De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kinderen aan het Heilig Avondmaal?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kinderen aan het Heilig Avondmaal?

9 minuten leestijd

Vorige week werd het eerste van een serie van twee artikelen van ds. C. v. d. Wal geplaatst over: 'Kinderen aan het Heilig Avondmaal?' Dat artikel had voorafgegaan moeten worden door een artikel over 'Ontkoppeling van Belijdenis en Avondmaal', waarin ds. v. d. Wal een begin maakt met een aantal beschouwingen van ds. Boonstra in Leidschendam onder de loep te nemen. Helaas is door een misverstand dat artikel niet eerst geplaatst. Voor de goede orde plaatsen we nu eerst het tweede stuk over 'Kinderen aan het avondmaal?', omdat dat met het stuk van vorige week één geheel vormt. Volgende week komt dan het stuk over de Ontkoppeling van Belijdenis en Avondmaal. Voor het lezen van de artikelen is de verwisselde volgorde geen bezwaar.De Redactie.

II

Nu meen ik, dat de leeftijd van 12 jaar als grens, die ds. Boonstra en zijn wijkkerkeraad naar beneden zou willen aannemen, te laag gesteld is. Ds. B. meent: jong geleerd, oud gedaan. Ik meen, dat de ervaring, die de Lutherse kerk heeft met haar vroege confirmatie dit niet bevestigt. Het gevaar is groot, dat men later op deze vroege deelname aan het H. Avondmaal zal terugzien met iets van: 'och, je wist toen eigenlijk nog niet goed, wat je deed; later komt het leven met zijn stormen en vragen op je af en dan ga je er wel anders over denken'. Ik kan er beter inkomen, dat men bv. in vele Friese gemeenten vaak betrekkelijk laat de toegang tot het H. Avondmaal vroeg, maar dan ook geregeld Avondmaalganger bleef gedurende het hele verdere leven. Daar heeft de kerk meer behoefte aan, dan aan een onvoldoende voorbereid deelnemen aan de Dis des Heren, dat later een recht verstaan van dit sacrament eer in de weg staat dan bevordert.

De Here Jezus Christus heeft Zelf het sacrament ingesteld in de kring van Zijn volwassen jongeren. Ik meen dat de vergelijking met de viering van het Pascha bij Israël niet opgaat, omdat deze vergelijking bemoeilijkt wordt door allerlei nationaal-historische en schaduwachtige elementen. Ook dr. H. Bavinck heeft de hier liggende vragen reeds in zijn bekende dogmatiek besproken. Hij zegt daarin ook, dat Calvijn wilde, dat, als een kind genoegzaam in de Catechismus onderwezen was, het in het openbaar belijdenis van zijn geloof in de gemeenten zou doen. Hij vertelt verder, dat à Lasco wenste, dat de kinderen, die veertien jaar oud geworden waren, belijdenis voor de gemeente zouden doen, en de volgende zondag aan het Avondmaal zouden gaan. Bij de Reformatoren spreekt daarbij waarschijnlijk ook de eeuwenlange practijk van de jeugdige confirmatie mee. Maar het is m.i. duidelijk, dat een boekje als het Kort Begrip van ds. Faukelius voor oudere leerlingen bestemd was. Ik meen trouwens, dat de kinderen in de 16e eeuw ook vroeger volwassen waren dan thans. De schilderkunst uit die tijd laat ons dat zien. Het blijkt ook wel uit de leeftijd, waarop men vaak naar de universiteit ging en zelfs een professoraat bekleedde (Melanchton toen hij 19 jaar was!). Maar ook afgezien daarvan kan ik geheel meegaan met Bavinck's bezwaren. Naar aanleiding van de Duitse practijk zegt hij in een aantekening (IV 643): 'gewoonlijk doen daar de kinderen op twaalfjarige leeftijd belijdenis, maar hun kennis van de waarheid is dan in de regel nog zeer onvoldoende; hun belijdenis mist dan nog de nodige ernst en neemt het karakter van een les-opzeggen aan; hun terstond op de confirmatie volgende deelneming aan het Avondmaal wordt een sleur, die buiten het geloof des harten omgaat; in tal van gevallen worden ze later nooit meer in de kerk of aan het Avondmaal gezien.’

