De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ontkoppeling belijdenis en Avondmaal?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ontkoppeling belijdenis en Avondmaal?

11 minuten leestijd

Het is al weer enkele maanden geleden dat dit onderwerp (toen onder het opschrift: kinderen aan het H. Avondmaal!) door mij in dit blad is besproken. Ik heb toen bezwaar gemaakt tegen verschillende argumenten, die werden aangevoerd om de Avondmaalstafel toegankelijk te stellen voor kinderen; en ook (en dat niet het minst) tegen de averechtse voorstelling van hetgeen de Gereformeerde theologie over de betekenis van het Sacrament zou hebben uitgesproken. Wanneer men belijdenis en Avondmaal wil ontkoppelen, dan mag dat niet vanuit de veronderstelling, dat bij het vasthouden aan het verband tussen die twee, het Avondmaal een soort beloning of verzegeling van het geloof zou betekenen. Niet het gelóóf wordt verzegeld, maar de belofte van het Evangelie. Daardoor wordt het gelóóf versterkt. Maar dat geloof, dat de belofte des Evangelies van Godswege, voorzien van Zijn zegel, ontvangt, is zich dan wel bewust van de dingen, die in dat Evangelie bedoeld worden.

Doop en Avondmaal verzegelen inderdaad hetzelfde Evangelie. Er is immers geen ander Evangelie, dan dat van Hem, Die in de wereld kwam om het verlorene te zoeken, om zondaren zalig te maken. Maar de beide Sacramenten zijn niet identiek, noch in de vorm, waarin zij bediend worden, noch wat betreft degenen, aan wie zij worden geschonken. Ook voorstanders van het kinderavondmaal zullen in de regel uitgaan van de veronderstelling, dat deze kinderen in hun prille jeugd eens en voorgoed gedoopt werden. Die Doop werd onbewust ontvangen. God de Here vroeg naar ons, toen wij naar Hem nog niet vragen konden. Maar bij het Avondmaal zijn wij niet passief, maar actief betrokken. Het is een 'vieren', een 'doen ter gedachtenis', een 'verkondigen van de dood des Heren', 'een onderscheiden van het lichaam des Heren', en in verband daarmede 'een beproeven van zichzelf' — allemaal bijbelse uitdrukkingen van de wijze, waarop het Avondmaal gehouden wil worden.

Nu ontving ik dezer dagen een stencil, waarin 'enkele gedachten over de toelating van doopleden aan de maaltijd des Heren' zijn weergegeven. Het is van de hand van ds. O.Th. Boonstra uit Leidschendam. Er staan enkele dingen in, waarin ik wel met hem mee kan gaan. Als hij het b.v. de vraag acht 'of de ouders vandaag in godsdienstig opzicht hun kinderen even consciëntieus begeleiden als de Joodse ouders indertijd deden in verband met het Pascha', dan staat bij mij dat vraagteken even groot als bij hem. Voor collega Boonstra is dit een reden (en ook voor zijn wijkkerkeraad) om geen kinderen beneden 12 jaar toe te laten tot de H. Dis, omdat het geen enkele zin heeft, de kinderen te betrekken in iets, waarvan zij geen besef hebben. Met hem zou ik deze opmerking willen doorgeven aan allen, die zonder meer het Avondmaal gezinsgewijs willen doen vieren, zonder een leeftijdsgrens te stellen. Waarom zal men die kleuters van 4, 5 jaar dan ook niet meenemen, als ze dat graag willen, en men geen antwoord weet, als ze eventueel zouden vragen: waarom wij niet? Maar wat wordt er dan van al die bovengenoemde werkwoordsvormen, waarin de Bijbel uitdrukt, wat wij aan het H. Avondmaal komen doen? Al Avondmaalvierende raakt men het Avondmaal kwijt. Wat men overhoudt komt te liggen in de sfeer van een gevoelsmatig bepaald, vaag religieus handelen, waarbij de natuurlijke religie (indertijd nogal scherp veroordeeld) weer alle kansen krijgt en het Avondmaal zijn sacramenteel karakter als bezegeling van de beloften des Evangelies van Godswege verliest en verloopt in een broedermaaltijd, een 'agapè', die op zichzelf erg mooi kan zijn, maar die haar sacramentele kracht kwijt is.

