Zal de kerk haar eigen ambten vernietigen?
II
Een bijbels fundament?
Boven hoofdstuk I van het nieuwe studierapport over het ambt, waarvan wij een vorige keer het Woord vooraf bekeken, staat: De Nieuwtestamentische gegevens.
Wie alleen maar op deze titel afgaat, zonder nog gelezen te hebben wat er in dit hoofdstuk staat, kan een zeker gevoel van voldoening over zich krijgen. Wat fijn dat de Schrift als eerste aan het woord komt. Welk christenhart zou daar niet gevoelig voor zijn? Heeft de Schrift bij ons niet die plaats die door geen enkel ander boek of geschrift van wie het ook is kan worden ingenomen? Heeft zij onder ons niet een exclusief gezag? Is zij voor ons niet het Woord van God zelf, dat licht geeft in alle vragen, ook alle theologische vragen, ook die van onze tijd? Het kan niemand worden kwalijk genomen als hij met een zekere verwachting grijpt naar wat zich aandient als een bijbelse verkenning, het aanbieden van de Nieuwtestamentische gegevens en dan nog wel over een onderwerp dat zozeer in de belangstelling staat als het ambt.
Persoonlijk gingen onze verwachtingen nog verder. Wat wij verwachtten was dat de Schrift (in dit geval het N.T.) benaderd zou worden als een éénheid, immers de openbaring Gods. Dat op een eerbiedige wijze gezocht zou worden naar de verbanden die er liggen in de Schrift. Dat aan de Schriftgegevens gezag zou worden toegekend ten aanzien van alles wat er verderop in dit studierapport naar voren zou worden gebracht. Dat aan deze gegevens ook gezag zou worden toegekend ten aanzien van de vormgeving van het ambt, de ambtspraktijk in de kerk.
Ziehier de verwachtingen. En nu wat er in feite ons aangeboden wordt. Al de eerste paragrafen van dit hoofdstuk (wij citeren voortaan naar de paragrafen) werken ontnuchterend. Paulus' brieven, de Pastorale brieven (1 en 2 Timotheüs en Titus) en de Handelingen worden uit elkaar gerukt. Van de Pastorale brieven lezen wij dat zij 'in deze vorm wel niet van Paulus afkomstig zullen zijn' (11). Wij merken daarbij op: En als zij dat nu eens wèl zijn, wat dan? Dan vervalt in elk geval heel de stelling, dat Paulus nergens een 'ambtelijke terminologie' gebruikt (9) alsook de stelling dat bij hem hetgeen wij het ambt noemen 'slechts een marginale rol speelt' (9) en daarmee tegelijk ook de hoofdstelling van heel dit hoofdstuk, namelijk dat er in het N.T. 'een veelvoud van namen en opvattingen' ten aanzien van het ambt voorkomt (9). Reeds hier, op dit ene punt, ziet men hoe wankel heel het betoog van Berkhof is, en daarmee hoe zwak heel zijn geschrift staat.
Maar er is nog meer. Ten aanzien van de Efezenbrief wordt gezegd, dat 'ook als hij van Paulus is, hij een wat latere ontwikkeling lijkt te weerspiegelen'. Blijkbaar heeft de schrijver van het studierapport het niet aangedurfd om deze brief zonder meer aan Paulus te ontzeggen. Alleen, zijn hoofdstelling gaat er toch wel van uit! Is de Efezenbrief wèl van Paulus dan vervalt opnieuw dat Paulus geen ambtelijke terminologie zou hebben gekend en dat er een veelvoud van namen en opvattingen in het N.T. te vinden is, immers in Efeziërs 4 lezen wij nadrukkelijk van 'herders en leraars'. Er ligt dus een duidelijke tegenstrijdigheid tussen de stellige bewering in par. 9 en de omzichtige uitdrukking in par. 10. En deze tegenstrijdigheid is medebeslissend voor de juistheid of onjuistheid van heel het geschrift!
