Nader antwoord
II
'Wanneer men het Oude Testament leest vanuit het Nieuwe is er een aantal dingen, die men overhoudt omdat men niet kan zeggen, dat zij in de komst van Christus reeds tot vervulling zijn gekomen.' Zo schrijft ds. Gerssen in het artikel De gereformeerde bond en de psalmberijming. In dit verband haalt hij de uitdrukking aan 'overschot van het Oude Testament'. Ook al zet men deze woorden tussen aanhalingstekens, dan kan ik het er nog niet mee eens zijn. Overschot dit is een restant, datgene wat niet benut is. Daarmee doet men tekort aan het Nieuwe Testament tegenover het Oude en dat kan ik niet aanvaarden. Maar daarmede doet de schrijver ook tekort aan de zin van het Oude Testament. — De uitdrukking 'wat is geschied' is op zijn minst hier verwarrend. Ik verwijs naar wat ik schreef in het vorige artikel: Het mindere van het Oude Testament wordt steeds meer in het Nieuwe in Christus, maar ook dat meerdere is niet alles. Ook het Nieuwe Testament is rijk aan profetische verkondiging.
Aardse verwachting?
Nu is het de vraag, of ds. G. gelijk heeft als hij spreekt over de aardse verwachting van het Oude Testament en in verband daarmede over de betekenis van de aardse goederen. Deze opmerkingen liggen in de richting van de stelling, die men nogal eens hoort: Het Oude Testament richt zich op de aardse dingen, het Nieuwe Testament op de dingen der eeuwigheid: Het Oude Testament is diesseitig, het Nieuwe jenseitig georiënteerd. Maar nòch het een, nòch het andere is waar. Daarover nu. Allereerst over het Oude Testament.
Het valt niet te ontkennen, dat in het Oude Testament een sterk accent valt op de beloften des Heeren voor dit leven. Denk aan Abraham: Aan uw zaad zal ik dit land geven Gen. 12:7, een belofte, die vele malen herhaald wordt. De Schrift is rijk aan toezeggingen des Heeren van een lang leven, van vruchtbaarheid, gezondheid en welzijn. Vooral in het boek Deut. b.v. h. 11:26vv. Zie ook h. 28 met zijn aangrijpende prediking van zegen en van vloek. Verder verwijs ik naar Jes. 1:19v, 3:10v.
Maar als men dan vraagt of deze dingen 'kenmerkend zijn voor de oudtestamentische vroomheid', dan antwoord ik hierop categorisch en ongenuanceerd: neen. Het Oude Testament heeft geen diesseitsreligie en evenmin een diesseitsmoraal. Als het in het Oude Testament alleen of in de eerste plaats om welvaart om uiterlijke rijkdom zou gaan, wat zou dan de moderne mens toch op het Oude Testament tegen hebben?
Is het vreemd, dat het Oude Testament vele malen over de aarde en de aardse dingen spreekt? Is het niet de levende God, de Schepper van hemel en aarde, die zijn schepsel in deze wereld heeft gezet? En de wereld waarin Hij de mens stelde was geen woestijn, noch ook een niet-leefbare wereld!
Perspectief van de schepping
En de scheppende majesteit Gods heeft een belofte in zich, waardoor in de meest benauwende omstandigheden in deze wereld de mens niet behoeft te wanhopen. De Heere heeft Zijn wereld (dikwijls wordt vergeten, dat deze wereld Gods wereld is Ps. 24:1) — niet geschapen tot een tohu (woord in Gen. 1:2 door de St. V. weergegeven met woest; N. Vert. baaierd), tot een 'chaos' maar tot een bewoonbare wereld. En de eeuwige schepper wordt moede noch mat. Hij zal zijn wereld dragen en daarom al die beloften voor het natuurlijke leven. Tegenover de dode afgoden, die ons net op het ogenblik in de steek laten als de nood aan de man komt, staat de heerlijkheid Gods, die Zijn volk niet in de steek laat. Ik noem slechts enkele stukken: Jes. 40:m 12vv; 41:17v., 43:1v; 16v. Maar deze wereld heeft geen grond van bestaan in zichzelf, geen raison d' être om de wereld zelf of om de mens in de wereld. Gen. 1 stelt de Heere voorop als de eerste, maar Hij is ook de laatste (Jes. 44:6 e.a.) en dat grootse begin opent perspectieven naar de finale triomf Gods over de machten van duisternis en dood, over de verdervende demonen van ongerechtigheid en zonde. Gen. 1 is open naar de eeuwige toekomst, naar een wereld die heerlijker en grootser zal zijn dan deze. Alle mogelijkheden, die God in Zijn schepping legde zullen dan werkelijkheid worden! Gods wereld heeft een eeuwige toekomst, waarvan ook het boek der Openbaring iets laat zien.