Nu besef ik, dat ds. Boonstra zijn twaalfjarigen niet brengen wil in de lijn 'van een les-opzeggen'. Ik ben het met hem eens, dat ook wij volwassenen niet volkomen begrijpen wat God te zeggen en te geven heeft.

Maar het komt wel aan op de vraag wat het geloof aan de Tafel des Heren ziet, op het onderscheiden van het lichaam des Heren. Dat zien is niet een menselijke aanvulling op hetgeen God in Woord en sacrament openbaart. Evenmin als het nog een aanvulling is op het licht van de zon. Het oog ziet alleen dat licht, en de mens, die ziet, begijpt ook de wondere heerlijkheid er van niet. Maar het oog kan niet gemist worden om het licht te zien, evenmin als het oor gemist kan worden om de wondere wereld van de klanken op te vangen. God schenkt beide. Hij laat ze op elkaar corresponderen. De blinde wordt omstraald door het licht, maar ziet het toch niet.

Ligt hier nu eigenlijk niet het punt van verschil?

In de redenering van ds. Boonstra geeft het dooplidmaatschap zonder meer (al is het dan met enige onderwijzing) toegang tot de Maaltijd des Heren. Hij is bang, dat wanneer de persoonlijke levensbeslissing zo belangrijk wordt geacht 'het accent meer komt te liggen:1. op het aanvaarden door de catechumeen, dan op het aanvaard zijn door de Heer, krachtens de H. Doop; 2. meer op het beamen van Christus' verlossingswerk dan op de dienst, waartoe de Heer het gedoopte volk roept.’

Nu wil ik nogmaals verzekeren, dat ik allerminst te kort zou willen doen aan de rijkdom van het verbond der genade. Maar het Woord des Heren, daarin gegeven en bezegeld, vraagt toch om een antwoord. De parel van grote waarde, moet ook in die alles overtreffende waarde onderkend en begeerd worden. Anders zullen we toch in de practijk van ons leven niet alle dingen willen prijsgeven om die te bezitten, maar naar de natuurlijke geaardheid van ons mensenhart, die verkwanselen voor dingen, die er toch nog aantrekkelijker uitzien. Het genadeverbond betekent niet een zodanige 'triomf der genade' (om de titel van Berkouwer's boek over de theologie van Barth te gebruiken), dat met de objectieve openbaring er van zonder meer ook het persoonlijk deel-hebben aan het heil gegeven en verzekerd is. We hebben al even gewezen op de veelbewogen geschiedenis van het volk van het Oude Verbond. Daarop wijst Paulus in zijn brieven ook herhaaldelijk. Trouwens Christus Zelf ook. Ds. B. ontkent blijkbaar niet helemaal, dat een 'beamen' van Christus' verlossingswerk nodig is. Hij is alleen bang, dat dit beamen een sterker accent zal krijgen dan de dienst, waartoe de Here het gedoopte volk roept. Maar wij moeten deze dingen niet van elkander losmaken. God roept ons inderdaad van jongs af tot Zijn dienst. Maar die dienst zal alleen een spontane liefdedienst kunnen zijn, wanneer de aandrift daartoe ontspruit uit en de vrucht is van de persoonlijk gekende liefde Gods in Christus, Wiens verzoenend lijden en sterven, Wiens gebroken lichaam en vergoten bloed ons worden voorgesteld en geschonken in het gebroken brood en de vergoten wijn van het Avondmaal. Die liefde is zondaarsliefde. Willen wij de troost daarvan ervaren, dan zullen wij iets van de ellende van ons hart moeten beseffen; dan moet er sprake zijn van een niet slechts liturgische, maar persoonlijke schuldbelijdenis voor Hem. Niet als een soort boetekleed, dat wij met heimelijk welgevallen aantrekken. Maar omdat de waarheid van het Woord alleen haar alles te bovengaande waarde krijgt, wanneer zij in de werkelijkheid van ons bedorven leven ingaat. Zonder dat maken wij, naar ik vrees, van het genadeverbond toch weer een soort 'werkverbond' (om deze oude, maar toch wel juiste terminologie te gebruiken). Wij ontnemen dan aan het genadeverbond het eigenlijke genade-karakter of maken er een goedkope genade van. De 'dienst' waartoe de deelgenoten aan het verbond der genade geroepen worden, krijgt dan een wettisch karakter en mist de vreugde der bevrijding. Het is daarbij niet de vraag of wij van jongsaf aan de weldaden van het genadeverbond ons wel mogen toe-eigenen. Want het aanvaarden van iets, wat mij aangeboden wordt, is geen diefstal. Maar de vraag is wel of mijn aanvaarden wel klopt met datgene wat ons in het Evangelie aangeboden wordt. De stekker produceert geen stroom, maar moet wel passen op het stopcontact, zal de stroom, die van gene zijde komt, mij licht, warmte en kracht schenken. Ik weet wel, dat dit beeld te mechanisch is, maar het is m.i. duidelijk om de bedoeling weer te geven. Wat hier in geding is is het werk van de Heilige Geest.

