Nader antwoord
In het artikel van ds. Gerssen: Gereformeerde Bond en nieuwe psalmberijming is hèt punt, waarom het eigenlijk gaat, de verhouding van het Oude en Nieuwe Testament.
Om zoveel mogelijk recht te doen aan de schrijver en om aan de lezer de controle op wat ik hieronder als nader antwoord schrijf gemakkelijker te maken neem ik — in een ander lettertype om verwarring te voorkomen — een gedeelte, waar ik nader op wil ingaan, over. Ds. Gerssen schrijft het volgende:
Te nuchter? 't Advies van het hoofdbestuur zegt dat het een aantal verzen te nuchter vindt. Ik meen, dat deze nuchterheid juist met de aardse verwachting van het Oude Testament samenhangt — De verwachting van het Oude Testament grijpt daar immers boven uit (boven 'de nieuwtestamentische vervulling' — deze invoeging van mij, Bt) en wij staan met Israël samen in de verwachting van de toekomst des Heeren — Wanneer men het Oude Testament leest vanuit het Nieuwe is er een aantal dingen, die men overhoudt, omdat men niet kan zeggen, dat ze in de komst van Christus reeds tot vervulling zijn gekomen. Het wordt boeiend als men gaat merken, dat dat juist de gewone dingen van het aardse leven zijn, van de sexualiteit en de cultuur, de humaniteit en de maatschappij. Het volk des Heeren zal de aarde beërven en die aarde bevindt zich ook volgens de psalmen niet boven de wolken, maar onder onze voeten. Voordat men bezwaar gaat maken tegen een zekere nuchterheid in de nieuwe psalmberijming moet men zich afvragen of die niet juist kenmerkend is voor de oudtestamentische vroomheid en voor de wijde armslag van de toekomstverwachting, die daar gekoesterd wordt. Men moet de dingen niet zo rechtstreeks op het Nieuwe Testament betrekken, want dan loopt men het gevaar het heil te vergeestelijken en het zicht op de eigen boodschap van het Oude Testament als Woord Gods te verliezen. 'Overschot'. Dat wat men over houdt, het 'overschot van het Oude Testament' noemt prof. Miskotte dat, heeft de christenen altijd al dwars gezeten. Men wist er niet goed raad mee en probeerde op een fatsoenlijke manier eraf te komen. Men zag het vaak als het mindere dat bij de verhevenheid van het Nieuwe Testament ten achter blijft. En de gedachte ligt dan voor de hand, dat het Nieuwe Testament de eigenlijke bijbel is en dat wij het Oude alleen kunnen aanvaarden, wanneer het zich in dat licht laat rechtvaardigen. Aan de betekenis, die in het Oude Testament aan de gewone aardse werkelijkheid wordt toegekend zou men kunnen zien, dat de openbaring van God zich toen nog in een primitief stadium bevond. Maar dit overschot is niet datgene waarmee het Oude Testament achter ligt bij het Nieuwe. Het is juist datgene, waarin het Oude Testament over het Nieuwe heen gericht is op de toekomst Gods ...
Ziehier het standpunt van ds. Gerssen. Voor zijn opvatting kan de schrijver zich ongetwijfeld op meer dan één theoloog van deze tijd beroepen. Zeker niet op Calvijn. Is het juist als ds. G. schrijft over een verwachting van het Oude Testament, die over het Nieuwe heen grijpt, die daar boven uitgrijpt? Wij staan, zegt ds. G. met Israël samen in de verwachting van de toekomst des Heeren. Het noemen van Israël in dit verband geeft m.i. aanleiding tot misverstand. Ik meen wel, dat de Kerk (met Israël) betrokken is bij en opgenomen in de prerogatieven van Israël. Ik denk evenwel niet, dat wij het samen daarover eens zijn, maar daarover hopelijk later.
Wat zegt het Nieuwe Testament?