Wij leven in een gevallen wereld
Maar wat bezwaar is er dan tegen als men zonder meer van de aardse verwachting van het Oude Testament spreekt? In de eerste plaats, dat men altijd weer te veel uitgaat van de wereld, zoals die nu reilt en zeilt en daarmede te weinig let op de breuken in deze wereld, op de verwoestingen, die door de vloek der zonde in deze wereld zijn aangericht. Maar daarnaast is er — vooral — een ander argument. Het Oude Testament zou geen eeuwige toekomst kennen en van daar die hang naar de aardse goederen en de vervulling van Gods beloften hier, in deze bedeling. Calvijn heeft vlijmscherpe kritiek gegeven op zulke opvattingen: Laat ons verre van ons wegdoen deze onzinnige en verderfelijke mening, dat de Heere de Joden niet anders heeft voorgesteld of dat zij niet anders gezocht hebben dan de verzadiging van hun buik, de wellusten des vleses, bloeiende rijkdommen, uiterlijke macht, veelheid van kinderen en voorts al wat een vleselijk mens hoogacht (Inst. II, 10, 23, vert. Landwehr). Elders wijst Calvijn (Inst. II—10, 1) op de Wederdopers, die niet anders over het Israëlitische volk denken dan van een kudde zwijnen, die naar hun sufferijen en dromen van de Heere op aarde zou gemest en vetgemaakt zijn, zonder enige hoop op de onsterfelijkheid.
In het gehele Oude Testament vinden wij een spanning tussen wereldvergoding en wereldverachting. Daar is iets van de zelfde als in het Nieuwe Testament als het gaat over de dingen van het aardse leven. Paulus schrijft over het bezitten van de wereld als niet-bezittende, want de gedaante dezer wereld gaat voorbij. Voor de gemeente van de oudtestamentische bedeling was de spanning groter en zwaarder, omdat zij in de schemertijd van Gods openbaring heeft geleefd, waar over het eeuwige leven niet wordt gezwegen, integendeel, maar waar niet dat licht over de laatste dingen valt, als in de tijd van de nieuwtestamentische openbaring.
Profeten en aardse goederen
Het ging de Kerk des Heeren in het Oude Verbond niet om de aardse goederen, niet om het bezit van het land, maar om de dienst des Heeren in dat land, niet om leven en gezondheid zonder meer, maar om te mogen leven en de daden des Heeren te vertellen en de lof des Heeren te zingen in het land der levenden. Het ging hun niet om het dat van het bezit, maar om het hoe. Door de gehele bijbel en zeker ook door het Oude Testament loopt de vraag naar de zegen Gods, en zegen, dat is alles wat in Zijn gemeenschap brengt en bij die gemeenschap bewaart.
