Knielende wijzen....
...eerbiedig' onderzaten
nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden — Mattheüs 2:11.
Gelukkig de mens die in vreugde leeft, omdat zijn God belooft en geeft. Zalig de oren, die doorboord, immer weer en immer meer de vermogende herscheppingswoorden ontvangen: Ik zal en zij zullen. Ik zal en zij zullen dat is de diepe dragende toon, die de evangelie-muziek maakt. Ik zal en zij zullen; als ik dat hoor moet ik denken aan die volkomen terecht zelfverzekerde uitspraak, die eeuwig geruststellend luidt: Mijn Raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen.
Bevrijden des HEEREN worden verzameld uit de landen; uit het oosten en uit het westen. Velen zullen komen van oosten en westen en zullen met vader Abraham, het kind van het oosten, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen. Ze zijn gekomen de wijzen uit het oosten. Ze zijn gekomen de zonen van het wijsgerige volk uit het westen. De oosterlingen kwamen voor de jonggeborene en de westerlingen voor het stervende Tarwegraan, boven Wiens hoofd stond: Jezus de Nazarener, de Koning der Joden. Eerstelingen van de rijke oogst.
Het is een lieve lust het samen te hebben over de wijzen uit het Oosten, want er wordt evenals destijds in het gebergte van Judea nog veel gesproken van al deze dingen, al is het lang niet genoeg. Het is wel dwaas van de Beatles, die lawaaimakers, om te beweren dat hun namen beter bekend zijn dan de enige die onder de hemel ter verlossing is gegeven. Laten ze zich afvragen wie er over twintig eeuwen hun naam nog zal noemen, indien de wereld dan nog bestaat tenminste.
Over de wijzen kan ik u niet veel wijzer maken. Er is genoeg gefantaseerd en geromantiseerd. Ge kunt overal terecht. Eerlijk gezegd doet het er weinig toe en boezemt het me geen belang in hoedanigen zij eertijds waren. Het wonder is dat dit verre oosten het nabije oosten werd. Hoe dan ook zijn de wijzen — astrologen of magiërs, of welke naam ge wilt geven — door een bijzonder verschijnsel aan de sterrenhemel, misschien van Saturnus, de Jodenster, zoals sommigen beweren, geattendeerd op de geboorte van de Koning van de Joden, wiens heerschappij zegenrijk zou zijn. Hun wetenschap was niet waardenvrij, want ze hebben hun reisschoenen aangetrokken en een zware reis aanvaard. Als voorhoede van het gezegend heidendom wilden ze het geluk van deze Koning prijzen.
De grootste ontgoocheling wacht bij hun aankomst in Jeruzalem. Ze hadden stellig de stad van de grote Koning in feeststemming gedacht. De genodigden van ver kwamen, maar de zalen waren gesloten. Niets is benauwender dan een dode kerk en een verstorven gemeente van de levende God, om het even of men zich hult in frisse vrijzinnigheid of muffe orthodoxe zwaarte. Het apparaat functioneert, maar het gelijkt een dure kerkelijke computer. Te Bethlehem in Judea gelegen. Zonder hapering geeft de hele vergaderde christenheid bescheid. Deze kerk heeft wel te antwoorden, maar heeft geen vragen. Het is een bittere aanklacht, wanneer we deel uitmaken van een gemeente die wel de juiste antwoorden hanteert, doch de levende vragen lang en breed is gepasseerd. De wijzen dragen de levende vraag in hun hart. Catechismus is vraag en antwoord, wilt ge daar goed aan denken. Het reisbureau geeft deugdelijke informatie, maar het blijft zitten waar het zit. Slechts Herodes wendt grote heilbegerigheid voor. De staat wil evenwel het fundament van de kerk vernietigen. Als we het 'Leve de koning' omkeren lezen we: 'God moet dood’.
De wijzen hebben inmiddels Jeruzalem reeds verlaten en naderen Bethlehem. Plots zien ze weer hun ster, de ster die ze hoe lang al geleden in het oosten hadden waargenomen. Kunt ge u voorstellen, dat ze intens blij waren? Ik weet al te goed hoe gevaarlijk het is krampachtig alle mogelijke tekenen te zoeken en hoe tal van mensen op die manier in de woestijn in plaats van in Bethlehem terecht komen, niettemin behaagt het de Heere soms onder bepaalde condities afgezien van de betrouwbare zegelen en tekenen gebruik te maken van bijzondere aanwijzingen. Wanneer dat gebeurt geeft dat een voldoening van een heel apart karakter. Nogmaals laat al wachtend uw beurt niet voorbijgaan en weet dat zulke tekenen gevonden worden door wie er niet naar zocht. Wellicht hadden ze dit teken hard nodig, opdat het hun binnenshuis niet al te zeer zou tegengevallen zijn.