Ik moge verwijzen naar hetgeen Calvijn in zijn Institutie (IV, 16, 30) hierover schrijft. Hem wordt van de zijde van de tegenstanders van de kinderdoop verweten, dat hij aan de kinderen wel de Doop, maar niet het Avondmaal toestaat. En dan zegt hij: 'Alsof de Schrift niet op alle manieren een groot verschil aanwees. Het is wel in de oude kerk herhaaldelijk geschied, dat men de kinderen het Avondmaal gaf, gelijk blijkt uit Cyprianus en Augustinus; maar terecht is die gewoonte afgeschaft (cursivering van mij, v. d. W.)'. Even later zegt hij, 'dat het Avondmaal toegewezen is aan hen, die vrij wat ouder zijn en reeds geschikt zijn tot vaste spijs. Dit onderscheid wordt zeer duidelijk in de Schrift aangewezen. Want de Here maakt in de Schrift, wat de Doop betreft, geen onderscheid in ouderdom. Maar het Avondmaal biedt Hij aan, niet opdat allen gelijkelijk daar deel aan zullen hebben, maar alleen zij, die in staat zijn het lichaam en bloed des Heren te onderscheiden, hun eigen consciëntie te onderzoeken, de dood des Heren te verkondigen, en de kracht daarvan te overwegen. Willen wij iets duidelijkers hebben, dan hetgeen de apostel leert (1 Cor. 11:28), wanneer hij vermaant, dat een ieder zichzelven beproeve en onderzoeke en dan ete van dit brood en drinke uit die drinkbeker? Er moet dus een onderzoek voorafgaan, en dat zal men van de kinderen tevergeefs verwachten'. Nog even verder: 'indien slechts zij waardiglijk aan het Avondmaal deel kunnen nemen, die de heiligheid van het lichaam van Christus behoorlijk kunnen onderscheiden, waarom zullen wij dan aan onze tedere kinderen vergif uitreiken voor levendmakend voedsel'. Op dezelfde wijze argumenteert Calvijn in verband met de andere, in de Bijbel genoemde, aspecten van de Avondmaalsviering. Redenen genoeg om het echte Kinderavondmaal af te wijzen.

Een gedachte, waarmede ik kan meegaan, is, wanneer ds. Boonstra zegt, dat de kerkeraad van zijn wijkgemeente geen ontkoppeling voorstaat van H. Avondmaal en 'belijden'. Het gevaar is immers niet denkbeeldig, dat men de verbinding belijdenis-H. Avondmaal handhaaft, maar dat er in de practijk van het belijden van de Naam des Heren voor de mensen (Matth. 10:32) weinig terecht komt. Velen komen er gemakkelijker toe op een zondagmorgen onder grote welwillende belangstelling van gemeente, familie en vrienden een plechtig 'ja' uit te spreken, dan in de onwelwillende sfeer van het ontkerstende leven, vrijmoedig te spreken van de enige Naam, Die onder de hemel gegeven is, waardoor wij èn die anderen behouden moeten worden.

Ds. Boonstra is begonnen met te vertellen van iemand van meer dan 60 jaar oud, die 'officieel' geen belijdenis gedaan had, maar die gaarne aan het H. Avondmaal deel zou nemen. Ds. B. heeft toen naar het gezicht van deze man gekeken en gezegd: 'als ik u zo aanzie, en uw verzoek serieus neem, dan kan ik alleen maar zeggen: u hebt in uw leven al zoveel beleden en ge-leden. Trouwens ik nodig u niet uit, het is de Heer Zelf, Die u nodigt. Daarom is het feest.’

Kijk, ik meen, dat we zo niet mogen argumenteren. Het gebruik van het woord 'officieel' klinkt mij hier te tendentieus gericht tegen de waarde van het institutair (om dit lelijke woord voor een duidelijke zaak te gebruiken) karakter van de kerk in haar zichtbare gestalte. Juist bij het Avondmaal komt uit, dat wij hier niet te doen hebben met een maaltijd, die we ook als christenen onder elkaar buiten de kerk om wel zouden kunnen houden, zonder zo'n 'officiële' ambtsdrager als de dienaar des Woords. Ds. B. beroept zich nogal eens graag op Calvijn. Maar laat hij dan diens Catechismus maar eens nalezen. Zondag 55 begint met de vraag: 'Mag een ieder zonder onderscheid Doop en Avondmaal bedienen'? Daarop luidt Calvijn's antwoord: 'geenszins, dit is de bijzondere taak van hen, die in de kerk de opdracht van het publieke predikambt hebben, want het Woord prediken en de Sacramenten bedienen zijn zaken, die bij elkander horen'.

Een kerkorde is zo mogelijk in de tijd van de Reformatie nog sterker dan een noodzakelijke vormgeving van het leven der gemeente naar Bijbelse maatstaven gevoeld dan in de tijd van het Piëtisme, waaraan het accent op de geloofsbelijdenis gaarne toegeschreven wordt. De 16e eeuw heeft zich meer om de kerkorde bekommerd dan de 18de. Nu proef ik in het stuk van ds. B. een neiging tot devaluatie van kerkordelijke bepalingen en verbanden. B.v. ds. B. erkent, dat het openstellen van de maaltijd des Heren voor Doopleden een experiment is, dat de kerkorde eigenlijk niet kent. 'Maar', zo zegt hij, 'er moet ruimte zijn voor het experiment, anders gebeurt er niets en is het in de kerk een zaak van 'op de plaats rust'; maar 'rustroest'. En dan volgt deze bedenkelijke opmerking: 'het is trouwens volstrekt onjuist om altijd en eeuwig te wachten op sanctie van hogerhand. Die sanctie komt echter wel, als het gebeuren van onder op vanuit de gemeente zich doorzet.' Hier wordt de deur opengezet voor elke willekeurige gemeente-theologie die alle kerkelijke dranghekken onder de voet loopt en waarbij, bij gebrek aan een koning in Israël, ieder doet wat goed is in zijn ogen.