Het Nieuwe Testament veronderstelt het Oude en gaat ervan uit; het bevestigt het Oude Testament. Christus zelf staat voor het Oude Testament in, zoals uit vele plaatsen van de Evangeliën blijkt. Christus zelf heeft ons de sleutel van de interpretatie van het Oude Testament gegeven en daarbij leerde Hij als gezaghebbende, en niet als de Schriftgeleerden. Hij ging niet in tegen het Oude Testament, maar verzette zich tegen de uitleg van de rabbijnen, b.v. Matth. 5:43vv. De Heere Christus is voor ons de autoriteit, de grote profeet en leraar. In het onderwijs van Christus ligt het antwoord op de vraag: Hoe komt het, dat er door het gehele Nieuwe Testament heen op eenzelfde wijze teruggegrepen wordt op het Oude Testament? Die grote coherentie in het gebruik van het Oude Testament zoals die in het Nieuwe Testament uitkomt, gaat terug op het onderwijs des Heeren. De evangelische traditie vindt hierin zijn grond. Als Christus Jes. 29:13 aanhaalt: Dit volk nadert mij met zijn mond en zij eren mij met de lippen, dan zegt de Heere daar in Matth. 15:7: Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd. David heeft in de Geest gesproken (Matth. 22:43).
1 Petr. 1:10, 11. Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade aan u geschied, onderzoekende op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus die in hen was beduidde en tevoren getuigde het lijden, dat op Christus komen zou en de heerlijkheid daarna volgende. Daarom die grote eenheid van profetie en evangelie. God zelf staat er achter. Romeinen 1:2: Hij heeft het Evangelie tevoren beloofd door Zijn profeten, in de heilige Schriften. Zo wordt het gehele Oude Testament een profetisch voorbeeld van het Nieuwe. En daarbij komt, dat geen profetie is van eigen uitleg. 2 Petr. 1:20 d.w.z. zoals ook uit vers 21 blijkt: de uitleg der Schrift is gebonden aan wat de Heilige Geest in de Schrift zegt. De profetie kan niet door menselijke wijsheid worden ontvouwd!
Het Nieuwe Testament geeft de vervulling van het Oude. Daarop moet voortdurend worden gewezen, maar er is meer dan in deze ene stelling ligt. Als Paulus schrijft over de wolk en de zee, over het eten van de geestelijke spijze en het drinken van de geestelijke drank (1 Cor. 10:1vv) dan wijst hij erop, dat deze dingen om onzentwille zijn beschreven tot waarschuwing en nog sterker: deze dingen zijn geschied tot voorbeelden (typen) om onzentwille. Het Oude Testament geeft dus onderricht Rom. 12:7. De apostel wil zeggen: hier in deze geschiedenis ligt meer dan bij oppervlakkige beschouwing lijkt. Al wat tevoren geschreven is (en hier hebben wij dus het Oude Testament), dat is tot onze lering tevoren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop zouden hebben. Maar daarnaast is nog een andere lijn. De uittocht uit Egypte, het grote wonder in de geschiedenis van Israël, is een historisch feit, in de lofzangen van Israël de eeuwen door bezongen. Maar het is meer: het sluit profetie in zich Hoz. 2:14,15. In het gehele Oude Testament gaat het om wat door Augustinus en velen na hem genoemd wordt de prefiguratie, de voorstelling, de afbeelding. De gehele eredienst van Israël is voorbeeld, model archetype van het offer van Christus — De rust in Kanaän is het einde niet, de terugkeer uit de ballingschap is evenmin het einde. In het Oude Testament is er voortdurend een 'nog niet'. In het Oude Testament werpen de grote gebeurtenissen (die zich in de tijd van het Nieuwe Testament en ook daarna) zullen voltrekken hun schaduw vooruit. De geschiedenis van Israël beweegt zich naar het grote doel dat de Heere beoogt, de wederoprichting aller dingen in Christus. Na deze zal het verstaan worden, dat wil toegepast op het Oude Testament zeggen: vanuit de vervulling wordt de profetie en de belofte verstaan. Ook hier denk ik menigmaal aan: de helft is ons niet aangezegd. Tertullianus schreef ergens: Nooit is er de schaduw voor het lichaam noch is er de copie voor het origineel.
Nu nog eens over de vervulling. Wat is dit? Als wij lezen, dat liefde de vervulling van de wet is, dan betekent dit niet, dat de wet is afgeschaft. Rom. 13:10 Waar de liefde is, daar is de wet tot haar doel gekomen (Ridderbos). Men kan zeggen: zij wordt verwerkelijkt in de liefde. — In de geschiedenis van de troonopvolging van David raadt Nathan Bathseba aan naar David te gaan om over de opvolging te spreken en dan zegt hij: Als gij nog met de koning spreken zult, dan zal ik na u inkomen en uw woorden vervullen, dus: ik zal die aanvullen, mij erbij aansluiten, ik zal in dezelfde lijn voortgaan. 1 Kon. 1:14, 2 Sam. 7:12, 2 Kron. 36:21.
