Berkhofs beroep op de gereformeerde traditie met name op Calvijn
V (slot)
Het beroep op Calvijn neemt in het rapport-Berkhof een grote plaats in. Op minstens 14 bladzijden wordt Calvijn genoemd. Het beroep op Calvijn is vooral een beroep op de methode van Calvijn. 'Dezelfde methode' (? ) toepassend komt prof. Berkhof echter tot een geheel ander resultaat, maar dat ligt — zo wordt betoogd — in de aard der zaak, want wij leven nu in een heel andere situatie en hebben nu een heel ander ambtelijk patroon nodig. Alles dringt immers naar vernieuwing. Calvijn had ook een ander patroon nodig in zijn tijd. Bovendien hebben we nu nieuwe (betere?) methoden van exegese, die weer hele andere opvattingen wettigen.
Zoals gezegd zijn wij van mening, dat het rapport-Berkhof zich ten onrechte op Calvijn beroept. Samenvattend willen wij daar nog het volgende van zeggen:
1. Calvijn ging niet in vrijheid des Geestes met de H. Schrift om, maar eerbiedigde volstrekt het gezag van de H. Schrift ook in de vraag naar de orde der kerk en van de ambten. Zijn theologie van het ambt is zoals zijn gehele theologie, doordrenkt van de exegese. Dat de dogmatische doordenking helemaal los komt te staan van de exegese, zoals in het rapport-Berkhof (waarin deel I gevoegelijk gemist had kunnen worden) is voor Calvijn ondenkbaar.
2. Het is o.i. onjuist te stellen, dat Calvijn de ambtelijke struktuur liet beantwoorden aan de noden van het heden. Hij had wel rekening te houden met de tijdsomstandigheden (circumstantia temporum); niet alles van wat hij vanuit de H. Schrift als geboden zag, kon hij realiseren. Maar hij kende aan de situatie geen medebepalend gezag toe. Hij kwam vanuit het gezag van de H. Schrift tot de situatie, en moest dan wel eens met minder genoegen nemen, en verschillende concessies aan de praktijk doen. Nimmer liet hij ook maar iets van de theokratische aanspraken vallen, ook al wilde het regentendom in Genève daar niet voor buigen en moest Calvijn daarom in Genève met een kerkorde genoegen nemen waarin hij de theokratie niet voldoende tot z'n recht zag komen.
3. De vrijheid des Geestes, van waaruit, zo zegt prof. Berkhof, Calvijn met grote vrijmoedigheid eeuwenoude tradities opruimde en kritisch stond ten opzichte van de traditie, was voor Calvijn een zaak van gehoorzaamheid aan de H. Schrift. Hij ontwierp geen nieuwe ambtelijke struktuur, maar zocht onder de roomse verbasteringen naar het wezenlijke van het ambt. Hij zocht in de H. Schrift naar het blijvende en geldende voor alle tijden. Dat hij daarbij onderscheidde tussen het blijvende en het tijdelijke, is geen zaak van 'grote en ons inziens gewettigde en geboden vrijheid', maar een zaak van recht Schriftverstaan. Het is een zaak van gehoorzaamheid aan de H. Geest en aan Diens leiding, Die in de tijd van de Here Jezus zelf en van de apostelen allerlei gaven gaf (bijvoorbeeld de wonderen), die Hij later niet meer nodig oordeelde te geven. Men mag dit niet als een pneumatische reductie en verarming zien, want wij, die het profetische en apostolische Woord mogen hebben, mogen leven in de volheid van de heilsrealiteit van Pinksteren. De wezenlijke heilsgaven des Geestes zijn aan de kerk van alle eeuwen gegeven en daarin staan wij volstrekt niet achter bij de Nieuwtestamentische gemeente.
Alleen al om deze reden is het niet in te zien waarom Calvijn in zijn drie blijvende diensten van Woord, daad en tucht minder bood dan de H. Schrift en de H. Geest gaven, en waarom wij nu niet minder, maar meer zouden moeten wensen. Wie meer begeert, komt onherroepelijk in de geestdrijverij terecht.
