Boekbespreking
McMillen: Vermeidbare Krankheiten, Uitgave Aussaat Verlag, Wuppertal; 160 pagina's.
De schrijver van dit boek, arts van professie, merkt op dat in 60 van de 100 gevallen gevoelsbewegingen als vrees, verdriet, nijd, ergernis en haat verantwoordelijk zijn voor ziekten. Hij signaleert dit verschijnsel in dit boek aan de hand van tal van gevallen uit zijn practijk of ook aan de hand van meer algemene voorbeelden. Ten diepste loopt er één rode draad door dit boek, namelijk dat ziekte en dood een gevolg zijn van de zonde. Bij de behandeling van allerlei patiënten had de schrijver vaak het gevoel dat hij meer moest geven dan medicijnen, omdat aan de ziekte een wortel ten grondslag lag, waarover de bijbel een helder licht laat schijnen en waarvoor de Bijbel derhalve ook de uitweg ter genezing wijst. De toestand van het lichaam heeft alles te maken met de toestand van de geest van de mens. De schrijver merkt zo b.v. over David op dat deze, ondanks alle gevaren die hem overkwamen, gevrijwaard bleef van psychosomatisch lijden, doordat hij zijn vertrouwen op God stelde. In dit verband merkt hij ook op dat geen recept meer ziekten genezen heeft dan Psalm 23: De Heere is mijn herder.
Zo komt er in dit boek veel aan de orde, b.v. het verband tussen roken en vaatziekten, waarbij de schrijver wijst op het bijbels vermaan dat het lichaam een tempel van de Heilige Geest is, of de geslachtziekten, waarbij de schrijver laat zien wat de bijbel zegt over de gevolgen van ontucht. Treffend is verder wat de schrijver ons tekent uit het leven van de Amerikaanse milliardair, J.D. Rockefeller. Zijn vermogen steeg, maar hij wendde het aanvankelijk alleen ten eigen bate aan. Maar toen hij 53 jaar was was zijn lichaam een wrak geworden omdat het in het geheel geen voedsel verdroeg. Toen kwam er een ommekeer in zijn leven. Hij stelde zijn vermogen in dienst van anderen, in dienst van armen en lijdenden. Zijn lichamelijke constitutie wijzigde zich. Uiteindelijk werd hij 98 jaar.
Zo zou veel meer te noemen zijn uit dit mooie boek. Voor wie de Duitse taal geen bezwaar is willen we dit boek graag ter lezing aanbevelen. Het vraagt aandacht voor een zaak, die door de geweldige vlucht van de medische wetenschap eigenlijk op de achtergrond is gekomen, maar die we als christenen, die bij de bijbel willen leven, toch in zijn bijbelse ernst en realiteit dienen te onderkennen en te waarderen. Ten zeerste aanbevolen.
Nel Benschop: Een boom in de wind; Uitgave J.H. Kok N.V., 50 pagina's; ƒ4,95.
De dichtbundel Gouddraden uit vlas van Nel Benschop, die we reeds bespraken, bereikte in zeer korte tijd een derde druk. Wel een bewijs dat de verzen van Nel Benschop aanslaan. We hopen dat het deze bundel verzen, 44 in totaal, op dezelfde wijze zal vergaan. Het zijn prachtige gedichten. Ze zijn geïnspireerd door een bepaald bijbelgedeelte (bv. een prachtig vers over Habakuk 3:17—19), door het kerstgebeuren, de lijdensgeschiedenis of het paasevangelie. We mogen dankbaar zijn voor deze positief Christelijke versbundel. In een tijd waarin de christelijke dichtkunst steeds zeldzamer wordt is het een verkwikking een dergelijke bundel te lezen. Ten zeerste aanbevolen.
F.J. Lammers: 'Juliana Regina 1970'; Uitgave Hollandia N.V., Baarn; ƒ3,90.