Maar wat deed Israël met de weldaden Gods voor het natuurlijke leven? Een werelds leven leiden en opgaan in de wereld en de dingen van de wereld. Met Gods goederen ging men de Baäls dienen en dan gaan de profeten tegen dit verwereldlijkte volk het Woord Gods verkondigen. De profeten waren extremisten; het ging hun om God, first and last, om Hem en Zijn dienst. De goederen, die God Zijn volk heeft gegeven hebben zich geschoven tussen God en Zijn verbondsvolk en scheiding gemaakt, dat terwijl de gaven Gods dichter bij Hem hadden moeten brengen. Hoe heeft de Heere dat volk niet gezegend. De gehele geschiedenis van Israël is één aaneenschakeling van uitreddingen. De natuurlijke goederen hebben een geestelijke zin, in die dingen treedt voor Gods kerk de gunst des Heeren voor de dag, hier tasten zij de goedheid van hun Verbondsgod. En voor de profeet zijn de ergste dingen, dat Israël de Heere heeft verlaten en andere goden heeft nagelopen. Men is geneigd in deze tijd te vragen: Man, waar maak je je druk om? Als de mens zich maar gelukkig gevoelt! Maar de taal van de profeet is emotioneel hartstochtelijk; hij weet van geen compromis. Israël heeft de Heere verlaten, dat is het ergste. Voor de profeten is er alleen leven in de gemeenschap met God en verharding tegen het Woord Gods betekent de dood. De profeet protesteert tegen de materialistische levenshouding van het volk. Alle aardse verwachting valt weg voor dat ene: de kennis des Heeren en het hopen op God. En de ergste dingen zijn het verlaten van de Heere. Jer. 2:12,13; Amos 6: 6. En als Israël Gods land (Jer. 2:7) verontreinigt, dan zal de Heere hun dat land ontnemen (Jer. 4:23 vv.). Voor Gods heerlijkheid en glorie moet alles vallen (Jes. 40:15 vv). De aardse goederen worden volkomen secundair, komen geheel op het tweede plan. Bij de profeten vinden wij een permanent protest tegen de overschatting van de materiële goederen, tegen de hoogmoed, tegen genotzucht als men uit de wereld halen wil wat er te halen is (in de grond is dat afgodendienst), vals zelfvertrouwen. Maar het gaat om het leven met God en leven, dat is den Heere toebehoren in die totaliteit van het bestaan, zoals het Oude Testament ons dat tekent en in die totaliteit waarop de Heere recht heeft. (Leven is Gottzugehörigkeit en daarom die eenheid van het geestelijke en het natuurlijke, want het Oude Testament legt de nadruk op de totaliteit van de mens). De profeten verkondigen aan het volk, dat er groter en mooier dingen zijn dan vooruitkomen in de wereld en vermeerdering van aardse goederen. In hun prediking is er het voortdurende protest tegen de overschatting van de materiële goederen. Het Oude Testament is een heimwee-roep naar God en Zijn gemeenschap en dat niet alleen in psalmen als ps. 42 en ps. 73. Er zijn zelfs belangrijker dingen dan het leven zelf! Uw goedertierenheid is beter dan het leven! Tot de rijkste dingen voor een mens op aarde te genieten behoren heil en vrede. En de profeten beschuldigen het volk ervan, dat zij de God huns heils hebben vergeten (Jes. 17:10). In de Heere onze God is ons heil! En dan is er heel wat meer aan de hand in deze woorden dan toezeggingen van uiterlijke goederen; ik herinner aan Jes. 46:13; 49:8. Aan de vromen kan enorm veel worden ontnomen, vlees en hart kunnen bezwijken, maar dan is God de rotssteen huns harten en hun deel in eeuwigheid (Ps. 73). Dan is er vreugde in hun hart meer dan bij de vermenigvuldiging van koren en most in het leven van anderen. (Ps. 4:7). Op de puinhopen van Jerusalem vindt de profeet rust in Zijn God, die Zijn deel is. Het leven van deze mensen is niet mislukt als de aardse dingen hen gaan ontbreken. De Heere is hun toevlucht (Jer. 16:19 e.a.). Zo loopt er rechtstreeks een lijn van het Oude Testament naar de