4. De onduidelijkheid van de ouderling is volgens prof. Berkhof de meest fundamentele zwakte bij Calvijn. Het rapport ziet zelfs een verschil in Calvijns ambtsvisie in de institutie en in de commentaren. In het eerste geval zou de ouderling niet de presbyter-status hebben, die hij in de commentaren wel heeft. Dit lijkt ons wat al te gezocht. De passages over het ambt in de institutie stammen uit 1543. De meeste commentaren zijn later geschreven. Mocht Calvijn echter later door hernieuwde bestudering van de H. Schrift bij de uitgave van zijn commentaren tot principieel nieuwe inzichten gekomen zijn, dan zou hij ongetwijfeld zijn laatste editie van de institutie uit 1559 op dit punt omgewerkt en gewijzigd hebben. Nu kan men hoogstens spreken van een verschil in accenten of van nadere preciseringen, maar niet van principiële verschillen. Uit een oogpunt van Calvijn-interpretatie moet men de verschillende gegevens niet tegen elkaar uit spelen, maar met elkaar combineren, om zodoende een compleet beeld te krijgen, van hetgeen Calvijn voor ogen stond.
5. De onduidelijkheid van de ouderling, die prof. Berkhof in de gereformeerde ambtsleer ziet, lijkt mij een knieval voor het congregationalisme. Als in de praktijk een geestelijke meerwaarde aan de predikant boven de ouderling (terwijl zij beiden in het Woord dienen) toegekend wordt, dan is dit een stukje roomse zuurdesem, dat uitgezuiverd moet worden. De differentiatie die al in het Nieuwe Testament optreedt (de predikant als de ouderling, die voornamelijk in het Woord en de leer arbeidt), is heel nuchter een zaak van taakverdeling en is nodig om wanorde in de gemeente te voorkomen. Of moeten wij de gemeente opsplitsen in conventikels of huisgemeenten waar de ouderlingen bevoegdheid hebben om het Brood te breken? Dit congregationalisme lijkt ons de ontbinding van de kerk alleen maar te bevorderen. En zou hier ook niet een sacramentalisme achter zitten, namelijk dat de sacramenten een geestelijke meerwaarde hebben boven het Woord? En dat daarom de ouderlingen die geen sacramenten mogen bedienen, de minderen zouden zijn van de predikanten, die een plus aan sacramentele heilsbemiddeling zouden hebben?
Wij wijzen dit sacramentalisme als romanisme volstrekt af en erkennen geen heilsbemiddeling buiten het Woord Gods om. Het sacrament is een zichtbaar Woord en de geschiedenis kan ons leren, dat naarmate de bediening van het Woord verschraalt, de neiging tot sacramentalisme toeneemt. De ouderlingen die in het Woord arbeiden op huisbezoek en ter ambtelijke vergadering, hebben dezelfde pneumatische volmacht als de predikant.
En om de theologische deskundigheid moeten we de predikant ook niet te hoog boven de ouderling verheffen. Een eenvoudig ouderling door de H. Schrift geleerd, kan meer pneumatisch inzicht in Gods heilgeheimen hebben en meer werfkracht voor Zijn koninkrijk ontplooien, dan veel uiterst bekwame en deskundige theologen, die in de zift van de kritiek hun geloof hebben verloren. Daarmee is niets ten nadele van de theologische studie gezegd. Deze wetenschap is een gave en opdracht van de H. Geest. Maar we moeten wel een beetje uitkijken met het gedweep met deskundigen in onze tijd. We kweken op die manier een nieuw soort clerus (deskundigen) tegenover een nieuw soort onmondige leken (ondeskundigen). Dit doet tekort aan de vrijmacht van de H. Geest, Die èn in de ambten èn in de gemeente werkt, èn aan de mondigheid van de gemeente, die als geheel de bediening van de H. Geest ontvangen heeft. Daarom: het valt nog wel mee met de onduidelijkheid van de ouderling.
