Uit de pers
Na Vaticanum II
Wij leven snel. Dat wordt ook merkbaar aan de kerkelijke pers. Wat een jaar geleden in het brandpunt van de belangstelling stond, wordt nu soms ternauwernood genoemd.
Nu gaat dat laatste ten aanzien van het tweede Vaticaans concilie niet geheel op. In allerlei beschouwingen over de roomskatholieke kerk en theologie spelen de besluiten van Vaticanum II mee, maar een feit is toch dat er over dit concilie zelf zeer weinig geschreven wordt, omdat andere zaken thans weer de aandacht vragen. In het blad 'Opbouw', een uitgave van de gereformeerde persvereniging 'Opbouw' geeft ds. J. Meester van Amsterdam een critische beschouwing van het tweede concilie boek van prof. dr. G.C. Berkouwer.
Het is ons hier niet te doen om de bespreking als zodanig, maar we willen hier een belangwekkende passage overnemen over de aard van het concilie en de diepste intenties van paus Johannes XXIII in dit opzicht. Ds. Meester schrijft in dit verband:
Ongetwijfeld lag in het feit dat het concilie werd gehouden een geweldig appèl tot eenheid. Van het begin van zijn pontificaat af gaf Johannes bij herhaling bewogen uitdrukking van zijn hoop op eenheid. Zijn besluit om een secretariaat voor Kerkelijke Eenheid in te stellen was eenvoudig een deel van deze visie.
Toch zouden we mistasten als wij dit concilie zouden zien als een herenigingsconcilie. Dit is duidelijk uit het feit dat Johannes in zijn eerste rondschrijven over het concilie opmerkte dat het concilie in de eerste plaats zich moest gaan bezighouden met de interne vraagstukken van de r.k. kerk. Cardinaal Bea zeide met nadruk dat de paus met 'oecumenisch' bedoelde een concilie van al de bisschoppen van de bewoonde aarde die verbonden waren aan de stoel van de heilige Petrus! Mogelijk, dat zoals Berkouwer schrijft, in de gedachten van Johannes er een zeer nauwe verbinding bestond tussen het interne leven van de kerk en de toekomst van de kerken. Hij heeft deze verbinding onder woorden gebracht toen hij in dat rondschrijven verklaarde over het concilie: 'Het zal een heerlijke tentoonstelling zijn van waarheid, eenheid en liefde. En wij moeten vertrouwen, dat zij die van de apostolische stoel gescheiden zijn door deze tentoonstelling er toe zullen worden gebracht zichzelf bewogen te voelen om de eenheid te zoeken en te realiseren welke Jezus Christus zo hartstochtelijk van zijn hemelse Vader heeft begeerd.'
Hij was van mening dat deze eenheid uitsluitend te vinden was in de r.k. kerk, 'verbonden met de stoel van de heilige Petrus'.
We zijn geneigd te denken dat Johannes een oprecht en goedbedoelend r.k. geestelijke was. Vol goedbedoelde verwachting. Vol geloof in het catholieke stelsel waarover we in ons vorig artikel hebben geschreven. Vol geloof ook dat de r.k. kerk verplicht was te zoeken naar een vernieuwing van eigen innerlijk leven zo dat zij meer geloofwaardig zou worden in de ogen van de afgescheiden broeders.
Tot de niet roomsen zei hij: 'Sta ons toe in ons intens verlangen, u broeders en zonen te noemen; sta ons toe te hopen dat met vaderlijke liefde wij ons zullen mogen verblijden in uw terugkeer.'
Hij was en bleef in al zijn bewogenheid voor het zoeken van de zichbare eenheid van de kerk, de overtuigende r.-katholiek. De woorden die hij gebruikte maken het meer dan duidelijk. Terugkeer was zijn geliefde term. Broeders en zonen zei hij. Hij was en wilde zijn de 'heilige Vader'!
Hij liet geen ruimte voor misverstand omtrent zijn overtuiging op dit punt dat de r.k. kerk 'de schat der waarheid' bezat en dat Jezus Christus aan haar 'het onfeilbaar leergezag' had toebetrouwd. Wij zijn geneigd als wij alle franje er afdoen, te zeggen: hij was een hartelijke, rooms-naïeve, welwillende, goedbedoelende oude geestelijke, die van de diepste motieven van de evangelische weg tot God in Christus, weinig begrip heeft getoond.
Wij menen dat dit alles meer is dan een stukje recente kerkhistorie. Het is opvallend hoe in allerlei beschouwingen over Vaticanum II een optimistische toon doorklinkt, als zou door het streven van paus Johannes XXIII en de conciliebesluiten toch de weg zijn ingeslagen naar een evangelisch-katholieke kerk.
