen ik dit te mogen opmerken. Onze vaderen zouden dus een eeuw geleden niet hebben mogen strijden voor de christelijke school! Zij zouden dus maar met hun armen over elkaar moeten gaan zitten om af te wachten of er verbetering zou komen! Dit is een quiëtisme, dat zeker met de Schrift in strijd is. Groen van Prinsterer en de zijnen hebben de Schrift beter verstaan dan Barth en zijn zeker ook beter in de reformatorische lijn gebleven.
Zou men niet mogen vragen en er voor strijden, dat de zondagsrust bevorderd wordt door de overheid? Dan hebben onze gereformeerde vaderen, die honderden malen door middel der kerkelijke vergaderingen bij de overheid op het tegengaan van de ontheiliging van de zondag op het publieke terrein aandrongen, het volgens Barth ook al verkeerd gedaan! Doch niet alleen hier is Barth in strijd met de reformatorische lijn.
Barth zegt: De gerechtigheid van de staat in christelijk opzicht is zijn bestaan als een afbeelding, een overeenkomst, een analogon (overeenkomst) van het in de kerk geloofde en door de kerk verkondigde Rijk Gods. Deze stelling, die Barth verder ten grondslag legde aan zijn uiteenzettingen, wordt in feite zonder bewijs geponeerd. Dit analogon vindt geen grond in de Heilige Schrift, trouwens Barth geeft zich niet de moeite en wil dat vermoedelijk ook niet, hiervoor een Schriftbewijs te leveren. Dat de stelling niet juist kan zijn blijkt zowel uit de conclusies, die Barth trekt als uit de stelling zelf. Zegt Paulus dit soms in de brief aan de Romeinen? Ik lees er niets van. Daar wordt er over gesproken, dat de overheid een instelling Gods is, die daarom moet worden gehoorzaamd. Zij draagt het zwaard niet tevergeefs, want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.
Welke gerechtigheid de staat heeft voor te staan? Wel, dat leert de Heilige Schrift duidelijk genoeg: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, enz.
Doch laat ons nu bezien, welke voorbeelden Barth van de toepassing dezer grondstelling geeft.
Christus is mens geworden, daarom moet de christelijke gemeente in de eerste plaats op de bres staan voor de mens en niet voor het kapitaal of de eer der natie of de vooruitgang.
De christelijke gemeente is getuige van de goddelijke rechtvaardiging in Christus. Daarom moet zij altijd staan voor het recht en dit tot gelding brengen. Zij is getuige van de Zoon des mensen, die gekomen is om het verlorene te zoeken en te redden. Daarom moet zij op politiek terrein het zwakke en de armen beschermen en een keus doen uit de socialistische mogelijkheden.
De christelijke gemeente bestaat uit hen, die door Gods genade in vrijheid geroepen zijn Gods kinderen te zijn. Daarom moeten zij ook in de politiek het grondrecht der vrijheid toestaan en veilig stellen.
Uit deze voorbeelden blijkt hoe Barth zijn analogonredenering gebruikt. Op zichzelf genomen staan er natuurlijk verschillende wensen bij, waar ieder het mee eens kan zijn. Alleen, het fundament in de argumentatie deugt niet. Ik kan dit aan het laatste voorbeeld duidelijk maken door Calvijn hier tegenover te stellen in zijn redenering tegen de wederdopers. Deze wederdopers pasten nl. op hun manier ook al een analogonredenering toe, doch hierover een volgend maal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's