6. Wat de theologische studie betreft: het doctorenambt is nooit goed van de grond gekomen. Enerzijds is het opgeslokt door de predikant, die immers herder èn leraar is. Aan de andere kant zijn de hoogleraren, uit vrees voor pausen en bisschoppen in de kerk, ambtelijk nooit goed uit de verf gekomen. Toch is de beoefening van de theologische wetenschap een ambtelijke opdracht. De dienst van het onderzoek van de H. Schrift, de rechte interpretatie daarvan, en zijn vertolking in de taal- en denkvormen van de eigen tijd, de dienst van de toerusting van de ambtsdragers, de bestrijding van de dwaalleer, dat alles is, zoals gezegd, een gave en opgave des Geestes. Maar de school moet niet over de kerk heersen. Dan raken we verstrikt in de scholastiek. De rechte beoefening van de theologie is blijven in de school van de H. Geest, dat is Gods Woord. Ook deze dienst van het leren is een broederlijke dienst in het besef, dat er maar één Leraar der Kerk is, Die alleen de Waarheid is, en ons door Zijn Geest in alle waarheid leidt.
7. Aan de definitie van het ambt als Christus-representatie kleven grote bezwaren. Niet alleen het feit, dat het een kapstok definitie is, waaraan ieder z'n eigen visie op het representeren van Christus kan ophangen, maar vooral omdat de persoon van de ambtsdrager als 'Christus representator' te grote nadruk krijgt. Men kan niet zeggen, waar de ambtsdrager is, daar is Christus. Het 'gezaghebbend tegenover' ligt in het gezaghebbend Woord Gods en niet in de persoon van de ambtsdrager.
In de opvatting van prof. Berkhof treedt ook de ambtsdrager tegenover de gemeente. Letterlijk zegt prof. Berkhof in zijn rapport: 'Is niet de opengeslagen bijbel in elke kerkdienst de sprekendste uitbeelding van het Tegenover waar de kerk van leeft? Dat is zeker zo; maar hij kan niet de enige uitbeelding zijn. In de bijbel hebben wij die gezaghebbende verkondiging die nu door de Geest opgenomen moet worden om verder te verkondigen. Christus gaat met ons mee door de tijd. De bijbel moet zó worden verstaan, dat wij horen wat de Geest nú tot de gemeenten zegt. Als wij hem niet voor het heden verstaan, verstaan wij hem in het geheel niet. Daarom is een opengeslagen bijbel niet genoeg. Er moet iemand zijn die dit Tegenover gehoorzaam bemiddelt in vertolkende woorden en handelingen. (...) De Geest wekt mensen op en de kerk herkent en roept hen, die in prediking en onderricht, in liturgie en sacrament, in de begeleiding van gemeente en enkeling, in toerusting en sociale arbeid, het Christus-gebeuren bemiddelend en toepassend voortzetten door de tijd’.
In deze opvatting treedt naast de Schrift ook het ambt tegenover de gemeente. De Schrift heeft een vertolker nodig, die het de gemeente aanzegt en die het Woord van 2000 jaar geleden in het heden toepast. Waarin ligt het gezag van deze bemiddeling en vertolking? Niet in de 'wijding' van de ambtsdrager. Niet in het 'geestbezit' van de ambtsdrager. Wel hierin o.i. dat hij de H. Schrift uitlegt en toepast, zodat de gemeente met Christus Jezus wordt gekonfronteerd. Als de ambtsdrager gezag heeft, dan is dat omdat alle eigenmachtigheid en eigenzinnigheid terugtreedt en er alleen nog maar sprake is van dienst aan het Woord Gods. Daarom is het overbodig om het ambt naast de Schrift als 'tegenover' van de gemeente te stellen. De uitspraak, dat het ambt het Christus-gebeuren bemiddelend en toepassend voortzet door de tijd is een onhoudbare stelling.
