'Anders gezegd’
Cultuuroptimisme
VI
In dit laatste artikel over Kuiterts boek 'Anders gezegd' gaan we in het kort in op een derde lijn in zijn theologisch denken, die alleszins samenhangt met de vorige twee, die van het horizontalisme en die van het situationele denken. De consekwente horizontalisering van het heil bij Kuitert brengt immers met zich mee, dat hij een bijzonder optimistische kijk heeft op de geschiedenis en de cultuur. Of omgekeerd. Dit kortheidshalve genoemde cultuur-optimisme is een draad door al zijn beschouwingen. Voor ons: een stuk prikkeldraad, waaraan we ons steeds weer opnieuw bezeren.
Een aardse heilstaat
In zijn theologie van de revolutie staat Kuitert een aardse heilstaat voor ogen. De theoloog kan van de structuur van deze heilstaat geen Bijbelse blauwdrukken leveren. Maar wel mag hij als inhoud van Gods belofte voor de samenleving aanwijzen: de eenheid, vrede en broederschap der mensheid. Het argument, dat wij in een zondige wereld leven en dat het een niet-christelijke illusie is om te menen hier op aarde boven de zonde uit te komen, gaat volgens Kuitert niet op. 'Het christelijk geloof is geloof in God, die déze ònze wéreld redt, vernieuwt en voltooit, en niet slechts personen, die van deze wereld zijn losgemaakt.' 'De mens is met de wereld van zijn werken voorwerp van Gods beloftewoord.' (blz. 107).
Dus u niet bij de bestaande toestand neergelegd. Maar desnoods per revolutie aan de slag. Deze visie van Kuitert hangt natuurlijk ten nauwste samen met zijn veraardsing van het heil. Daarover schreef ik al eerder. De relatie tussen God en de wereld wordt door Kuitert gezien als een (opnieuw van Gods zijde gedacht) reddend voltooien van de wereld of 'schematisch gezegd: 'God en wereld' hoort als thema niet thuis onder het hoofd van een — op zichzelf gestelde — scheppingsleer, maar onder het hoofd van de ondeelbare eenheid van schepping en verlossing'. Ondeelbare eenheid. Men lette op deze uitdrukking.
De eenwording der wereld
Met het oog op deze heilstaat, die Kuitert voor ogen staat, spreekt hij telkens weer waarderend over de ontwikkeling van onze tijd in de richting van de éénwording der wereld, (blz. 123 o.a.) Op bladzijde 189 van zijn boek stelt hij, dat onze tijd een geweldige smeltkroes van 'moralen' lijkt en hij vindt het dan zo gek niet om te zeggen, dat dat uitloopt op 'the survival of the fittest' (het overblijven van de sterkste). De sterkste is dan groep geworden mensheid deze mensheid die moraal, 'die in de tot één wereld, één het beste dient om tezamen mensheid te zijn en te blijven.'
Democratisering van het ambt.
De vermaatschappelijking van het heil brengt bij Kuitert ook een andere visie t.a.v. de ambten met zich mee. Vroeger was de clerus nodig vanwege het feit, dat zij nu eenmaal kennis van de leer en ook culturele ontwikkeling bezat in tegenstelling tot de leken. Vandaag zijn niet alle, maar dan toch wel vele gemeenteleden mondig geworden (= deelgenoten van de cultuurgoederen en ook in veel groter mate op de hoogte van dat aspect van onze cultuur, dat wij het godsdienstige noemen). Op grond van deze mondigheid pleit Kuitert voor democratisering van het ambt, ziet in elk geval de tendens in deze richting bij de hedendaagse ontwikkelingen/ Wij noteren ook hier een cultuuroptimisme in zijn spreken over de mondigheid van de moderne mens. De kennis van de leer en de cultuurspreiding bevorderen bij Kuitert kennelijk de ontwikkeling in de richting van een tijd, waar in wij niet meer tussen Kerk en wereld hoeven te onderscheiden.
Zelfstandige verantwoordelijkheid
Het cultuuroptimisme bij Kuitert hangt tennauwste samen met zijn gedachten over 's mensen verantwoordelijkheid. We hebben dat eerder gezien. Deze verantwoordelijkheid krijgt bij Kuitert een bijzonder zwaar accent. In niets wil hij erdoor verleid zijn om van zijn verantwoordelijkheid af te komen met een beroep op God, op God de heilige Geest b.v. Wachten op God, totdat Hij de structuren van de maatschappij verandert, Kuitert acht 't een afwentelen van onze opdracht. Het werk van God', zegt hij, (in: De taal der prediking) 'staat niet dwars op het werk van de mens, geeft daaraan veeleer een nieuwe en nu pas: eigenlijke ruimte'. 'Zoals de Bijbelschrijvers bv. in zelfstandige verantwoordelijkheid en in de vrijheid des Geestes hebben geschreven, zoals het hun het beste voor kwam, zo spreken en handelen de christenen vandaag ook.'
