Kinderen aan het Heilig Avondmaal?
I
In de uiteenzetting van zijn gedachten over dit onderwerp voor zijn gemeente Leidschendam zegt ds. Boonstra, dat hij bang is, dat handhaving van de openbare belijdenis betekent, dat aan de waarde van de Doop wordt tekort gedaan, omdat deze in feite aangevuld moet worden door de eigen belijdenis. Ik meen, dat deze kijk op de belijdenis toch van een ernstig misverstand blijk geeft. De opvatting dat de belijdenis aanvulling zou zijn, ben ik nooit tegengekomen.
Ik behoor allerminst tot degenen, die de waarde van, de Doop zouden willen miskennen. Wie in de jaren '66—'69 mijn artikelen over Doop, belijdenis en Avondmaal gelezen heeft, weet wel beter.
Ds. Boonstra wil aan het einde van zijn uiteenzetting twee hoofdlijnen aangeven, die z.i. bepalend zijn, nl.:
1. denken vanuit de H. Doop;
2. binding aan de catechese.
Ik wil daarin gaarne met hem meegaan. Ds. B. heeft daarbij blijkbaar het oude formulier (form. I uit het Dienstboek) voor zich gehad en resumeert (de nummering is van mij, v. d. W.):
1. de Doop is opname in de gemeente van Christus;
2. hij lijft ons in de gemeenschap Zijns doods en Zijner Wederopstanding in;
3. 'dat Hij (de H. Geest) ons door het H. Sacrament tot lidmaten van Christus heiligen wil.'
Hierbij moge ik een aantekening maken. Want hier is het formulier niet juist gelezen en verstaan. Er staat niet dat de H. Geest ons door dit Sacrament tot lidmaten van Christus heiligen wil. Maar er staat, dat de H. Geest ons door dit Sacrament verzekert, dat Hij ons tot lidmaten van Christus heiligen wil. Dit is nogal een belangrijk verschil. Er staat niet, dat de H. Geest ons op dit moment daartoe heiligt of geheiligd hééft, maar dit is de zichtbare prediking en bekrachtiging van de bereidwilligheid Gods (in dit geval van God de H. Geest) om ons te heiligen en ons toe te eigenen wat ons objectief in Christus geschonken is. Deze bereidwilligheid wordt ons als het ware tastbaar gemaakt. Dit is een belofte, waarop wij bij het opvoeden en bij het opgroeien mogen pleiten. Zij zegt niet dat het al gebeurd is. Wat er gebeurd is (en dat mag niet onderschat worden), is dat God met Zijn beloftevol genadeverbond gekomen is. Maar die belofte is ook weer niet een soort profetie van iets wat zeker gebeuren zal. Het is niet iets, waarop iemand zonder meer rustig het hoofd zal kunnen neerleggen, omdat de verzoening met God door de Doop hem zodanig is bevestigd, dat de roepstem 'laat u met God verzoenen' en de oproep tot bekering voor hem geen zin meer heeft.
Ds. Boonstra noemt dan nog als:
4. dat zij daarom als lidmaten van Zijn kerk (gemeente) behoren gedoopt te wezen.
Afgedacht van mijn kanttekening bij 3, wil ik niets afdoen van hetgeen ds. B. uit het formulier aanhaalt. Het is echter maar de vraag, welke interpretatie men aan deze uitdrukkingen geeft en welke consequenties men er uit trekt.
Ds. B. zegt: de bijbelse noties laten er geen twijfel over bestaan, dat de H. Doop het kind, dat gedoopt wordt, lidmaat maakt van de gemeente van Christus en toegang geeft tot de Maaltijd des Heren.
Hier moet ik bezwaar aantekenen.
Vooreerst: het is niet zo, dat volgens het formulier de kinderen lidmaat gemaakt worden door de H. Doop. De Sacramenten geven nooit iets nieuws. Ze bevestigen alleen wat God gegeven heeft in Zijn belofte, ook in de belofte, dat Hij Zijn verbond opricht met de gelovigen en hun kinderen. Er is inderdaad voor onze Vaderen geen twijfel aan, of de jonge kinderen zijn reeds vóór de Doop in het Verbonds Gods en in Zijn gemeente begrepen. Dáárom worden ze gedoopt. Het is alleen zaak te onderscheiden, hoe ze er toe behoren. Zowel het Oude als het Nieuwe Testament laten duidelijk zien, dat er tweeërlei kinderen des verbonds zijn. Er zijn steeds twee lijnen. De éne is die, volgens welke allen, die tot het volk des verbonds behoren, daarop worden aangesproken. De andere lijn geeft de discrepantie aan tussen het feit, dat men tot het verbond behoort en toch niet uit dat verbond en naar dat verbond leeft. Heel Israëls geschiedenis is daarvan de illustratie. Ondanks tempeldienst en offeranden, zegt God: 'wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in Uw mond?' (Ps. 50:16).