Het is daarom gevaarlijk te zeggen, dat de ambtsdrager in zijn ambt het tegenover van Christus aan de gemeente representeert. Dit representatie-schema, waarmee men graag de verhouding van Christus en Zijn gemeente uitdrukt, speelt m.i. bij Calvijn en in de gereformeerde belijdenissen geen rol. Hier komt de priester weer naar voren, die niet slechts het priesterschap van Christus verkondigt, maar zelf ook uitbeeldt. De offergedachte komt weer binnen, waartegen Calvijn zo scherp ageerde. Daar valt weer de nadruk op symboolrijke tekenen en handelingen, en ambtelijke verrichtingen, kortom op sacramentele heilsbemiddeling. De ambtsdrager heeft niets te representeren, maar hij heeft alleen in opdracht van Christus te verkondigen. Hij is dienaar van het Woord. Zijn gezag is volstrekt aan het gehoorzamen aan zijn opdracht gebonden, niet aan zijn persoon of de instelling van zijn ambt op zich zelf. De ambtsdrager heeft slechts inzoverre gezag, als hij de mond van Christus is. Dat is de pneumatologische reductie, die zo typerend is voor de gereformeerde ambtsopvatting uit de school van Calvijn.
8. Calvijn houdt evenals prof. Berkhof vast aan de uniciteit van de apostel. Maar hij snijdt niet elke relatie tussen het apostelambt en het ambt in de kerk door. Prof. Jonker wijst er op in zijn boek 'Leve de Kerk', dat dit in het rapport Berkhof leidt tot een ecclesiologisch-functionele ambtsbeschouwing, met een typisch diaconalistische tendens. In het rapport-commissie-Van Ruler wordt niet gedacht vanuit het dienstbetoon van de gemeente, maar met Calvijn wordt een pneumatisch-apostolische ambtsvisie voorgestaan. De 'diakonia der verzoening' opgedragen aan de apostelen gaat over op de ambtsdragers in de kerk.
9. Prof. Berkhof stelt bij zijn bespreking van de ambtsleer van Calvijn: 'Wij willen dan ook niet minder maar meer'. Dit meer betekent zoals wij gezien hebben, dat er terwille van de oecumene episcopale draden, en op gezag van de sociologie congregationalistische draden in het presbyteriaanse ambtenpatroon worden geweven. Wij zijn echter geneigd, dit 'meerdere' als 'minder' te waarderen. Dit mindere komt vooral uit in de verschraling van de 'diakonia der verzoening' en de lossere relatie van Woord en Geest, waardoor de drager van het ambt op eigen titel gezag krijgt, maar de waarde van zijn ambtelijke dienst pneumatisch gezien, wezenlijk minder wordt. Het wezenlijke en voluit actuele van de presbyteriale ambtsopvatting is dat alleen het Woord Gods gezag heeft. Zowel in het episcopalisme als congregationalisme komt de persoon van de drager van het ambt te veel naar voren. Het is — dat moet gezegd — een geniale greep van prof. Berkhof om episcopalisme en congregationalisme met elkaar te verbinden. Maar uiteindelijk is dit niet mogelijk zonder wezenlijke waarden van de presbyteriale orde te verliezen. Onvermijdelijk pikt het rapport-Berkhof te veel graantjes mee van de 'roomse' en de 'vrije' geesten. Daarom kunnen wij niet anders concluderen dan dat het beroep op Calvijn en de gereformeerde traditie ten onrechte geschiedt.
Deze kritiek betekent niet dat wij niet op allerlei punten veel waardering hebben voor het rapport Berkhof. Het was hier niet onze taak deze aan te wijzen. Omgekeerd ben ik er van overtuigd dat prof. Berkhof het in veel van het door ons gestelde hartelijk eens is, en eveneens beducht is voor verschillende gesignaleerde gevaren. Hij durft echter veel verder van huis te gaan en ziet het allemaal nog zo'n vaart niet lopen. Dat zal uiteindelijk de toekomst leren. Brengt dit rapport ons uit de impasse, of doet het de verwarring alleen nog maar toenemen?