Nu besef ik wel, dat wij levenslang leerlingen blijven. Maar zal de Avondmaalsviering niet denatureren, dan blijft nodig het onderzoeken van zichzelf, het gedenken en het verkondigen van de dood des Heren, Die kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. (Matth. 20:28). Zonder die diepe wortel geen blijvende vrucht. Prof. Berkhof heeft inderdaad gelijk, wanneer hij waarschuwt tegen een ontkoppeling van Wet en Evangelie, waarbij 's zondags een Evangelie zonder Wet gepredikt wordt, maar waarbij ook die Wet, omdat het Evangelie een verre en vanzelfsprekende zaak is geworden, een eigen leven gaat leiden. Het christelijk leven krijgt daar een wettisch en vreugdeloos karakter. (Crisis der Middenorthodoxie). Als de oude Jozua afscheid neemt van het volk Israël (Jozua 24) vermaant hij inderdaad: kiest u heden Wien gij dienen zult. Maar de onrijpheid van hun geroep, dat zij den Here alleen zullen dienen, beweegt hem er toe om tot het volk te zeggen: 'Gij zult den HERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God, Hij is een naijverig God. Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven'. De erkenning, dat dit volk het volk is, waaraan God Zich verbonden heeft en dat Hij uit Egypte heeft uitgeleid, brengt niet mede, dat hiermede natuurlijk altijd en algemeen gegeven is de vergeving der zonden en de kracht om den God des verbonds te dienen. Hiertoe moeten de Israëlieten ernst maken met dat: gij zult niet kunnen dienen. Zo alleen worden zij op God geworpen, om te ervaren, dat wie den Here verwachten de kracht zullen vernieuwen, zodat zij lopen en niet moede, wandelen en niet mat worden. Dezelfde onrijpheid is er bij de rijke jongeling uit Matth. 19. Maar de discipelen, die rijpen in het verstaan van Gods gebod, worden getroost met de verzekering, dat wat onmogelijk is bij de mensen, mogelijk is bij God. Daarom gaat het in het genadeverbond. Daarom gaat het eigenlijk precies in de H. Doop. En niet minder in het H. Avondmaal.

De verlaging van de grens naar beneden tot twaalf jaar, de ontkoppeling van belijdenis en H. Avondmaal en vooral de hieraan ten grondslag liggende theologische gedachtengang zullen m.i. een recht verstaan van beide sacramenten in de weg staan, ook wat betreft de daaraan verbonden dienst des Heren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Kinderen aan het Heilig Avondmaal?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's