Een volgend punt is wat gezegd wordt over de ambtsterminologie in Handelingen. Ook Berkhof heeft er niet omheen gekund toe te geven dat wij in Handelingen lezen van 'opzieners' en 'oudsten' en dat volgens het getuigenis van Handelingen zelf, Paulus deze ambtsdragers in de gemeenten die hij stichtte heeft aangesteld. Maar wat is zijn conclusie? 'Paulus zelf zal andere namen hebben gebruikt als hij gezagsdragers aanwees'. Onze vraag is: hoe weet Berkhof dat? Het gaat lijnrecht in tegen wat er staat. Het is louter een gissing, die bovendien de tekst zèlf tegen zich heeft. Ook hier wordt de Schrift weer gewoon gedwongen te zeggen hetgeen de schrijver van het Rapport graag wáár wil hebben, namelijk dat het ambt bij Paulus slechts een marginale rol speelt, dat bij hem een ambtelijke terminologie ontbreekt, dat derhalve het N.T. een veelvoud van namen en opvattingen ten aanzien van het ambt biedt en dat derhalve (want dat is de slotsom waar alles om begonnen is) door ons met de teksten van het N.T. niets te beginnen is en dus wij die teksten vaarwel kunnen zeggen en op eigen theologisch compas kunnen verder varen, volgend de koers van wat de moderne tijd van ons schijnt te vragen.
Een laatste punt in dit verband: zelfs in zijn hoofdbetoog loopt de schrijver van dit studierapport vast aan een bepaald Schriftgegeven, waarvan hij zich enkel door het te noemen probeert af te maken, wij bedoelen Filippenzen 1:1. Hier lezen wij van 'opzieners en diakenen'. En dan in een brief waarvan geen enkel nieuwtestamenticus, al is hij nog zo critisch en radikaal, durft zeggen dat hij niet van Paulus is. Dus in een beslist eigen brief van Paulus komen tòch de namen voor, te weten die van 'opzieners' en 'diakenen', die men ook elders in het N.T. voor ambtsdragers tegenkomt, onder andere in de Pastorale brieven. Hiermee vervalt niet alleen een argument tegen de 'echtheid' van de Pastorale brieven, maar vervalt tevens de stelling van Berkhof dat Paulus geen ambtsterminologie zou hebben gekend (9) en dat hij bij het aanstellen van ambtsdragers wel andere namen zal hebben gebruikt (12). Eigenlijk vind ik het niet helemaal eerlijk dat een dergelijke tekst, die duidelijk de stelling van de schrijver weerspreekt door hem wel genoemd wordt zonder er verder op in te gaan. Hiermee wordt de schijn gewekt alsof ook dit Schriftgegeven wordt gehonoreerd, terwijl dat in feite niet het geval is.
Het gaat om de stelling
Onze eindconclusie is dat hier allerminst gevraagd is naar wat er eigenlijk in de dvierse boeken van het NT staat. Er worden tegenstellingen geponeerd die er niet zijn; in een betoog waarin de tegenstrijdigheden voor het grijpen liggen. De stellingen die aan het begin van het betoog worden geponeerd domineren. De Schrift moet zeggen wat de schrijver nu eenmaal graag wil dat zij zegt. Het hoge belang dat hem daarbij drijft is dat hij straks kan zeggen dat er met al die zo verschillende Schriftgegevens niets valt te beginnen. Dat daar geen ambtstheologie en ambtspraktijk op gebouwd kunnen worden. Om dan te concluderen dat deze Schriftgegevens daar ook klaarblijkelijk niet voor gegeven zijn. Ik citeer: 'Het is duidelijk dat wij op deze uiteenlopende gegevens op zichzelf genomen geen leer aangaande het ambt kunnen bouwen' (16). De schrijver voegt er aan toe: 'Vanaf de Quakers tot de Rooms-Katholieke Kerk kan men zich op bepaalde gedeelten van het Nieuwe Testament voor zijn ambtsopvatting beroepen' (idem). En wat verderop: 'Het Nieuwe Testament tekent ons binnen een periode van enkele tientallen jaren en in een nog kleine gemeenschap een veelheid van ambtsnamen en ambtssituaties' (33.6). Het gezag dat het N.T. hierin volgens de schrijver heeft ligt primair daarin 'dat wij uitgenodigd worden om in onze situaties, die weer heel anders zijn dan die van Jeruzalem of Korinthe, op onze wijze naam en inhoud te geven aan de ambtelijke Christus-representatie die zich in het Nieuwe Testament bezig is veelvormig te constitueren' (33.6). En dan: 'Het wordt tijd, dat wij het Schriftgezag op dit punt verstaan als uitnodiging en gebod om vanuit hetzelfde evangelie op andere plaatsen en in andere tijden in de vrijheid des Geestes te zoeken naar die ambtelijke uitdrukkingen die de voortgang van het Woord en de opbouw van de gemeente het best kunnen dienen' (idem). En tot slot: Uit de gegevens van het N.T. op zichzelf 'kan nog geen normatieve visie op zin en inhoud van het ambt worden afgelezen' (34).