Tenslotte: het gaat niet aan om de huidige kerkelijke orde en ambtelijke praktijk, zoals die onder ons aangetroffen wordt, elke kritiek te besparen. Wij ambtsdragers moeten telkens weer geconfronteerd worden met de waarheid (met wat de H. Schrift ons over onze roeping leert) en met de werkelijkheid (onthullende cijfers van de sociologie behoeven wij niet bij voorbaat weg te schuiven). Wij moeten gewezen worden op het wezenlijke en het eigenlijke van onze roeping. En wij moeten met de neus op de werkelijkheid gedrukt worden en weten in welke wereld wij leven. Wij mogen geen verkiezinkje spelen en een eigen wereld uitlezen en de rest van het aan ons toevertrouwde maar laten voor wat het is. Voor dit gevaar kan de sociologie ons oog openen. Toch zit er iets intens verdrietigs in dat velen die hun leven lang trouw arbeiden in de traditionele kerk en op traditionele wijze, altijd maar weer moeten horen, dat alles natuurlijk eigenlijk totaal anders zou moeten. Ze doen het nooit goed en staan altijd aan kritiek bloot. Daartegen is de ambtsdrager niet geholpen met een schouderklopje. Hij heeft Christus nodig als de hoogste Ambtsdrager. Door Hem moet Hij telkens weer vermaand en vertroost worden. Meer dan instrument behoeft hij niet te zijn.
Het moet ons gaan om de rechte ambtspraktijk. De orthodoxie moet blijken uit de orthopraxie. Wij kunnen wel star onze belijdenis hooghouden, maar het gaat er om: leven wij er uit? Anders is de confessie bij ons ook niet meer dan een museumstuk, dat wij ongerept bewaren als iets eerbiedwaardigs uit oude tijden. Wij mogen daarom enkele kritische vragen naar binnen niet ontwijken.
Allereerst: lijden wij niet vaak aan een donatistische ambtsopvatting? Donatisme — een beweging uit de tijd van Augustinus — wil zeggen, dat men het ambt meer aan de persoonlijke wijding van de ambtsdrager gebonden acht dan aan het Woord dat hij brengt. Zo weigerden de donatisten bijvoorbeeld de doop te erkennen van ambtsdragers, die in hun ogen onwaardig waren. Ook het donatisme geeft teveel eer aan de persoon van de drager. De Geest is de Geest van het Woord, niet van persoonlijk pathos of van geliefkoosde terminologieën. Gunning zei terecht, 'dat niet talent, maar volmacht het wezen van het geestelijk ambt uitmaakt’.
Dan: kunnen wij ons, voorstanders van de zuivere presbyteriale orde, vrijpleiten van episcopale neigingen, van neigingen tot pausdom? Wie geen vreemdeling is in het kerkelijk leven in Hervormd-Gereformeerde kring, weet wel dat ook hier soms ergerlijke misstanden van dominokratie aan de dag treden, omdat allerlei pauselijke neigingen zich verheffen boven de roeping om slechts in het Woord te dienen, ook al wordt het nog zo vroom gecamoufleerd.
Wij predikanten zijn niet volmaakt, maar ook onze kerkeraden niet. Er kunnen pauselijke figuren zijn in de kerkeraden, die in plaats van hun overbelaste predikanten te steunen en te schragen, hen tot overspanning brengen. De regering van de kerk kan alleen broederlijk zijn, waar wij gezamenlijk onder het Woord buigen.
Laten wij onze kerkvoogdijen niet vergeten, die telkens weer aan de verleiding bloot staan om als super-kerkeraden te fungeren, en om het geestelijke aan het financiële ondergeschikt te maken. De woorden 'voogd' en 'voogdijschap' in de kerk zijn niet alleen uit de tijd, maar horen in een gereformeerde kerkorde niet thuis.
Er is nog meer te noemen, vooral als wij ons principieel verzetten tegen het congregationalisme. Want ook wij zijn niet vrij van zekere neigingen in deze richting. De pluralisering van het kerkelijk leven speelt ons ook parten, vooral in gemengde gemeenten, waar wij de neiging hebben in de praktijk een buitengewone wijkgemeente te gaan vormen, al verzet ons beginsel zich daartegen.
