Zal de kerk haar eigen ambten vernietigen?
III
In het voorafgaande artikel hebben wij een critische analyse gegeven van het eerste hoofdstuk van het nieuwe ambtsrapport: Wat is er aan de hand met het ambt. De conclusie was dat door prof. Berkhof eerst de Schriftgegevens uit elkaar worden gerukt, naar het schijnt, om daarna te kunnen constateren dat ze zo ver van elkaar afliggen dat het niet mogelijk is er een eenheid in te ontdekken.
In dit derde, laatste, artikel volgen nog een aantal opmerkingen ten aanzien van de rest van het Rapport.
De waardering van Calvijns ambtenontwerp
Ook hier zien wij weer dezelfde methode toegepast, maar nu dan op het historische vlak. Waar het de schrijver om gaat is aan te tonen dat Calvijn onduidelijk en met zichzelf in tegenspraak is. Zo komt namelijk vanzelf de weg vrij tot iets nieuws.
Maar wat allereerst ons trof is de opmerking dat Calvijn op een 'geestelijke wijze' met de Schriftgegevens is omgegaan en een ambtelijke structuur heeft geschapen die beantwoordde aan de noden van zijn tijd (59). Mij is niet duidelijk wat hier bedoeld wordt met het woord 'geestelijk'. Blijkens de context moet het betekenen dat Calvijn uit de veelheid der Schriftgegevens gepikt heeft wat hij, in zijn tijd, gebruiken kon. Moet dat nu echter geestelijk worden genoemd? Ik dacht dat Calvijn zelf aan dit woord een heel andere interpretatie heeft gegeven, hij heeft er onder verstaan een geleid worden door de Geest, in gebondenheid aan het Woord!
Vervolgens, geconstateerd wordt door prof. Berkhof dat Calvijn vanuit zijn visie met grote vrijmoedigheid eeuwenoude tradities heeft opgeruimd en nieuwe ambtsgestalten heeft ontworpen (59). Het blijft in deze opmerking onduidelijk naar welke maatstaf Calvijn dit gedaan heeft. Maar het geeft te denken wanneer Berkhof telkens refereert aan de betrokkenheid van Calvijns ambtenontwerp op de eigen tijd. Te weinig of eigenlijk helemaal niet wordt er verband gelegd tussen de totale visie van Calvijn op Evangelie en kerk èn — als onderdeel daarvan — zijn ambtsleer. Waaròm kwam Calvijn tot dit ambtenontwerp? Het is zonder meer aanstotelijk wanneer Berkhof opmerkt dat Calvijn slechts beoogd zou hebben de ambtenstructuur 'aan te passen' aan het beeld dat het N. Testament daarvan geeft. Dit veronderstelt immers dat in feite Calvijns ambtenstructuur niet haar eigenlijke wortel in de Schrift heeft, zij zou daar slechts — achteraf — aan aangepast zijn. Zo'n opmerking betekent een totale miskenning van heel Calvijns theologische werkwijze.
Laatste opmerking in dit verband is: door Berkhof wordt gesproken van 'gewrongenheden' en 'onduidelijkheden' bij Calvijn. Ter illustratie volgt daarop een uiteenzetting van wat Calvijn in zijn Institutie en in zijn commentaren over de figuur van de ouderling heeft gezegd (61). Naar mijn gevoelen worden ook hier weer de verschillen veel groter gemaakt dan zij in feite zijn. Maar zelfs afgezien daarvan: de kwestie is niet in de eerste plaats uit welke verschillende teksten Calvijn de ouderling-figuur gehaald heeft, maar wat voor een figuur dit is. Welnu, op dat punt — en dat is hèt punt — is er bij Calvijn juist helemaal geen onduidelijkheid. Wáár Calvijn ook schrijft over de ouderling de vulling van dit ambt is overal hetzelfde. Berkhof heeft dat volkomen verwaarloosd, met als gevolg dat hij uitkomt waar hij wil uitkomen namelijk dat ook het ambtenontwerp van Calvijn berust op een tijdgebonden keuze.
Het collegiale en het persoonlijke element
Op twee plaatsen in het studierapport wordt hierover gesproken. In hoofdstuk III waar het gaat over de Nederlands-hervormde ambtspraktijk (68) en in het Aanhangsel (94). In het eerste geval horen wij dat er in onze kerk tussen de beide elementen, het collegiale en het persoonlijke, een onevenwichtigheid bestaat. Bovenlocale ambtsdragers ontbreken in onze kerk, er zijn alleen locale. Op het bovenplaatselijk niveau zijn er alleen maar de classicale vergaderingen en de provinciale kerkvergaderingen en de synode (dus colleges). Volgens Berkhof zit daar een onevenwichtigheid in. Duidelijk is dat hij wil naar zoiets als bovenlocale ambten, noem in dit verband het woord 'bisschoppen'. Dat dit laatste zo is, blijkt uit het Aanhangsel, waar staat: 'Er moeten (classicale?) provinciale en synodale ambtsdragers komen'. Evenals alle ambtsdragers wil Berkhof ook hen de naam 'oudsten' geven, je krijgt dan dus 'provinciale oudsten' en een 'synodale oudste'. Door deze terminologie moeten wij ons intussen niet laten misleiden. Het zijn bisschopsfiguren. Die bovendien zeker niet bedoeld zijn als op de achtergrond-blijvende figuren. Elders in het Rapport (77.5) staat dat de bovenlocale elementen in het ambt krachtiger naar voren hebben te treden (men lette op het woord: krachtiger).