Het is vervulling van het Oude Testament als het evangelie naar Johannes spreekt van Christus als het ware brood en de ware wijnstok.
Aan Christus zal vervuld worden, volbracht worden wat geschreven is door de profeten Luc. 18:31. Christus legde aan Kleopas en zijn onbekende metgezel uit wat van Hem in de Schriften geschreven stond. Luc. 24:27.
Het Oude Testament in de brief aan de Hebreeën
En daarmede kom ik aan de brief van de Hebreeën. Hun geloof wordt bedreigd en aangevochten, hun handen waren slap, hun knieën knikten. Hebr. 12:12. Zij moesten leraren zijn, maar de werkelijkheid was, dat zij onderricht moesten worden over de eerste beginselen van de woorden Gods. Zij waren als kinderen, die melk nodig hadden en geen vaste spijs konden verdragen. Hebr. 5:11vv. Hier wordt getekend hoe het Nieuwe Verbond het Oude verre te boven gaat. Het Oude Testament is de tijd der kinderjaren der kerk (Calv.). De gemeente heeft die kinderjaren nu achter zich: God, voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon. Hebr. 1:1. In deze brief treft ons telkens weer de woorden beter en meerder: Van een zoveel beter Verbond is Jezus borg geworden. Hij heeft een uitnemender bediening gekregen als Middelaar van een beter Verbond. Wij lezen over een betere opstanding. In deze brief zien wij hoe in de nieuwtestamentische tijd het oude testament gelezen werd, telkens met een beroep op auctor primarius: De Heilige Geest, of God zegt, of Christus zegt. Bv. h. 3:7. De wet heeft een schaduw van de toekomende dingen (goederen), niet het beeld, d.i. de gestalte der dingen, zelf (h. 10:1). In deze brief wordt op het Oude Testament als het voorlopige, tegenover het Nieuwe Testament als het definitieve, als het echte, het voltooide, het gerijpte gewezen. De wet is schaduw h. 10:14; 12:23. Er is een meerdere offerande, een betere hogepriester. Door de meerdere offerande mag de gemeente toetreden in het heiligdom door het bloed van Jezus. De gemeente is gekomen tot het hemelse Jerusalem h. 12:22. De gemeente mag zich uitstrekken naar het toekomende h. 13:14, naar het onbewegelijke koninkrijk, h. 11:28; Daarom wordt het volk vermaand de belijdenis der hoop vast te houden h. 10:23. Het volk moet geestelijke offeranden offeren (1 Petr. 2:5), in de Hebr. (13:5): God offerende een offerande des lofs.
Eenheid geen gelijkheid der Testamenten
Wat ook elders in het Nieuwe Testament uitkomt, de onverbrekelijkheid van het werk Gods in het Oude en het Nieuwe Testament zien wij hier heel sterk. (Ridderbos Rom. 4:24, 1 Cor. 10:11). Maar de brief aan de Hebr., sluit geheel de gedachte aan een nivellering van de beide Testamenten uit. Calvijn wijst terecht op de kinderjaren van de kerk: De vaderen stonden als kinderen in het geloof, wij als gerijpte mensen. Maar zij staan niet los van elkaar! Evenmin als de man vandaag los te denken is van het kind, dat hij weleer was. Maar welk mens wil terug?
Als wij onze opvatting over de verhouding van Oude en Nieuwe Testament naar wat hier boven is getekend willen samenvatten, dan is dit dus: het mindere van het Oude Testament wordt steeds meer in het Nieuwe Testament in Christus, maar ook dat meerdere is nog niet alles. Oude en N. Testament dat betekent: schaduw en licht, beeld en werkelijkheid, toezegging en vervulling. Möller sprak over de verhouding van O. en N. Testament als van: reeds, nog niet, nog altijd, niet meer. Ook dat laatste mag niet worden vergeten. Er is iets van het Oude Testament, dat de gemeente achter zich heeft gelaten, dat in Christus in de diepste en breedste zin reeds verwerkelijkt en volbracht is. In Christus is de gehele Bijbel een onverbrekelijke eenheid. En daarom zijn er ook noch in het Nieuwe noch in het Oude Testament heilsbeloften buiten Christus om: Zovele beloften als er zijn, die zijn in Hem ja en Amen. Er is dus ook geen belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde buiten Christus om. En het koninkrijk, dat komt is het koninkrijk van Jezus Christus.