Wie de nuchtere vraag stelt: Wat is er dan bij Rome veranderd?, krijgt ten antwoord: 'u leeft teveel uit het verleden. Kijk naar Johannes XXIII, naar allerlei vernieuwingsbewegingen van de roomse kerk'. Wij menen dat de scribent in 'Opbouw' er goed aan gedaan heeft te beklemtonen dat paus Johannes ondanks alle sympathieke woorden en bedoelingen toch de overtuigde rooms-katholiek bleef.
Willen we in oecumenicis niet in de mist varen, dan is klaarheid en helderheid ten aanzien van de weg van de roomse kerk geboden. Wij voeren beslist geen pleit voor een anti-papistische houding, die geen oog heeft voor veranderingen en vernieuwingen. Wij zouden wel willen pleiten voor een nuchter critische houding vanuit de beginselen der reformatie. Als zodanig namen we dankbaar nota van de opmerkingen van ds. Meester.
Hervormd Nederland 25 jaar
Op 22 september jl. was het vijfentwintig jaar geleden, dat het blad dat thans onder de naam 'Hervorvomd Nederland' verschijnt voor het eerst, zij het dan onder een andere naam, het licht zag.
In het nummer van 10 oktober schrijft ds. L.H. Ruitenberg dat 25 jaar geleden de opzet duidelijk voor ogen stond. Het moest erorn gaan de gehele hervormde kerk in al haar facetten, haar zekerheden en twijfels in de wereld der weekbladen presenteren. Ds. Ruitenberg meent dat deze opzet maar zeer ten dele geslaagd is.
Van de 700.000 hervormde gezinnen zijn er een 50.000 waarin het blad gelezen wordt. Ondanks alle medewerking, ijver, accuratesse is het visioen van Gemeenteopbouw geen werkelijkheid geworden. Ds. Ruitenberg meent ook te kunnen aangeven, hoe dat komt.
Nu weten wij wel, waardoor dat komt: de wereld en de kerk — wie brengt de preciese scheiding aan? — hebben een andere loop genomen dan wij dachten. Wij schamen ons daar niet voor. In plaats van een kerk, gericht op eenheid, appellerend op wat diepin ons volk wel wist, namelijk dat alle heil en alle toekomst voor kerk en wereld in Christus liggen, geestelijk gezag uitstralend omdat zij leefde uit dit één en enig middelpunt, zien wij nu een kerk, die in verlegenheid verkeert. Want de uitdagingen, die op ons afkomen, zijn zo verschillend, zo dreigend ook, dat wij onder elkaar maar moeilijk het juiste antwoord kunnen vinden.
Wij kunnen het maar slecht hebben, dat de antwoorden, die gegeven worden in de ruimte der kerk zo verschillend zijn. Wij proberen dat aan te geven met woorden, die niet deugen. Wij spreken van 'horizontalisten' en 'verticalisten' en wij stellen ons daarbij in slagorden op, alsof hier een echt verschil zou zijn. En ondertussen worden wij voor hen die buiten staan steeds minder interessant. In deze realiteit hebben wij 25 jaar lang geprobeerd — met vallen en opstaan natuurlijk, misslaand en misschien soms ook doel-treffend — de kern, waarom het de kerk en dus ons gaat, te raken. Een produkt te leveren, dat als weekblad een band zou weven tussen ons en de lezers. Rondom zaken — informaties in en buiten de kerkelijke regionen, beschouwingen, commentaren — die genoegzaam interesse geacht werden te hebben bij mensen, die de kerk liefhebben en in de wereld leven. Wij hebben ons laten inspireren door wat in de kerkelijke vergaderingen en in de oecumene gedacht en gedaan werd. En daarbij de man of vrouw voor ogen gehad, die blij zou zijn met deze informatie en die wellicht zou worden geholpen door onze beschouwingen. Kortom: het gemeentelid.
Het verwijt dat HN te weinig aandacht had voor het 'innerlijk' leven', en politiek te rood getint was, wijst ds. Ruitenberg af.
Ook voor de toekomst moet er openheid naar alle kanten geboden worden. Luisterend, informerend, soms commentariërend moet men zijn weg gaan. Ds. Ruitenberg ziet wel tekorten: Sport en ballet, economie en binnenlandse partij-politiek kwamen tekort.
Maar toch heeft, aldus ds. Ruitenberg, HN 25 jaar lang een journalistiekpastoraal centrum gevormd in het geheel van de kerk.
