Berkhofs beroep op de gereformeerde traditie met name op Calvijn
IV
De kerkorde staat niet in de Bijbel. Dat wil zeggen, dat wij in de Bijbel geen blauwdruk aantreffen voor een gereformeerde (= presbyteriale-synodale) kerkorde. Wij kunnen niet zonder meer Nieuw Testamentische toestanden kopiëren. Wij vinden noch de Paus noch de klassikale vergadering in het Nieuwe Testament terug. Maar dat betekent niet, dat de H. Schrift niet een aantal zeer duidelijke direktieven zou bevatten hoe de kerk orde moet stellen op haar zaken. En wij sluiten ons graag aan bij prof. Van Ruler, als hij stelt, dat de presbyteriale orde op ongeëvenaarde wijze de bedoelingen van de H. Geest weerspiegelt.
Wij zagen reeds, dat men ten onrechte de stelling lanceert, dat het episcopalisme en het congregationalisme zich met evenveel recht op de H. Schrift beroepen kunnen als het presbyterialisme. Maar er worden nog meer vragen opgeworpen, vragen die allemaal tot achtergrond hebben de bedoeling om grotere vrijheid te claimen voor de vormgeving van de ambten in onze tijd. Heeft de reformatorische exegese niet een aantal ambten weggewerkt? Heeft Calvijn in zijn ijver om de ambten in zijn dagen in overeenstemming te brengen met de Nieuw Testamentische gegevens enkele bedenkelijke, exegetische kunstgrepen toegepast? Heeft Calvijn op gewelddadige wijze de vele Nieuw Testamentische ambten en bedieningen tot drie (predikanten, ouderlingen en diakenen) gereduceerd door te onderscheiden tussen tijdelijke ambten en blijvende ambten? Door te stellen, dat verschillende van de ambten waarvan in het Nieuwe Testament melding gemaakt wordt, opengevallen en vacant gebleven zijn? Ging Calvijn in grote vrijheid (vrijheid des Geestes) met de H. Schrift om en mogen wij ons daarom vandaag op hem beroepen en éénzelfde vrijheid opeisen?
Wij luisteren naar wat Calvijn zelf hierover opmerkt. Aan het slot van het tiende hoofdstuk van boek IV van zijn institutie spreekt Calvijn over de kerkelijke inzettingen (constitutiones), die wij als heilig en heilzaam ervaren. Calvijn begint met zich weer naar twee kanten af te grenzen; nl. naar de kant van de tyrannie van de valse bisschoppen en naar de kant van de al te vreesachtige mensen, die geen enkele wet, al is ze nog zo heilig, toelaten. Calvijn stelt dat hij slechts die menselijke inzettingen goedkeurt, 'die gegrond zijn op Gods gezag en uit de Schrift genomen en dus geheel en al Goddelijk zijn'. Christus moet als de enige Meester gehoord worden, want Hij heeft de hoofdsom van de ware gerechtigheid, en alle delen van zijn dienst, en al wat tot zaligheid nodig is, in zijn heilig Woord getrouw vervat en duidelijk geopenbaard. 'Maar aangezien Hij in de uiterlijke tucht en de ceremoniën niet stuk voor stuk heeft willen voorschrijven, wat we volgen moeten (omdat Hij voorzag, dat dit afhangt van de tijdsomstandigheden — temporum conditio — en oordeelde dat één vorm niet paste voor alle eeuwen) moeten wij hier de toevlucht nemen tot de algemene regelen, die Hij gegeven heeft, om daarnaar te onderzoeken alle geboden, welke de noodzaak der kerk zal eisen tot onderhouding van de orde en de betamelijkheid.' Het gaat hier echter om dingen, die betrekking hebben op de uiterlijke vormgeving van de eredienst, zoals bijvoorbeeld het knielen in de kerk. Dingen waarvan Calvijn duidelijk zegt, dat ze niet tot de zaligheid nodig zijn en die men niet aan alle mensen en voor alle tijden bindend mag opleggen en waar men geen farizeërs mee mag kweken.