En dan te weten dat dit alles rust op een slechts vóóronderstelde en met de teksten zelf in strijd zijnde veelheid en diversiteit. Wat gemakkelijk en goedkoop maakt men op deze wijze zich af van het onderwijs der Schrift. Onder een schijn van een zekere wetenschappelijkheid. Immers het lijkt heel wat: de nieuwste resultaten van het historisch-critisch onderzoek der Schrift worden verwerkt. Daarin is de eenheid der Schrift al sinds lang taboe. Daarin wordt het één losgemaakt van het ander, om het daarna tegenover elkaar te stellen. Daarin slaat men rustig teksten over die met de theorie niet kloppen of zij worden als onecht aan de kant gezet. Daar in overheerst het menselijk vernuft de wijsheid Gods.
In het studierapport, in de zojuist geciteerde zinnen, komt ook voor de uitdrukking: de vrijheid des Geestes. In vrijheid des Geestes acht de schrijver zich gerechtigd om met voorbijgaan van de gegevens van het N.T. te mogen zoeken naar nieuwe 'ambtelijke uitdrukkingen' van de Christus-representatie. Het is dezelfde vrijheid des Geestes waarop al zo menigeen in het verleden zich beroepen heeft om zonder en tegen de Schrift in eigen weg te gaan in theologie en praktijk. Het is zonder meer een vorm van geestdrijverij die met de ware vrijheid des Geestes niets te maken heeft, want deze leeft bij het Woord van God. Het is niet het werk van de Geest om 'uit zichzelf' te spreken. Hij heeft zich gebonden aan het Woord van Christus (Johannes 16:13). Als het Schriftgezag voor ons niet meer te betekenen heeft dan slechts een 'uitnodiging' om op onze eigen wijze in onze tijd te doen zoals wij, in vrijheid des Geestes, menen dat het gebeuren moet, dan heeft die Schrift in feite in het geheel geen gezag, en moet men ook niet meer het woord 'Schriftgezag' gebruiken want dat is dan een innerlijke tegenstrijdigheid. Ook een heel ander boek dan de Schrift zou een dergelijke uitnodiging voor ons kunnen bevatten.
Een overbodige bijbel
Een niet bindende bijbel is voor mij een overbodige bijbel. Met andere woorden, er zou niets mee verloren zijn geweest in dien heel hoofdstuk 1 in dit studierapport had ontbroken. Om twee redenen: in de eerste plaats omdat het slechts beoogt aan te tonen dat er voor de visie op het ambt en de ambtspraktijk met het N.T. toch niets te beginnen valt, en in de tweede plaats omdat bovendien datgene wat hier aan tekstenmateriaal geboden wordt in het verdere verloop van het geschrift geen enkele rol meer speelt. Je vraagt je af: waarom dan nog zo'n begin? Een concessie aan de praktijk: je moet toch wel met de bijbel beginnen? In feite komt het er op neer dat met de bijbel wordt afgerekend. Wel stelt de schrijver (33.6) dat in het dogmatische gedeelte zal worden nagegaan wat voor ons in het N.T. 'bindend' is, maar men mag niet over het hoofd zien dat dit gezegd wordt pas nadat eerst de normatieve betekenis der N.T.-gegevens met zoveel woorden is ontkend, immers, 'het Schriftgezag', zo staat er, mag op dit punt niet als 'voorschrijvend en beperkend' worden opgevat. Van een werkelijke binding aan de Schrift komt dan ook, óók in het hoofdstuk over de dogmatische gezichtspunten, niets terecht.
Conclusie: de kerk zal gaan bepalen wat het ambt is en hoe het vorm moet krijgen in onze tijd, zonder daarbij uit te gaan van de Schrift, zonder aan die Schrift een allesbeslissend gezag toe te kennen. Met een rapport dat eerst die Schrift uit elkaar heeft gerukt en haar dan degradeert tot nog minder dan een aanhangsel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's