Hoewel ik persoonlijk helemaal geen reglementair mens ben, meen ik toch te moeten waarschuwen tegen zulk een argumentatie met de daarbij passende practijk, die buiten de aan de Schrift getoetste, weloverwogen overeenstemming der kerk eigen gang gaat, waarbij allerlei subjectieve meningen en gevoelens vrij spel krijgen.

Dat subjectieve zit ook in het antwoord van ds. B. aan zijn 60-jarige. Hij heeft die man aangekeken! Maar wat, wanneer de kijkende ambtsdragers niet zulke goede ogen hebben als ds. B.; of wanneer het lijden en belijden niet zo duidelijk van iemands gezicht af te lezen zijn als het geval was met deze oudere man? Wat voor bezwaar kon er voor deze man in steken om alsnog de ordelijke weg van de gemeenschap der kerk te gaan en belijdenis des geloofs af te leggen? In de loop der jaren hebben bij mij tal van mensen van in de 60 en in de 70 jaar zelfs belijdenis des geloofs afgelegd. Wel heb ik nooit bezwaar gemaakt, wanneer een ouder dooplid door bijzondere begeerte gedreven werd naar het H. Avondmaal. Maar daaraan werd wel verbonden de roeping om nu in de ordelijke weg belijdend lidmaat der kerk te worden. Ik denk aan die man van 55 jaar, die als dooplid met grote ontroering aan het H. Avondmaal deelnam, daarna belijdenis deed en nog tal van jaren de gemeente diende als ouderling. Of zou men het belijdend lidmaatschap maar helemaal willen afschaffen ook voor de ambtsdragers, omdat dit toch maar vormelijke officiëlerigheid voorstelt? Zijn we trouwens met heel onze waardering van plaats, taak en karakter van het ambt niet bezig zozeer alle vastheid te verliezen, dat ook de ambtelijke bediening van Woord en Sacrament in het menselijke relativisme dreigen te verzanden en daardoor de troost en de kracht van hetgeen van Godswege geschonken wordt gaat wankelen?

Naar aanleiding van het studierapport 'Wat is er aan de hand met het ambt?' dat door de Synode is aangeboden, stelt prof. Haitjema in het nr. van 5 november van het Hervormd Weekblad boven zijn bespreking van dit rapport de vraag: 'Zal dit nu in discussie gekomen vernieuwingspatroon voor het kerkelijk ambt niet met noodwendigheid onze Synode uit de hand lopen?’

Hij haalt uit dit rapport (van de hand van prof. Berkhof) het volgende aan: 'Om de gedachten gemakkelijker te bepalen, maken we zoveel mogelijk gebruik van de ambtsterminologie, die ons door het Nieuwe Testament en onze gereformeerde traditie wordt aangereikt. Dat heeft voor ons natuurlijk geen principiële betekenis'... Prof. Haitjema wil veronderstellen, dat prof. Berkhof door tijdsgebrek zich hier gehaast, onvoorzichtig en meerzinnig uitdrukt; maar hij vreest dat hier 'een allergevaarlijkst misverstand een vrijbrief zal willen lezen om als mondige mensen van onze tijd stoutmoedig opruiming te houden met alle sta-in-de-wegs'. Ik vrees, dat de ontkoppeling van belijdenis en Avondmaal ook uit diezelfde achtergrond opkomt. 'Waarom mogen wij niet', 'waarom hebben wij niet het recht' en dergelijke uitdrukkingen zijn typerend voor de gangbare mentaliteit en weinig in overeenstemming met de verwondering, dat zondige mensenkinderen mogen aanzitten aan de Tafel des Heren; een verwondering verwant aan die van de verloren zoon, voor wie de vader een feestdis aanrichtte en die van zichzelf hartgrondig een 'niet waardig' uitsprak. Dat geeft aan de blijdschap van het H. Avondmaal een geheel eigen karakter.

Ondanks het legitieme accent op het 'belijden' in de dagelijkse levenspractijk, lijkt het mij in strijd met het karakter der kerk als belijdende gemeenschap om de belijdenis des geloofs te devalueren tot een soort confirmatie, waarvan de plaats onzeker en het karakter dubieus is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Ontkoppeling belijdenis en Avondmaal?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's