’Omdat deze dingen ook niet noodzakelijk zijn tot de zaligheid en naar gelang van de zeden van ieder volk en iedere tijd op verschillende wijze moeten worden toegepast tot stichting van de kerk, zal het passend zijn, al naarmate het nut van de kerk het eist, zowel gebruikelijke inzettingen te veranderen en af te schaffen, als nieuwe in te stellen.' Evenals op zijn sterfbed, waarschuwt Calvijn ook in deze passage om om niet al te overhaast en ondoordacht vernieuwingen in te voeren. Men moet goed weten wat men doet. En zo Paulus, zo ook Calvijn in zijn voetspoor zegt nadrukkelijk dat alle dingen onder de tucht van de liefde gesteld moeten worden. 'Ik erken wel, dat men niet lichtvaardig en ook niet dikwijls en niet om geringe oorzaken tot vernieuwing moet komen. Maar wat schaadt of sticht, zal de liefde het best beoordelen: en indien wij haar bestuurster zullen laten zijn, zal alles goed gaan'. François Wendel, in zijn overigens uitstekend boek 'Calvin, Sources et évolution de sa pensée religieuse', betrekt o.i. ten onrechte deze passage op Calvijns ambtsleer (p. 229 v.). Wendel drukt zich overigens voorzichtig uit en zegt: het schijnt dat Calvijn hier een bijna volledige vrijheid autoriseert. Maar toch moet gezegd worden dat zijn kerkorde zich onderscheidt door haar grote trouw aan de Schriftgegevens. Calvijn wilde niet anders dan als een leerling van de H. Schrift zijn leer van het ambt uit het Nieuwe Testament aflezen. Zeer zorgvuldig heeft hij de teksten bestudeerd en daarbij geluisterd naar wat anderen voor hem, uit de H. Schrift geleerd hadden. Bekend is dat Martin Bucer te Straatsburg grote invloed op Calvijn heeft uitgeoefend. Calvijn behandelt de leer van het ambt in nauwe aansluiting aan de leer van de kerk. Wij zijn hier in het bereik van de H. Geest, Die uiterlijke hulpmiddelen (kerk en ambt) gebruikt om ons Christus Jezus deelachtig te maken. 'Onze onervarenheid en traagheid ja ook de ijdelheid van ons verstand hebben deze uiterlijke hulpmiddelen nodig'. 'God heeft ze er bij gevoegd, om daardoor onze zwakheid te hulp te komen, en opdat de prediking van het evangelie haar kracht zou hebben, heeft Hij deze schat bij de kerk in bewaring gegeven. Hij heeft herders ingesteld en leraars, om door hun mond de zijnen te onderwijzen. Hij heeft hen bekleed met gezag, kortom Hij heeft niets nagelaten wat dienstig zou zijn tot heilige eenstemmigheid des geloofs en tot de goede orde’.
’Want ofschoon Hij Zelf alleen in de kerk regeren en heersen moet en in haar ook de hoogste leiding en het hoogste gezag hebben moet en deze heerschappij alleen door Zijn Woord geoefend en bediend moet worden, zo hebben wij, omdat Hij door een zichtbare presentie onder ons niet woont om ons Zijn wil mondeling te verklaren, gezegd dat Hij daartoe de dienst van mensen aanwendt, die als het ware Zijn plaatsvervangers zijn. Hij draagt Zijn eer en recht niet op hen over, maar voert Zijn werk slechts door hun mond uit, gelijk een handwerksman een instrument gebruikt om zijn werk te doen’.
De kerk is geen vereniging van mensen die uit vrije wil als leden toetreden (congregationalisme), maar een vergadering van gelovigen die Christus door de dienst van Zijn Woord samen brengt. Daarbij zijn de mensen, de ambtsdragers slechts instrumenten. In Zijn kerk stelt God Zelf de orde vast. Deze orde is een pneumatische orde. De kerk is niet primair een sociologisch aanwijsbare grootheid, al treedt zij wel in de zichtbaarheid. De kerk is het geheimenis van de H. Geest, Die in Christus als het Hoofd en in ons als zijn lidmaten woont. De Geest wil de orde en wel om één reden: om Christus Jezus ruim baan te geven.