Al vanaf 1 september 1948 geeft de uitgeverij Hollandia te Baarn een jaarlijks overzicht in woord en beeld van de gebeurtenissen rondom het koninklijk gezin. Thans verscheen het tweeëntwintigste deel. Het loopt van 1 september 1969 tot 1 september 1970. Het is opnieuw een prachtig platenboek geworden. De foto's geven, samen met de onderschriften en de teksten tussen de foto's, een boeiend overzicht van al de momenten waarop de koninklijke familie of enkele leden daarvan in het centrum van de belangstelling stonden, b.v. na de geboorte van twee prinsjes en bij de doop van beiden in Utrecht; verder de reis van prins Bernhard naar het Verre Oosten of Prinjesdag 1969.
Van harte aanbevolen. Deze Oranje-Kroniek groeit langzamerhand aan tot een omvangrijk werk. De lage prijs maakt het echter mogelijk dat ieder zich ervan in het bezit kan stellen.
A.A. van Ruler: Waarom zou ik naar de kerk gaan? Uitgave G.F. Callenbach N.V. Nijkerk; 175 pagina's; ƒ12,50.
De diverse hoofstukken van dit boek zijn als artikelen geschreven in 'De Kerkvoogdij', het maandblad van de Vereniging van Kerkvoogdijen in de Ned. Herv. Kerk.
In totaal geeft de schrijver 21 antwoorden op de vraag: Waarom zou ik naar de kerk gaan? Daarvan noemen we: Om een kans op bekering te lopen; om de traditie voort te zetten, om in de gemeenschap te worden ingelijfd, om de zin van de zondag te verwerkelijken, om gesticht te worden, om de verlossing van de wereld te vieren.
Elk van de hoofdstukken is geladen met diepe gedachten, geformuleerd in beeldende taal, vaak op speelse wijze, professor Van Ruler eigen. Wie zijn theologische werken gelezen heeft herkent op allerlei punten het eigene van deze grote Nederlandse theoloog. Aan de ene kant de aandacht voor het innerlijk, voor het geestelijk leven, de bevinding. Daarnaast echter de aandacht voor de wereld, de cultuur, het wereldwijde perspectief van het evangelie. Maar er is een nieuwe dimensie bijgekomen. De schrijver zegt zelf dat deze bundel een koerswijziging in zijn denken markeert. 'Ik heb de liturgie ontdekt! Op alle bladzijden van dit boek doe ik niet anders dan vertellen wat ik in de Janskerk te Utrecht zondag aan zondag beleefd heb (in de diensten van de universiteitsgemeente, J. v. d. G.) gedurende een jarenlange periode, waarin ik er uit gezondheidsoverwegingen niet op uit kon trekken om zelf het Woord te bedienen en de liturgie te leiden'.
De overwegingen in dit boek heeft prof. Van RuIer dan ook niet als prediker, zoals hij zelf zegt, geschreven, maar als kerkganger. Als kerkganger, die zich in de genoemde universiteitsdiensten door tal van punten aangesproken wist, maar die anderzijds in de diensten ook enkele dingen miste. Wat dat laatste betreft merkt hij op dat hij in die diensten het element van 'een kans op bekering te lopen' miste; dat de onversneden gereformeerde leer van de predestinatie er nu en dan zelfs met zoveel woorden werd geloochend; dat er weinig werk gemaakt werd met de ontdekking van de zondaar aan zichzelf; en dat er te weinig in doorklonk van de volle vreugde van de door Christus aangebrachte verlossing.
Deze manco's zijn niet gering. Het zijn de elementen die in de prediking van het Gereformeerd Protestantisme hoog genoteerd staat, de opmerking van prof. Van Ruler ten spijt dat de zuivere leer van het zondaar zijn van de mens 'toch zeker niet in de rechtervleugel van het Gereformeerd Protestantisme' wordt aangetroffen.