Wij hebben bij het lezen van dit artikel toch enkele vraagtekens gezet. Is de oorzaak van het 'niet geslaagd-zijn' in de opzet ten volle gepeild? Hoe komt het dat het visioen van gemeenteopbouw geen werkelijkheid geworden is? Ligt dat alleen aan de veranderingen in kerk en wereld?
Wij menen dat de diepste oorzaak elders gezocht moet worden en samenhangt met de crisis waarin de hervormde kerk al jaar en dag verkeert. Een crisis die samenhangt met de nood der prediking in het geheel van de kerk, de vrijblijvendheid ten aanzien van de Schrift en het reformatorisch belijden.
Zonder afbreuk te doen aan de waarde van de informatie die HN in de achter ons liggende 25 jaar geboden heeft — en ook het jongste nummer legt daar weer getuigenis van af, als we denken aan een boeiend artikel over het werk van GZB in Kenya — menen we toch te moeten zeggen dat HN te weinig positie gekozen heeft in de vragen rondom prediking en belijdenis.
Wij willen daarbij nog niet eens ingaan op de vaak eenzijdige keus inzake scribenten en medewerkers. De bijdrage uit confessionele en herv. gereformeerde kring was in deze jaren niet groot. Maar we kunnen niet beoordelen, in hoeverre daarvan de schuld ligt bij scribenten die mogelijk wel gevraagd zijn, maar geen medewerking gaven.
Maar ons grote bezwaar is, dat in doorsnee te weinig vanuit de reformatorische belijdenis critiek geleverd wordt op allerlei verschijnselen in kerk en samenleving. Van een uitgave van een hervormde raad mag toch verwacht worden dat zij zich in haar spreken en schrijven gebonden weet aan het belijden der kerk en al het mogelijke doet om te weren wat het belijden weerspreekt.
Dat betekent op zijn minst critische aantekening bij al die geluiden die in strijd zijn met dit belijden, geluiden die het gezag van Gods Woord aantasten.
We menen, dat daar de diepste oorzaak ligt van het niet-geslaagd-zijn.
We menen bovendien dat de uitdrukking journalistiek-pastoraal centrum tamelijk hoog gegrepen is. De vrijblijvende wijze waarop HN zich opstelt inzake allerlei 'knelpunten' in de kerk en de wijze waarop aan allerlei facetten van de moderne theologie rustig ruimte gegeven wordt, maken dat men achter dit pastoraat toch een serie vraagtekens zet.
HN zou de kerk een dienst bewijzen wanneer zij de tekortkomingen ook eens in deze richting zocht.
Tot onze diepe droefheid
We zouden het bovenstaande willen illustreren met een artikel uit hetzelfde oktobernummer van Hervormd Nederland. Het bevat een interview met dr. P. Hofstede, regisseur van een documentaire TV-serie over de dood en het sterven, zoals deze uitgezonden werd in dit voorjaar door IKOR/CVK.
We geven u enkele flitsen uit dit vraaggesprek:
Peter Hofstede: 'Het programma is gemaakt vanuit een pastorale instelling, waarbij ik onder pastoraal versta: bij iemand zijn, naar hem luisteren, proberen hem te begrijpen, lief en warm voor hem zijn. Samengevat: geborgenheid geven. Pastoraat in deze zin heeft de mensheid op weg naar het jaar 2000 meer dan ooit nodig. Daar hoort een andere houding bij dan de huidige cultuur ons toestaat.'
Welke hindernissen werpt ons cultuurpatroon op met betrekking tot het rustig sterven?
'Om in het reine te komen met het feit, dat je sterven moet, is het van groot belang, dat je jezelf aanvaardt zoals je bent, dat je je eigen ik, je eigen identiteit vindt.
Ons cultuurpatroon werkt dat tegen. Wij jagen elkaar op. Vrouwen bijvoorbeeld reageren hun zelfvervreemding soms af op hun man door hem te stimuleren hoger op te komen, ook als hij zich happy voelt op de plaats waar hij zich bevindt. Behalve zijn vrouw kan dan ook de man vervreemd raken.
Wie met zichzelf in harmonie leeft, heeft minder moeite met het sterven. Het blijkt, dat stervenden pas rustig kunnen heengaan nadat zij allerlei obstakels uit de weg hebben geruimd, hun leven hebben afgerond.