Christus tast de pretentie 'nakomelingen van Abraham' te zijn en daarom kinderen des verbonds, krachtig aan en zegt: 'God is machtig uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken.'
Zij zijn inderdaad 'kinderen des koninkrijks', maar velen zullen komen van oost en west en zullen aanzitten met Abraham, Izaäk en Jacob in het koninkrijk der hemelen, maar de kinderen des koninkrijks zullen buitengeworpen worden. De wijze en de dwaze maagden gaan samen de bruidegom tegemoet, maar de laatste kloppen vergeefs aan. De bruidegom kent ze niet. Niet de besnijdenis in het vlees maakt den Jood, maar de besnijdenis des harten (Rom. 2:28, 29). Die uit het gelóóf zijn, zijn Abrahams kinderen en worden gezegend met den gelovigen Abraham, ook al waren zij geen kinderen des verbonds (Gal. 3:7, 9). Als Paulus in 1 Cor. 7:14 zegt, dat in een gemengd huwelijk de ongelovige man geheiligd is door de vrouw en de ongelovige vrouw door de man, zodat de kinderen niet onrein zijn maar heilig, dan betekent 'heilig' en 'heiligen' daar iets anders dan bv. als Paulus in 1 Thess. 5:23 zegt: 'de God des vredes Zelf heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Here Jezus Christus.'
Er zijn tweeërlei ranken in de éne wijnstok, vruchtdragende en niet vruchtdragende. De kerk leeft altijd in de gemengde situatie van kaf en koren, onkruid en tarwe, goede en kwade vissen, schapen en bokken.
Daarom kunnen we niet zeggen: ik ben gedoopt en dáárom vier ik ook Avondmaal.
Dan zouden we zowel de diepe betekenis en heerlijkheid van de Doop als van het Avondmaal miskennen. Want de heerlijke en geweldige dingen, die ons in de Doop aangeboden worden onder het zegel van de Koning der Kerk, zijn veel te groot om per logische conclusie aanvaard te worden op de manier van: ik ben een kind des verbonds; daarom ben ik gedoopt; daarom ben ik het eigendom van Jezus Christus; daarom behoor ik Hem toe en ben ik geroepen Zijn Naam te belijden ook aan de maaltijd des Heren. Dit zou een ongeoorloofde versimpeling zijn van het herstel van de verbroken betrekking tussen God en ons. Ondanks het feit, dat wij in de ruimte van Gods genadeverbond geplaatst zijn, brengen wij niet een hart mee, dat vanzelf geneigd zou zijn de Vaderlijke goedheid en barmhartigheid Gods, die Hij ons inderdaad bewezen heeft, te 'bekennen' en Hem aan te hangen met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde. De dingen waar het in de Doop om gaat, moeten hun wezenlijke plaats krijgen in ons hart en in ons leven. Dat maakt altijd een stuk levensgeschiedenis uit. Hierin vallen inderdaad de woorden geloof en bekering, wedergeboorte en heiliging. Maar elk hart, dat de inhoud van het Woord Gods, met zijn Wet en Zijn Evangelie, (juist zoals het veroordelend en nodigend tot ons komt in de H. Doop) leert verstaan, zal gesteld worden voor de verootmoediging, waartoe Johannes de Doper vermaande en waartoe ook het Doopsformulier opwekt, en zal gesteld worden voor het wonder van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Dit alles eist een zekere volwassenheid. Niet alsof het verstaan van deze dingen met de jaren vanzelf zou komen. Ook niet alsof goede catechese hier geen grote waarde zou hebben om ons de weg te wijzen in de dingen, die God ons bekend maakt. Het kennisniveau, waartoe het onderwijs der kerk de kinderen der gemeente behoort te leiden, wordt door Calvijn gelijk gesteld met dat van de volwassenen, die zich willen laten dopen. Calvijn beroept zich in verband hiermede op de practijk van de oude kerk, waarin de kinderen, die ten tijde dat zij gedoopt werden, hun geloof voor de gemeente niet hadden beleden, wederom, toen hun kindsheid geëindigd was of in het begin van hun jongelingschap, aan de bisschop voorgesteld werden (Institutie IV, 19, 4) in verband met het deelnemen aan het Sacrament van het H. Avondmaal.
De kerk heeft de noodzaak van een goede catechese steeds onderstreept, maar ook dat hier meer dan catechese alleen nodig is. Hier is de grote Leermeester nodig, opdat Hij ons door Woord en Geest Zijne wegen bekend make. Het Evangelie is vol van zaken, die hoofd èn hart raken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's