belijdenis van de Kerk: De verberging van Gods aangezicht is de dood en leven is het lichten van Zijn aanschijn. En zoude dan voor deze mensen een aardse verwachting kenmerkend zijn voor hun vroomheid? De profeten halen aardse verwachtingen neer en de kerk zal er vandaag goed aan doen met deze prediking in een wereld als waar in wij vandaag leven van Gods grote heil te getuigen. Men droomt van een eeuwig aards paradijs, dronken als men is van de triomfen van wetenschap en techniek, als men — weer — grijpt naar idealen uit de oude tijd: wijsheid, macht en rijkdom. Maar Jeremia vraagt: Zij hebben des Heeren Woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben? (Jer. 8:9). De wijze roeme niet in z'n wijsheid en de sterke niet in zijn kracht en de rijke niet in zijn rijkdom, maar wie roemt roeme hierin, dat hij verstaat en kent, dat ik de Heere ben, doende weldadigheid en recht en gerechtigheid, want in deze dingen heb ik lust, zegt de Heere (Jer. 9:23, 24). Zo wordt de gebrokenheid van deze wereld blootgelegd, als de schuld van het volk ontdekt wordt in het verlaten en vergeten van Hem, die de zeer overvloedige fontein is van alle goed (N.G.Bel, art. 1). Zonder de vreze des Heeren is er geen verwachting van heil.De profeten tekenen met donkere kleuren de afbraak van staatkundig en maatschappelijk leven, waar een volk in alle dingen rijk wil zijn behalve in zijn God. (Jer. 4:23 vv; Jes. 10:23).
Eschatologische verwachting
Ik moet het bij deze enkele aanduidingen over de betekenis van de aardse goederen wel laten. Waar dit echter de grondtrekken zijn, daar kunnen wij niet verwachten, dat de eindverwachting van Israël een aardse gedaante heeft. Het eschatologische heil wordt altijd weer in aardse kleuren geschilderd. (Jes. 9:1v, 35:10, 55:12, 65:18, om mij tot deze profeet te beperken.)
Alle lijnen van het Oude Testament lopen uit in het Nieuwe. Ook de profetische prediking grijpt boven zich zelf uit en daarmede spiritualiseren wij de boodschap van het Oude Testament niet, noch ook doen wij aan de beloften tekort, maar herinneren hier aan de schaduwen van het Oude Testament, ook in de oudtestamentische profetieën. Ik verwijs hierbij nog naar Calvijn: In de aardse bezittingen die de Israëlieten genoten, hebben zij als in een spiegel aanschouwd de toekomende erfenis.
Spiritualisering?
Met de term spiritualisering wil ik erg voorzichtig zijn. Wordt niet meer dan eens in deze tijd met een beroep op de kwalificatie spiritualisering, het spirituele overboord gezet, waarna men op wereldse wijze materialistisch, het materiële binnenhaalt? En daarmee staat het gevaar van een verwereldlijkte kerk levensgroot voor ons. Of is dat in deze tijd soms niet zo? Gevaar voor spiritualisering van het heil, neen dat wil ik niet, te rijk aan vertroosting is daarvoor, dat de Kerk des Heeren altijd weer belijden mag: ik geloof de wederopstanding des vleses, een zaak, die aan het Oude Testament niet vreemd is. Holwerda heeft sterk gewaarschuwd voor versmalling van de inhoud der Schrift (dus èn van het Oude èn van het Nieuwe Testament) tot het thema God en de ziel. Wel zou ik willen vragen: De ceremoniële dienst van het Oude Testament is die in het Nieuwe gespiritualiseerd? Mag dat niet? De apostel Petrus spreekt van de geestelijke offeranden, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus. Maar die geestelijke offeranden behoeven toch niet immaterieel te zijn, wel? Ik herinner ook aan Paulus' prediking over de geestelijke spijze en de geestelijke drank in 1 Cor. 10.
Waarom ik zo erg sterk inga tegen 'aardse verwachting' is ook omdat ik ervoor bedank om het theocentrische Woord der openbaring van de levende Geest anthropocentrisch of kosmocentrisch te gaan lezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's