We vragen ons zelfs af of de echte liturgie, de echte lofprijzing in de eredienst wel gestalte krijgt als daarin niet de volle vreugde van de verlossing in Christus vertolkt wordt tegen de achtergrond van de ontdekking van de mens als zondaar voor God. Het zijn vragen die zich onweerstaanbaar opdringen. Maar verkwikkend is in dit boek toch wel de nadruk op het unieke, het onmisbare van de eredienst. Wat een prachtige passages bevat dit boek over het wezenlijke van de verkondiging of over het zingen van de gemeente 'De gemeente zingt' zegt de schrijver. 'Ook de oude mannen en vrouwen, die thuis nooit meer zingen, daarvoor is het leven te ernstig geworden, zingen. Misschien is dit wel één van de meest ontroerende dingen. Persoonlijk heb ik dit tenminste zo bij mijn eigen vader beleefd: Hij zong mee als hij in de kerk was! En ik zat naast hem en hoorde hem zingen! In het lied krijgt de lofprijzing over de volmaakte redding van de zondaar uit de eeuwige verlorenheid gestalte. In de lofprijzing zit ook de siddering van de schrik, zegt prof. Van Ruler. Of het echter zo is dat het tot het eeuwige leven behoort dat we zelfs over onze verlorenheid kunnen lof zeggen, komt op z'n minst vreemd voor. Niet over de verlorenheid zelf gaat de lofzegging, maar over de verlossing eruit. Dit is wel iets anders. De verlorenheid zelf is de duisternis van onze onafzienbare schuld. Hoe zou daarover de lofzegging mogelijk zijn? Of bedoelt de schrijver hier de lofzegging over het recht Gods?
Tenslotte wil ik nog één element lichten uit dit boek. De verbinding tussen de eredienst en het leven van elke dag wordt allerwege in dit boek gelegd, en in zekere zin terecht. Toch begin ik steeds meer vraagtekens te plaatsen achter de optimistische kijk van professor Van Ruler op de wereld. Ik bedoel het woord optimistisch niet in oppervlakkige zin. Prof. Van Ruler denkt vanuit het einde, vanuit de volkomenheid van het Rijk. Maar te weinig functioneert de gedachte dat Christus eenmaal Zijn vijanden onder zijn voeten werpen zal. O zeker, die gedachte is er wel in. Van Ruler wijst ook op de mogelijkheid dat God een land verlaat met het evangelie. Maar het apocalyptische van onze tijd klinkt toch te weinig door. Daarom, de theocratische visioenen van prof. Van Ruler, die ook door dit boek heen geweven liggen, hebben enerzijds wel in zich de noties van de bijbelse toekomstverwachting, maar toch niet alle bijbelse noties.
Met deze opmerkingen willen we deze bespreking besluiten. Het is een pakkend en rijk boek. Maar de nadruk op de liturgie — op bepaalde vormen ook — in de eredienst heeft toch ook consequenties die ons niet bevredigen kunnen, ook al wijst prof. Van Rulef er terecht op dat in de vroom klinkende leuze van vernieuwing van oude vormen een verwerping kan schuilen van het apostolisch evangelie, een ergernis tegen dat evangelie.
Maar men leze dit boek zelf. Het boek is te geladen van inhoud dan dat er in het kader van een bespreking als deze de essentie van kan worden geraakt.
Dr. A.J. Jelsma, Adriaan van Haemstede en zijn martelaarsboek, 326 blz., prijs ƒ15, uitgave van Boekencentrum N.V. te 's-Gravenhage.
Het is de Gereformeerde Haagse predikant ds. A.J. Jelsma, die op dit onderwerp is gepromoveerd aan de Vrije Universiteit. Wij willen hem daarmede gelukwensen. Het is een goede zaak, dat hij de minder bekende figuur van de schrijver van het martelaarsboek voor het voetlicht getrokken heeft. Dr. Jelsma is gepromoveerd bij prof. Nauta. Van hem heeft hij de nodige scholing ontvangen voor het noodzakelijke 'opsnuffelen' en ordenen van alle bereikbare historische gegevens en het documenteren op grond van deze gegevens van z'n conclusies tegenover anderen, die soms een ander licht op deze omstreden figuur deden vallen. Wij mogen Dr. Jelsma de eer van een goed opgezet wetenschappelijk historisch werk niet onthouden, al blijkt ook in dit werk, dat ook de historicus zijn subjectieve sympathie of antipathie meebrengt. Ik laat het nu bij deze korte aankondiging. Gaarne wil ik t.z.t. in dit blad een paar artikelen aan deze dissertatie en het daarin behandelde onderwerp wijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's