Intussen, hiermee wordt heel onze gereformeerde kerkvorm vernietigd. Men kan er de oude gereformeerde kerkorden op nalezen, overal wordt de bisschopsfiguur afgewezen. Reeds de eerste Synode der Hervormde kerk in ons land, gehouden in 1571 te Emden, begint (let wel: begint) hiermee: 'Gheen Kercke zal over een ander Kercke, gheen Dienaer des Woorts, gheen Ouderlinck, noch Diaken sal d' een over d' ander heerschappie voeren, maar een yeghelijck sal hen voor alle suspicien, ende aenlockinge om te heerschappen wachten'. Dit was geheel in de geest van Calvijn, authentiek gereformeerd! Het kwam ook in onze Ned. Geloofsbelijdenis: 'Wat de dienaren des Woords betreft, zij hebben, op welke plaats zij ook zijn, gelijke macht en gezag, daar zij allen dienaren van Jezus Christus zijn, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd van de Kerk' (art. 31).
Natuurlijk kan gezegd worden dat deze bovenlocale ambtsdragers een dienende functie krijgen en dat zij verantwoording schuldig zullen zijn aan het college van ambtsdragers van hun ressort. Dat neemt intussen niet weg dat zij — indien de zaak doorgaat — kerkordelijke figuren worden, met bepaalde kerkordelijke rechten en bevoegdheden. Het is reeds van tevoren zonder meer uitgesloten dat deze bevoegdheden niet zouden komen in mindering op de bevoegdheden der plaatselijke ambtsdragers. Daar zij komen te staan boven méérdere andere ambtsdragers zullen zij bovendien hogere ambtsdragers worden. Met andere woorden: het ene ambt komt te staan boven het andere. Conclusie: het grondprincipe van het gereformeerde kerkrecht wordt begraven!
De vierdeling van het ene ambt
Een sterk op de voorgrond tredend gegeven in het nieuwe ambtsrapport is het voorstel van prof. Berkhof voortaan te spreken van vier ambten: de dienaar des Woords, de leraar, de herder en de diaken (80). De gegeven volgorde is gezien het geheel van het Rapport niet meer dan een zinledige aansluiting bij het gangbare spraakgebruik. Met evenveel recht had de leraar eerst genoemd kunnen worden of de diaken. Eigenlijk is er in dit Rapport in het geheel geen sprake van vier ambten, er is maar een ambt. Niet voor niets worden zij allen aangeduid als 'oudsten' (79). De vierdeling mist elke theologische zin; van de vier kan men er ook gerust vijf maken of zes, in willekeurige volgorde. De verdeling en het aantal der ambten is in dit Rapport namelijk een louter pragmatische, ontleend aan de situatie, de moderne tijd en haar eisen. De inslag van dit Rapport, vooral in het Aanhangsel (maar ook elders) is een sterk sociologische, in theologisch gewaad. De kijk op de behoeften van de moderne mens overheerst.
Door slechts één ambt te poneren dat dan — ten dienste van de praktijk — in vieren gedeeld wordt, vindt plaats een algehele nivellering van de kerkelijke arbeid. Of men nu preekt of een kring leidt of diakonaal werk verricht (waarbij het pleiten voor de gerechtigheid in de samenleving — revolutie? — niet vergeten is, (80.4) het is principieel gezien allemaal hetzelfde.
Vandaar dat ook zo gemakkelijk de gemeente kan worden opgedeeld in groepen. Het centrum is weg. Met dat centrum bedoelen wij de dienst des Woords, de prediking. Bij die dienst des Woords hoort de dienaar des Woords. Het is goed dat Berkhof hem er aan herinnert dat de hoogheid niet in hèm zit (72), maar hij had er aan toe moeten voegen dat het Woord dat hij brengt wèl hoog is, als goddelijk Woord hoger dan alle mensenwoorden. Maar juist dit laatste wordt in het Rapport gemist. Hèt structuurprincipe van de kerk is daarmee verloren. Wat wij overhouden is een binnenwerelds, pragmatisch, sociologisch patroon van kerkelijke functionarissen, noem ze maar ambtenaar.