Kortom: de kerk is onwaarachtig in de prediking der verzoening als zij zelf te kort schiet in het trachten naar verzoening van eigen verdeeldheid. Deze kritiek naar binnen mogen wij niet van ons afschuiven. Want alleen door het beoefenen van de rechte ambtspraktijk (orthopraxie) kan de rechte leer (orthodoxie) aangaande kerk en ambt gezag krijgen in ons midden. Het hooghouden van de waarheid, dient gepaard te gaan met de uiterste inspanning om eenheid te zoeken. Wij mogen waarheid en eenheid niet tegen elkaar uitspelen. Beiden vloeien gelijkelijk voort uit de gehoorzaamheid aan de heerschappij van Christus. Daarom zijn de praemissen van het rapport-Berkhof: het dienen van de oecumene en het zoeken naar wegen in de moderne pluralistische maatschappij niet bij voorbaat verwerpelijk. Maar: de hervormde kerk heeft de opdracht om vanuit de rijkdom van de H. Schrift en haar reformatorisch belijden de oecumene te dienen. Juist om oecumenische overwegingen moet onze kerk haar presbyteriale ambtsopvattingen niet nivelleren. En wat de moderne maatschappij betreft: ambtsdragers moeten goede kenners van de eigen tijd zijn. Dan zorgt de Heilige Geest naar Gods belofte dat de boodschap overkomt. Uiteindelijk heeft de H. Geest het raffinement van moderne sociologische en psychologische methoden niet nodig.
Het is goed om juist op dit punt aangeland onze overwegingen te besluiten met een enkel woord over de rechte ambtsvervulling en de dienst der gebeden. Het is merkwaardig en wellicht zelfs een teken aan de wand, dat in het huidig gesprek over het ambt het gebed niet aan de orde komt. Wij weten, dat de reformatoren Luther en Calvijn grote bidders geweest zijn. Wij weten dat ook van de apostel Paulus. Calvijn heeft over het gebed als theoloog diep nagedacht. Het gedeelte over het gebed in de institutie behoort tot de schoonste stukken van Calvijns hoofdwerk. Maar ook in de praktijk heeft Calvijn de dienst der gebeden verricht voor en samen met de gemeente die hij diende. Wij denken aan zijn gebeden elke dag bij de prediking en bij zijn colleges. Wij denken ook aan de gebeden die hij schreef voor de Geneefse liturgie. De publieke dienst der gebeden was bij Calvijn veel omvattend. Alles kwam daarin aan de orde. Maar ook in de binnenkamer en als zielzorger was Calvijn een bidder. Wie de moeite neemt om zich in zijn briefwisseling te verdiepen krijgt daar een diepe indruk van.
Deze dienst der gebeden was geen onzekere zaak, maar een zaak van vast geloof midden in alle aanvechting. Calvijn wist alle noden op Christus te werpen, en wist zich zeker van de verhoring in Hem. Hij is de grote Hogepriester, Die in het heiligdom is ingegaan. In Hem zijn we zeker van de verhoring en zeker van de zegen niet op ons maar op Gods Woord. Het gebed is niet slechts het voornaamste stuk der dankbaarheid, maar ook een zeer belangrijk stuk van de wezenlijke ambtstaak. Het ambt is voor een mens te zwaar om te dragen, en daarom is de roep om de hulp en bijstand van Gods Geest zo volstrekt noodzakelijk. Het Woord bedienen, het zaad van het evangelie uitstrooien, is niet klaar met wat redenaarstalenten of zielzorgelijke gaven. Met alle begaafdheden is de ambtsdrager tot niets in staat. Maar de ambtsdragers dragen hun schat in aarden vaten. De uitnemendheid van de kracht is uit God. Het ambt kan alleen maar in dat besef recht gedragen worden. In de bede om Gods kracht, en daarin in de zekerheid dat niemand Gods werk kan verhinderen en dat Zijn Woord nooit ledig wederkeert. Zo mogen de ambtsdragers getroost en met vreugde hun ambt dragen.
Bodegraven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's