Nader antwoord
III
En nu het Nieuwe Testament
Mag men zeggen, dat de aardse dingen en de beloften ten aanzien van het natuurlijke leven in het Nieuwe Testament niet of niet voldoende aan hun trek komen? 'De gewone dingen van het dagelijkse leven, de sexualiteit, de cultuur, de humaniteit en de maatschappij, de dingen, die de christenen altijd dwars gezeten hebben'. Ik kan het niet anders zien dan dat ds. Gerssen wil zeggen, dat het Nieuwe Testament hier te kort doet aan het Oude Testament, dat hier boven het Nieuwe Testament heen grijpt.
Ook dit moet ik bestrijden: noch ten aanzien van de vragen over wereldvergoding en wereldverachting, van de vragen over de zin van de dingen van het gewone leven, noch ook ten aanzien van de eschatologische verwachting staat het Nieuwe Testament wezenlijk anders dan het Oude Verbond.
Ik moet mij wel sterk beperken en noem slechts enkele momenten uit het Nieuwe Testament, dat de dingen van deze wereld heus niet met enkele woorden afdoet. Neem alleen het woord wereld. Bij elke tekst moet men zich afvragen, niet alleen welk woord wordt hier in het Grieks gebruikt, maar ook welke wereld wordt bedoeld, de Gode vijandige wereld, de wereld als schepping Gods, de wereld in de zin van aarde in tegenstelling met de hemel(en) of ook de wereld met zijn vreugden en zorgen, waarin de mens zijn gewone leventje leeft.
Aardse goederen secundair
De zuiver aards-natuurlijke levensvragen van gezin en maatschappij, van gezondheid en werk, van huwelijk en bezit komen tegenover de grote vragen van geloof en bekering alle op de tweede plaats. Zoek eerst het koninkrijk Gods. Het Nieuwe Testament toont in machtige visioenen de toekomst van het koninkrijk Gods. Dit stuk doorlevende kwam de kerk tot de belijdenis over de voltooiing van de verlossing. 'En als een genadige vergelding zal de Here hen zulk een heerlijkheid doen bezitten, als in het hart van een mens nooit zou kunnen opkomen (1 Cor. 2:9). Daarom verwachten wij die grote dag met verlangen om ten volle de beloften Gods in Jezus Christus onzen Here te genieten' (slot Ned. Gel. Bel. art. 37).
Wereldmijding?
Betekent dit, dat deze wereld, waarin de Here ons een plaats geeft en werk, niet meetelt? Stelt het Nieuwe Testament tegenover de vergoding van de wereld bij velen hier de wereldverachting, de wereldmijding en de wereldvlucht? Dat is niet te handhaven. De apostel kent de vreemdelingschap van de kerk Gods in deze wereld, maar hij wijst ook, echt niet zo maar terloops als op iets wat er nauwelijks bijhoort op de zuchtende schepping, die uitziet naar de openbaring van Gods kinderen, Rom. 8:19 vv. Met de bevrijding van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid bedoelt de apostel de eschatologische vernieuwing van heel de kosmos, waarin de dood, die het leven tot ijdelheid maakt, zal zijn teniet gedaan (Ridderbos, Romeinen).
Nu wandelt de christen in deze wereld (1 Cor. 1:12). Hij kan die niet ontvluchten (1 Cor. 5:10), mag die ook niet ontvluchten. Eerst op Gods tijd zal hij worden afgelost van zijn post. En in Evangeliën, èn elders in het Nieuwe Testament komt aan de dag, dat de dingen van het gewone leven meetellen. Kan het ook anders? Heeft Christus zijn volk niet met lichaam en ziel gekocht en zich tot een eigendom gemaakt en zal Hij dan niet voor hen zorgen, ook in het dagelijkse leven? Tenslotte gaat het om het eigendomsrecht des Heren over zijn kerk, dat beslist over hun levenshouding hier. Wat elders staat: in de wereld en toch niet van de wereld. 1 Cor. 6:13v; 19v. Waar het eigendomsrecht des Heren over de gehele lengte en breedte van het leven erkend wordt, daar ontstaat een levenshouding, die bovenwerelds genoemd kan worden, of on-werelds, een leven waarin de werken der duisternis en des vleses worden ontvloden en waar gewandeld wordt naar de Geest. Zo wijst de apostel op de gevaren van het gelijkvormig worden aan deze wereld. Het levenspatroon van de christen moet niet gelijkvormig zijn aan dat van de wereld. Daartoe is nodig, dat de mens veranderd wordt, een metamorfose ondergaat (dat woord staat in Rom. 12:2) door een vernieuwing van binnen uit. 'De innerlijke gezindheid en denk- en levensrichting moet vernieuwd worden om de wil des Heren te leren onderscheiden' (Van Leeuwen bij Rom. 12:2). Wie God vreest moet in de wereld onwerelds leven. Hij staat innerlijk anders tegenover de dingen van dit leven dan de mens van de wereld. Hij mag de wereld gebruiken zonder haar te misbruiken b.v. door hebzucht waardoor hij de dingen vergoddelijkt. Hij mag niet alles in de wereld maar laten gaan en staan zoals het komt. Maar als hij zorgt en werkt (2 Thess. 3:6v) dan doet hij dat op een andere basis dan de wereldse mens. Hij weet distantie te nemen van alles wat in de wereld is. De dingen, die in deze wereld zijn zijn toch het eigenlijke niet, zij behoren tot de voorlopige. Wie met de wereld omgaan, moeten dat doen als zulken die zich niet aan haar overgeven, zo zou men het woord van de apostel 1 Cor. 7:29vv kunnen weergeven. Het geluk van wie God vreest hangt niet af van het slagen in de wereld. Gebruiken, niet misbruiken! Wat moeten we daarmee? Bengel schrijft puntig: utendum, non fruendum: gebruiken, niet genieten. Zijn hart behoort ongedeeld aan de Here toe. En voorts de tijd is kort, de gedaante dezer wereld gaat voorbij (d.i. het schema van deze kosmos gaat voorbij).