Christus regeert Zijn kerk door Zijn Woord. Het Woord is Zijn scepter. Daarbij schakelt Hij mensen in. Hij werkt niet onmiddellijk, maar altijd door middel van. Calvijn noemt daarvoor drie redenen:1. God betoont ons Zijn liefde, wanneer Hij door de mond van mensen met ons spreekt. 2. Het is een zeer goede en nuttige oefening tot nederigheid, wanneer Hij er ons aan went om Zijn Woord te gehoorzamen, ook al wordt het gepredikt door mensen, die aan ons gelijk zijn en soms in waardigheid onze minderen. 3. Bovendien is niets geschikter om de onderlinge liefde te voeden, dan dat de mensen door deze band onderling verbonden worden, dat één tot herder aangesteld wordt, om de anderen tezamen te onderwijzen, en dat degenen, wie geboden wordt discipelen te zijn, uit één mond de gemeenschappelijke leer ontvangen.
Deze heerschappij van Christus mag door de dienst van mensen niet verduisterd worden (episcopalisme) . Hun ambt is dienst, en hun volmacht gebonden aan de hun bevolen vervulling van hun opdracht. Onder deze voorwaarde verleent God hen Zijn Geest en vrucht op hun arbeid, maar het is en blijft Gods werk alleen. Daarom geen bisschoppen en geen regenten in de kerk. Ons geweten heeft niet met mensen maar alleen met God te doen. Op Zijn Woord zijn we aangewezen.
Ambtsdragers zijn alleen maar dienaren van het Woord. Zij zijn niet geestelijker dan de leken. Zij staan niet in apostolische successie en hebben geen persoonlijke meerwaarde door 'wijdingen'. De dienaar heeft alleen maar mond van God te zijn, meer niet. God roept tot het ambt. Maar Hij schakelt daarbij de gemeente in. De ambtsdragers zijn wettig door de gemeente en mitsdien door God gekozen. Niemand mag zich op grond van neigingen en ingevingen opdringen.
Naast de dienst van de prediking is er de dienst van de tucht. Dit is niet iets nieuws, maar het is wezenlijk de zelfde opgave van woordbediening maar nu aan de enkeling, aan de gezinnen, de 'huisgemeenten' en aan de afgedwaalde broeders. Zij moeten thuis opgezocht worden. Hier komt de ouderling voor de dag, die met de predikant, in het Woord arbeidt. Zij staan in het ambt der regering dat voor alle tijden noodzakelijk is. Hier is het punt waar men bij Calvijn een gewrongen exegese bespeurt, als hij de ambten der Nieuw Testamentische gemeenten zo groepeert en kombineert, dat er de predikant en ouderling uitkomen. Calvijn heeft recht als hij de episcopen en presbyters identificeert. De woorden opziener en oudste worden in het Nieuwe Testament door elkaar gebruikt en duiden hetzelfde ambt aan. Doordat nu de één zijn hele tijd aan het werk kan geven, terwijl de ander daartoe niet in de gelegenheid is, ontstaat vanzelf langs spontane weg een zekere differentiatie. Wij zien dat al in het Nieuwe Testament als gesproken wordt over ouderlingen, die regeren, en ouderlingen die voornamelijk in het Woord en de leer arbeiden.
Dit brengt echter geen enkel autoriteitsverschil met zich mee. De ouderlingen naast de predikanten dienen veeleer om diens persoonlijke autoriteit wat in te perken. Er is geen hiërarchie. Geen mens oefent autoriteit over een ander mens. Geen ambt is hoger dan een ander ambt. Want er is maar Eén Hoofd van de kerk namelijk Christus. Principieel is er geen enkele graduatie in de ambten. De predikant is voorzitter van de kerkeraad, ook dat is een dienende funktie en het enige wat hij op de anderen voor heeft. Calvijn vergelijkt zijn positie met die van de burgemeester in de raad. Een dergelijke wijze van kerkregering, die alle gezagskoncentraties uitsluit, ligt ongetwijfeld in de lijn van het Nieuwe Testament.