Een denken vanuit de mens
Het is nog nooit anders geweest: elk ambtenpatroon is het resultaat van een bepaald theologisch denken; elke kerkorde heeft als basis een bepaald leerstelsel. Zelfs wie kiest voor een louter pragmatische organisatie van de kerk geeft daarmee blijk van een bepaalde theologische denkwijze. Men kan onmogelijk zomaar van kerkvorm veranderen zonder dat daarmee de leer der kerk onaangetast zou blijven.
Wij zien dan ook dat het ambtenontwerp van prof. Berkhof al dadelijk in strijd komt met bepaalde artikelen van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis. Maar dat niet alleen, eigenlijk met heel deze belijdenis.
Er wordt in dit nieuwe ambtenontwerp radikaal een knoop doorgehakt, namelijk de knoop die onze kerk bindt met haar verleden als kerk der Reformatie. Dat behoeft ook niet te verwonderen gezien hetgeen de schrijver zelf zegt over het verkondigen van de Christus in de voortgang der geschiedenis (37). Door de Geest wordt door ons, aldus de schrijver, de persoon en het werk van de aardse Jezus 'in telkens nieuwe accenten en bewoordingen' tegenwoordig gesteld. Even verderop wordt gesproken over een telkens opnieuw vertolken en toepassen van Christus' werk door Woord en Geest. Wat hier ontbreekt is dat de kerk in haar spreken over Jezus' persoon en werk niettemin gebonden blijft aan het eenmalig getuigenis van de Schrift! De deur wordt opengezet voor iets nieuws, waarvoor men zich dan meent te kunnen beroepen op de Geest, met andere woorden voor wat in de kerk altijd geestdrijverij is genoemd. In zo'n beschouwing is eigenlijk nog maar ternauwernood ruimte voor continuïteit. De kerk van nú kan in vrijheid haar eigen weg kiezen, los van wat de Schrift haar als absolute norm voorhoudt en los van haar reformatorisch verleden. De aansluiting in dit rapport, die af en toe gesuggereerd wordt, aan de gereformeerde traditie is dan ook maar schijn. Hier is niet een voortgaan op het oude spoor maar iets geheel nieuws.
Trachten wij het ambtenpatroon dat hier in dit Rapport ontworpen wordt theologisch te plaatsen, dan willen wij het typeren als een voorbeeld van het typisch moderne denken vanuit de mens. Terwijl in de Schrift (en in onze belijdenis) de openbaring van God uit naar de mens toegaat, vindt men hier een uitgaan van de mens, waarbij dan ook God nog wel aan de beurt komt, maar toch niet meer het eerste en het laatste woord heeft. Wat men tegenwoordig de verticaliteit noemt is ingebouwd in de horizontaliteit en daardoor geen èchte verticaliteit meer.
Een typisch voorbeeld hiervan biedt de definitie van het ambt (7). Deze luidt als volgt: 'Onder ambten verstaan wij die binnen een christelijke kerkgemeenschap algemeen erkende functies die zich van haar andere functies daardoor onderscheiden, dat zij het heil van Christus representeren en vertolken en dus doende de kerk met gezag bij zijn genade en bedoelingen bepalen.'
Wat opvalt bij deze definitie is allereerst dat elke verwijzing naar het Woord Gods ontbreekt. Het doet ons vragen hoe ooit werkelijk bijbels over het ambt gesproken kan worden zonder de relatie van het ambt tot het Woord te noemen. Is het ambt dan soms niet een goddelijke instelling? Is het niet dienst aan het Woord Gods? De apostelen zelf hebben dat centraal gezien in hun ambt (Hand. 6:1—6). Er is echter nog meer. Inplaats van deze instelling, verkiezing en roeping van bovenaf is in het studierapport, blijkens de definitie, gekomen de menselijke activiteit, namelijk zijn erkenning. Immers wat een ambt is wordt volgens deze definitie uitgemaakt door de erkenning die een bepaalde functie krijgt binnen de christelijke kerkgemeenschap. Als dit niet is een denken vanuit de mens wat dan nog wel!
De kerk is er ook mee aan de anarchie en de chaos overgeleverd. Ontelbaar zijn de functies die door deze of gene groep erkend kunnen worden als representatie van het heil van Christus; vandaag is het deze functie, morgen een andere. Elke norm ontbreekt. Een loslaten van het Woord Gods, de geestdrijverij heeft nog nooit tot iets anders geleid dan verwarring en ondergang.
Met zorg zien wij de tijd tegemoet dat hetgeen in dit Rapport als stof tot bezinning wordt aangeboden wellicht over enige tijd kerkordelijke vorm gaat krijgen. Reeds is men èn op het plaatselijk niveau èn in allerlei kerkordelijke bepalingen te ver gegaan op deze weg. De onevenwichtigheden die door Berkhof worden geconstateerd in onze huidige ambtspraktijk zijn niet te wijten aan het oorspronkelijke gereformeerde kerkrecht maar aan de afwijkingen daarvan. De kerk zou op haar weg moeten terugkeren. Nòg is het niet te laat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's