Lezen vanuit de vervulling
Vanuit de vervulling zullen wij dus het Oude Testament (blijven) lezen, om het nog eens zo te zeggen: bij nieuwtestamentisch licht. De kerkvaders konden wonderlijke capriolen uithalen in de uitleg van de Schriften en tot de dag van vandaag vinden zij daarin aanhangers en Calvijn zei: Ongestraft speelt men met de Schrift en men oogst nog lof daarbij! Maar soms geven zij aanwijzingen voor de Schriftuitleg, die voor ons vandaag nog van grote waarde zijn. lereneus b.v. schrijft: De vervulling zelf is de beste verklaring van de Schrift. En Ignatius: De uitleg van het Oude Testament dient zich te richten naar wat de vervulling ervan zegt.
Maar zitten wij soms niet erg moeilijk met de Schriftuitleg, die het Nieuwe Testament geeft? Dat is niet te ontkennen. Ik noem b.v. een woord als Matth. 2:23. Maar wij mogen de 'heilige mannen Gods' niet zien als uitleggers van het Oude Testament, in de zin van onze exegese. Men maakt wel eens om dit verschil te tekenen onderscheid tussen verklaring en uitleg. Persoonlijk formuleer ik het liever zo, al weet ik, dat ook deze formulering tot verwarring aanleiding kan geven: de oudtestamentische tekst wordt in het Nieuwe Testament toegepast: Christus maakt deze woorden open. Hij laat zien, wat in de bloemknop ligt verscholen — Men sluit zich ook wel eens aan bij Origenes, die het woord transformeren gebruikt: Christus transformeert de figuren en de profetische geschriften. Dan zou ik liever spreken van transponeren: het is dezelfde muziek, alleen in een andere toonaard gezet.
In het Oude en in het N. Testament gaat het om hetzelfde heil. Nu schrijft ds. Gerssen over het overschot van het Oude Testament. Daarbij suggereert hij dus, dat er wezenlijke oudtestamentische noties in het Nieuw Testament niet zouden zijn opgenomen, of op de achtergrond zijn gedrongen, althans niet voldoende gehonoreerd. Daardoor zou men het gevaar lopen de eigenlijke boodschap van het Oude Testament als Woord van God te verliezen. Hier liggen stellingen, die ik niet in overeenstemming acht met het Nieuwe Testament. De vaderen zijn in het geloof gestorven; zij zijn begerig geweest naar een beter, dat is naar het hemelse (vaderland). Van Oyen tekent bij deze plaats (Hebr. 11:16) aan: Deze wereld gaat voorbij, gaat onherroepelijk ten onder, zij is enkel gelegenheid tussen de tijden in om Gods eeuwig heil in Christus deelachtig te worden: de verlossing der zonde en de overwinning van de dood. Over deze strijd heen wenkt de stad, die door God is bereid.
De oudtestamentische vroomheid vindt zijn kenmerk niet in de gewone dingen van het aardse leven en wat ds. G. verder noemt (zie het boven geciteerde). Zo doet men tekort aan het N.T., maar ook aan de kern van het O.T. Bij de profeten is zeer duidelijk, dat de dingen van het aardse leven secundair zijn. Het gaat om de gemeenschap met God (Ps. 73), om de kennis des Heeren, om leven met de Heere.
Er blijven twee dingen over ter bespreking: het Oude Testament gaat niet op in de verwachting van aardse goederen en aardse verwachtingen. En bovendien het Nieuwe Testament mag men niet versmallen door het alleen te maken tot een prediking over het persoonlijke zieleheil. Ook de aardse dingen vallen onder de allesomvattende belijdenis van Paulus: Hetzij de wereld, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. Doch gij zijt van Christus en Christus is Gods. (1 Cor. 3:22v). Daarover de volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's