’De roomse bisschop is een heel andere figuur dan de opziener uit de pastorale Brieven, en een klassikale vergadering lijkt maar zeer weinig op het apostelkonvent in Handelingen 15. Maar als wij vragen naar de regering van het Woord in de gemeente, dan zullen wij toch meer vertrouwen mogen hebben in de klassikale vergadering dan in de paus — tenzij op de vergadering een pausje opstaat. Dat pausje zal dan echter weer moeten gaan zitten, want het Woord moet regeren. En dat kan het alleen wanneer men zich gezamenlijk daaronder voegt', aldus Koopmans.
De leiding der kerk moet broederlijk zijn. Wij hebben het Woord Gods niet als ons bezit, maar telkens weer opnieuw als een gave. Wij moeten ons telkens weer laten gezeggen; daarvoor is broederlijk overleg nodig in de regering van de kerk. De zorgen en noden der gemeente moeten op een geestelijke wijze besproken worden en in het gebed aan God opgedragen worden. Een presbyteriaal systeem helpt helemaal niets als het niet in de ambtelijke vergadering tot een gemeenschap onder Gods Woord komt, als het niet verder komt dan geruzie en getwist, omdat eigenzinnige pausjes telkens opstaan en niet willen gaan zitten. Ook dan blussen wij de Geest uit. Terecht stelt Noordmans, dat Calvijns voorkeur naar de presbyter, de ouderling uitgaat, en niet naar de bisschop, omdat deze de Geest uitblust, en ook niet naar de profeet (naar Calvijns inzicht een incidentele gave van de H. Geest, maar niet een institutionaliseerbaar ambt), dan komen wij bij de anabaptisten met hun geestdrijverij terecht. Met de ouderling legde Calvijn in de naam van Christus beslag op een stuk mensenleven, waarover tot nog toe de overheid zeggenschap had uitgeoefend.
De bisschop had in de middeleeuwen zijn geestelijk karakter verloren. De bisschoppen waren kerkvorsten, administrateurs en bureaukraten geworden met een uitgebreid ambtenarenkorps, de klerus, onder zich. De pastoors waren niet in staat tot het houden van een goede preek; zij misten de daartoe vereiste kennis. Hun taak werd overgenomen door de grote predikers van de bedelorden. Die konden preken als een brugman. 'De optelsom van pastoor en bedelmonnik kon de dominee van Calvijn opleveren' (Noordmans). Door de bisschoppen, wier ambt was uitgehold, terzijde te schuiven, en de dominee, de lerende presbyter en de ouderling, de regerende presbyter, naar voren te schuiven, schakelde Calvijn over van de lijn van het recht naar die van de H. Geest.
Te vrezen is, dat in veel van de voorgestelde vernieuwing de klok wordt teruggezet. De pneumatische lijn wordt weer verlaten, ondanks het beroep op de Geest. De ambtsdragers worden specialisten en ambtenaren. Allerlei taken kunnen onder de kap van de definitie 'Christusrepresentatie' gevangen worden, waarin de christelijke daad het Woord (en daarmee ook de Geest) van zijn unieke positie berooft. Allerlei taken waarin men 'acte de présence' geeft op overigens anonyme wijze in de wereld. Dienstbetoon is goed en geboden, maar mag nooit in korting komen op de 'diakonia der verzoening' want daarin klopt het hart van het ambt. De voorgestelde vernieuwingen dreigen het ouderlingenambt en predikantenambt te doen devalueren. De trieste gevolgen daarvan voor de praktijk van het kerkelijk leven zullen blijken. De gemeente dreigt te worden tot een gemeenschap waarbinnen de individueel geschonken gaven worden verambtelijkt. De Geest geeft zijn fiat aan de sociologie. Een ambtenaarlijke struktuur moet deze organisatie bijeenhouden. Wij keren weer terug tot een moderne vorm van de middeleeuwse bureaukratie. Wij kunnen niet genoeg op onze hoede zijn voor deze uitholling van het ambt.
Een rechtstreekse afleiding van de kerkorde uit de H. Schrift is niet mogelijk. Maar de gereformeerde kerkorde steunt wel terdege op de H. Schrift, en te alle tijde zal herstrukturering van de orde der kerk en van het ambt waargemaakt moeten worden aan de H. Schrift.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's