Maar als er sprake is (Rom. 8:13) van het doden van de werkingen des lichaams door de Geest, betekent dit dan geen wereldvlucht, een soort ascese als bij de heidenen gevonden werd?
Dit sluit niet de voorstelling in, dat het lichamelijke als zodanig en uit zichzelf zondig zou zijn, maar het gaat om de vleselijke gezindheid (vs. 12) om onthouding in de zin van Gal. 5:24, het kruisigen van het vlees. Voor de christen is de wereld een gekruisigde.
Rijke armen van geest
Op nog een enkele tekst wil ik wijzen: Alles is uwe; hetzij Paulus hetzij Apollos, hetzij Cephas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe, doch gij zijt van Christus en Christus is Godes (1 Cor. 3:22v). Paulus veracht de wereld niet en haar goederen. Alles is uwe: 'alle dingen, gedetailleerd in een opsomming, die men niet zonder reden de inventaris van de eigendom der kinderen Gods heeft genoemd' (Godet) de gehele schepping zichtbaar en onzichtbaar, daarin inbegrepen 'alle machten van leven en van dood, van de tegenwoordige en toekomende wereld — in hemel en op aarde (Bengel) — zijn des christens; hij zal de aarde beërven; alles werkt mede ten goede, Rom. 8:28. De christen mag op de wereld beslag leggen want alles is van hem, om Christus wille, zoals Abraham het land doortrok, dat hem toegezegd, overal altaren bouwende voor de naam des Heren: Hij legde beslag op dat land voor de Here Zijn God. De christen heeft de wereld, omdat en voorzover hij Christus heeft en zich Zijn eigendom mag weten. Anders heeft de wereld hem en de wereld gaat voorbij.
Eschatologisch uitzicht
Het is de gehele wereld, die in het einde betrokken wordt. Want wij verwachten naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont. Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede. 2 Petr. 3:14.
Hier wordt het aardse niet miskend noch aan het aardse tekort gedaan. Gods schepping heeft een eeuwige toekomst. Dwars door alles heen gaat het naar de voltooiing van Gods eerste schepping, naar volmaking, waarin de beloften van Oud- en Nieuw Testament tenvolle zullen worden verwerkelijkt! En Gods kerk vlucht uit de tegenwoordige boze wereld, die ten vure gedoemd is naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Hij is hier vreemdeling en bijwoner — net als in het Oude Testament. Hij heeft de belofte: De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de beloften van het tegenwoordige en het toekomende leven, ook dus voor het tijdelijke leven. In 1 Tim. 6 over de gevaren van de rijkdom sprekende schrijft Paulus over God, die ons alle dingen rijkelijk geeft om te genieten. (Smelik tekent hierbij aan: Het 'om te genieten' van de St. Vert, is wat te uitbundig). De Here verleent de dingen, daar gaat het in dit woord om, opdat de rijke rijk zij in goede werken. Wie God vreest is geen slaaf van de wereld, van zijn goederen, van zijn passies, welke die ook mogen zijn, dat alles is de levenshouding van de heiden.
Discontinuïteit in het wezenlijke?
Ik moet nu deze stukken afronden. Ik aanvaard geen tegenstelling tussen het Oude en het Nieuwe Testament in de waardering van de natuurlijke goederen, geen tegenstelling ook ten aanzien van de eschatologische verwachting. De teneur in beide is gelijk: zij zijn van eenzelfde gehalte en in wezen van eenzelfde inhoud. Het is de ene, zelfde Geest, die de geloofswereld van Oud- en Nieuw Testament doorademt. Er is geen kwalitatief onderscheid tussen beide; misschien zouden wij mogen zeggen: kwantitatief is er verschil. En daarbij herinner ik aan een woord van Calvijn: De heilige kinderen Gods onder het Oude Testament hebben dit sterfelijke leven en de zegeningen daartoe behorende in meer waarde gehouden dan ons in deze tijd zou betamen (Inst. II-11, 3).
En overigens: Zou er niet veel waarheid zitten in het woord van Von Rad: Voorzover de kerk schaduw is van het toekomstige, gelden van haar de schaduwen van het Oude Testament.
Geen joodse exegese
Bij het uitleggen van het Oude Testament kan niet genoeg worden vastgehouden aan de eenheid van beide: het Nieuwe Testament veronderstelt het Oude. Bij het uitleggen van het O.T. staat mij menigmaal het woord van Franz Delitzsch voor ogen: Ziet de uitlegger van het Oude Testament ook maar een ogenblik af van de concrete tegenwoordigheid van Jezus Christus in Israël, dan bedrijf ik joodse exegese. En dat zegt de man, die meer dan iemand van de oudtestamentici van zijn tijd gedaan heeft voor het juiste verstaan van Israël door de christelijke kerk.
Een vraag
En tenslotte: Mag ik aan ds. Gerssen de vraag, die Vriezen ergens stelt voorleggen: Houdt de schrijver wel voldoende eschatologie en theocratie uit elkaar?
Slot
Bij Antikritiek en Nader Antwoord stond mij toch wel voor ogen wat Comrie schrijft in het examen van tolerantie: Er moet tolerantie plaats hebben tussen de leraars onderling omtrent de uitleg van de Schrift, wetende hoe bekrompen onze kennis is. — Maar boven alles geldt: De Heilige Schrift is de hoogste rechter van de verschillen (sacra scriptura supremus judex controversiarum).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's