De slaafse wil
Dit o.i. overspannen verantwoordelijkheidsgevoel bij Kuitert hangt uiteraard samen met de vragen rondom het wederbarend werk des Geestes. En deze op hun beurt weer met de vragen rondom de wilsvrijheid des mensen. Het is duidelijk, dat de loochening van de historiciteit van de zondeval bij Adam en Eva de gedachte oproept, dat de mens nooit zonder het kwade geweest is. En als dat zo is, kan men proberen het schuldkarakter van de zonde te honoreren door die mens voortdurend op zijn verantwoordelijkheid te blijven wijzen. Dat is op zichzelf een Bijbelse zaak. De vraag blijft dan echter open, in welke mate de zonde de mens bindt en verblindt. Is de genade van de wedergeboorte slechts helpende genade? Of ligt het nieuwe leven (ook in zijn begin) zo volmaakt voor rekening van de God der genade, dat een mens het tot in de kleinste dingen van zijn bestaan, juist met al de verantwoordelijkheid, die hij bezit, op God moet aandoen?! Dat leidt die mens tot een voorzichtig leven. Dat maakt hem heilig ontspannen in al zijn werk. Dat verlost hem van de kramp, dat hij het allemaal op moet knappen. Maar dat doet hem ook in gebondenheid aan Gods wil aan het werk gaan.
Onze vrees is, dat Kuitert ons, wanneer hij deze registers niet opentrekt, opnieuw onder het juk der dienstbaarheid brengt. Dat is trouwens altijd zo in een 'doe het zelf' prediking.
Bovfendien blijft de vraag, of God er ergens in Zijn Woord een belofte voor gegeven heeft, dat, wanneer de christelijke kerk haar roeping slechts verstaat, de wereldgeschiedenis zich zal gaan ontwikkelen in de richting van een heilstaat op aarde? En de vraag, of wij de gelovigen geen lasten opleggen, zwaar om te dragen, wanneer wij hen de volle last van de verantwoordelijkheid voor de geschiedenis in deze zin laten dragen.
Kerk en koninkrijk Gods
Hoezeer de bede in het Onze Vader om de komst van Gods koninkrijk op aarde inhoudt, dat wij er ons voor inzetten, er wordt ons nergens in de Schrift geleerd, dat de volle openbaring van dat Koninkrijk Gods door onze inspanning verkregen wordt. Dat moeten we bedenken. Wij moeten ernstig rekening houden met de machten van satan, die aan het werk zijn in Gods goede schepping en hun vernietigend geweld, dat zij uitoefenen op de religie en de cultuur. Wij hebben ons ernstig voor te bereiden op een allesbeslissende ingreep van God aan het eind der dagen. Dat doet niets af van onze verantwoordelijkheid t.o.v. heel de schepping. De mens heeft het op zijn geweten, dat het zo mis is gegaan. Maar dat verhindert niet te geloven, dat er een daad van God voor nodig is om het weer recht te krijgen, èn in het wederbarende werk des Geestes in de harten, èn in de tekenen van Gods koninkrijk, die het geloof mag oprichten, èn in de uiteindelijke openbaring van de nieuwe schepping.
Deze dingen zullen de kerk ervoor behoeden te vervallen in een diep cultuurpessimisme, dat (begrijpelijk) o zo vaak de wacht van het cultuuroptimisme aflost. Schemert dit pessimisme, in het bijzonder als Kuitert spreekt over de kerk, niet in de beschouwingen van Kuitert door? Weet hij met het instituut van de kerk nog wel raad? En als hij er raad mee weet, hoelang, zal hij het dan volhouden om te geloven, dat er tenslotte buiten de kerk ook nog wel zaligheid is? Hoelang? Totdat de kerk in de cultuurgeschiedenis van de mensheid is opgegaan en ondergegaan?! Totdat een nieuwe, allesbeslissende wereldbrand er ons aan komt herinneren, dat wij ons vergist hebben en dat wij beter hadden gedaan om het koninkrijk Gods dichter bij de kerk te houden, meer te binden aan de prediking van zonde en genade dan in de moderne theologieën geschiedt? Onze catechismus gaat ons daar (altijd nog terecht) in voor (H.C., Zondag 48) 'Uw koninkrijk kome. Dat is, regeer ons alzo door Uw Woord en Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder Uw kerk; verstoor de werken des duivels en alle heerschappij, welke zich tegen u verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.'
De moderne mens is mondig geworden. Maar of wij deze mondigheid in alle opzichten een pluspunt kunnen vinden? Laat ik eindigen met het oude verhaal uit onze Bijbel, dat ons vertelt van Kaïn en Abel. In het boek, dat Rogier van Aerde over Kaïn schreef, ziet u dit Adamskind over de bergen klimmen, terug, terug naar het verloren paradijs. Een onstuimig verlangen naar een heilstaat op aarde. Maar de weg terug is onbegaanbaar. En een woest heimwee schroomt tenslotte niet over lijken te gaan.
De weg van Kaïn is gebarricadeerd. Daar is een andere weg. Die van een eenvoudige schaapherder, Abel, wiens hart recht was voor God. En hoewel deze weg ogenschijnlijk smoorde in zijn eigen bloed. Zij liep toch door. Uiteindelijk in die andere Schaapherder, de goede Herder Jezus Christus. De man zonder geweld. De Man, die wachtte op God. De Rechtvaardige, Die Zijn bloed gaf voor de Zijnen. Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde.
Van Hem is onze verwachting.
En in deze verwachting doen wij, wat Luther zei: 'Als ik zou weten, dat Jezus morgen wederkwam, zou ik vandaag nog een boompje planten'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's