In het vervolg worden opmerkingen gemaakt over het kiekeboe spelen, het verzwijgen van de waarheid, de weerzin en de schichtigheid wanneer we met stervenden geconfronteerd worden, over de houding van artsen en predikanten. Bert v. Duijn heeft ook vragen gesteld over de relatie tussen de godsdienst en het sterven. Het antwoord blijft geheel in de pschychologische sfeer:
'Het schijnt, dat ongelovigen vaak rustiger sterven dan gelovigen. In ieder geval is bekend, dat heel wat priesters voor hun heengaan in paniek raken. Het komt denk ik tenslotte toch neer op een klaar zijn met je leven. De godsdienst kan daarbij zowel een belemmering als een stimulans zijn, dat hangt van allerlei factoren af. De psychiater Van Dantzig heeft de aandacht gevestigd op het misbruik maken van de godsdienst, waarbij bepaalde angsten en schuldgevoelens worden aangewakkerd.
Volgens Bernhard Groethuysen is de kerk het in de zeventiende en achttiende eeuw met de opkomst van de burgerlijke rationaliteit synchroon lopende ongeloof steeds weer te lijf gegaan met één en hetzelfde argument: de vergankelijkheid van het menselijk leven.
De kansels werden lopende-bandfabrieken van doodsangst; eigenlijk niet zozeer van doodsangst, als wel van angst voor de eeuwige verdoemenis.
De dood werd de niet te berekenen factor, de streep door vooruitgangsgeloof en optimisme, de vernietiger van het zich ontplooiende individu en van de menselijke waardigheid, de grote schop tegen het been van de politici, de ondernemers, de organisatoren, de ingenieurs, de wetenschapsmensen, de welvaartsplanners, de doe-het-zelvers.
Tenslotte wordt door de interviewer de vraag gesteld: Hoe staat u nu zelf tegenover de dood, tegenover uw eigen dood? Bent u er vertrouwder mee geworden, sinds u het programma maakte? Het antwoord van dr. Hofstede is:
'U kunt in mijn boekje lezen, hoe ik er over denk. De in christelijke kring nogal eens gehoorde troost, dat door de dood het leven niet wordt weggenomen, maar veranderd, is voor mij geen troost. Ik neem niet waar, dat door de dood het leven niet wordt weggenomen. Je zult je man, vrouw, kind, vader, moeder, liefste vriend of vriendin maar moeten missen.
Verder weet ik, dat met behulp van de eenzijdige boodschap waarin alleen de nadruk wordt gelegd op een beter en mooier leven in het hiernamaals, reeds eeuwenlang godsgruwelijk onrecht door de ene mens tegenover de andere wordt bedreven.
Ik geloof wèl, dat de bijbel ons behulpzaam kan zijn op een evangelische manier te leven. Daaronder versta ik: de naaste lief te hebben als jezelf. Dat is meestal niet eenvoudig, maar wanneer je dat als richtsnoer houdt, kun je een eind in de goede richting komen.
Het betekent ook: de naaste die dood gaat, lief te hebben als een gewoon mens en hem niet te laten barsten als een half vergeestelijkt wezen, dat met één been in een feest staat waarop jij niet bent uitgenodigd.
Voorzover de mens die sterft daar niet eerder de kans toe had, wil hij zoals ik al eerder zei, op het laatst van zijn leven zichzelf leren kennen, waarderen en aanvaarden. Hij gaat op zoek naar zijn eigen essentie. Daartoe heeft hij de ander nodig, gewoon de medemens, de naaste, die echt belangstelling voor hem heeft, voor hem het unieke wezen dat doodgaat.'
Wij gaan niet in de op de mérites en tekortkomingen van het TV-programma. Wij willen ook niet dit interview als zodanig aan een onderzoek onderwerpen. Maar we signaleren alleen het feit, dat in een orgaan van een Hervormde Raad dit zonder commentaar doorgegeven wordt, dat er met geen woord vanuit de Bijbel een getuigenis gegeven wordt tegen deze puur horizontale, humanistische visie op het sterven. Wij vinden dat een verbijsterende zaak. Van de bijbelse prediking aangaande het leven na dit leven wordt in dit gesprek een caricaturale voorstelling gegeven. Had het niet op weg van de redactie van HN gelegen hier wat tegenover te stellen? Of hangt het zwijgen samen met de verlegenheid waarin ds. Ruitenberg in zijn artikel op doelde.
Zolang HN deze koers blijft varen, zien we bij dit vijf en twintig-jarig jubileum echt nog geen reden aan HN onze gelukwensen te doen toekomen. Omdat het ons steeds minder duidelijk wordt, in welk opzicht dit blad een bijdrage biedt aan de opbouw van de gemeente van Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's