Thans was er evenwel alle reden om nedervallende te aanbidden. Speciaal bij de evangelist Mattheüs luistert het zeer nauw, wanneer hij de term 'aanbidden' gebruikt. Bij hem gaat het bepaald om hulde aan goddelijke waardigheid. Eenvoudigste herders hebben gejubeld en voorname geleerden van het einde der aarde bogen zich diep in het stof. Het is een preludium, een voorspel, op de hele levensloop van de Zoon van God. In de gemeente was het een zielloos schimmenspel terwijl het verachte samen met het heidendom de buit behaalde. Toch nog weer om het volk jaloers te maken, want de Heere vergeet zijn toezegging niet. Deze lieden uit het verre land hadden geen standpunt, zoals wij maar al te vaak en al te nadrukkelijk; ze vonden een plaats om te knielen. Niet op commando of op een afgesproken teken knielden ze neer, maar innerlijk gedrongen vielen ze letterlijk op hun aangezicht, zoals Rebekka halsoverkop van haar rijdier tuimelde toen de wonderlijkste gewaarwording zich van haar meester maakte, toen haar echtgenoot opdaagde. Het is een weldaad wanneer een mens gedrongen wordt te knielen. Wij hebben op elkeen wel iets aan te merken, ongeacht onze waardering. Deze is iets te dit en die iets te dat. We kennen geen mensen zonder het kleine woordje te voor de eigenschappen, die we hun toeschrijven. Voor het kleine Christuskind worden grote mannen klein, omdat Hij oneindig groot is. Hij is hun Koning, die het zaligst lot ver boven alle goôn kan schenken. Komt buigen w' ons dan biddend neer; komt, laat ons knielen voor den HEER. Niet alles lezen we van deze mensen. Geen gewag wordt gemaakt van schuldbesef en verslagenheid, van nood en kommer, maar dacht u dat het geen verloren zonen waren die uit een vergelegen land weerkeerden tot hun wettige Bezitter en Leidsman? Hun eerbiedige buiging is als een bloesemknop, waarin de volkomen religie besloten ligt. De God aller genade heeft deze blinden geleid langs ongeweten wegen, zal Hij ze niet geleiden tot in alle eeuwigheid, opdat ze eenmaal met heel de schare van bevrijden Gods zullen deelnemen aan de eeuwigdurende aanbidding, die plaats heeft in de hemel? Immers Johannes verhaalt in de Openbaring hoe alle volken en koningen zullen komen om God te aanbidden in het nieuw Jeruzalem, waar geen Herodes als usurpator heerst.
Het neervallen en eerbiedig aanbidden wijst op een overweldigd gevoelen van diepe eerbied en verwondering. In 1 Cor. 14 zegt Paulus, dat iemand diep onder de indruk van profetisch optreden vallend op zijn aangezicht God zal verkondigen. Dat is de enige keer dat Paulus deze uitdrukking gebruikt. Het moet wel een unieke gebeurtenis zijn, wanneer mensen van Godswege gedrongen zich ter aarde werpen voor de verheven Majesteit, die ze op zeer kennelijke wijze ervaren. Het is alsof reeds het geloof plaats maakt voor het verbaasde aanschouwen. Mattheüs verhaalt van velen, die aanbiddend bogen. Hier een melaatse en ginds een synagogevoorzitter, verderop een Syro-Phoenicische en aan de vooravond van het lijden de vrouw van Zebedeus. Laten we vooral niet vergeten de jongeren met Christus aan boord op het moment dat de wind stil werd: Waarlijk Gij zijt Gods Zoon. Daar gaat het om, dat we erkennen dat we in waarheid te doen hebben met God Zelf. Ook was Samuel biddend, zingen we. Zijt gij in de rij van de aanbidders? Ook is . . .
Vind ge het niet een droef merkteken van de ontluisterde eeuw, waarin we leven, dat een mens niets meer heeft overgehouden waarvoor hij zou kunnen of willen buigen? We hebben het druk over de geseculariseerde wereld. De een acht het een zegen, de ander weegt de voor- en nadelen tegen elkaar af en een derde vindt het wel erg dat alles zo anders is dan vroeger, maar het is de vraag of hij niet treurt om bijkomstigheden, aangezien hij niet beseft waar het nu helemaal precies aan schort. In deze onttakelde wereld is er niets meer waar men voor knielen kan. Het hoogste en heiligste wordt omlaaggehaald. Het is een geestelijke beeldenstorm, die de deskundigen ook wel brainstorm noemen. Uit de hersenen wordt zelfs de minste notie gespoeld, dat er een God bestaat en dat Deze Zijn Zoon naar deze wereld zond. Alles vonden de wijzen in dit Kind, dat ons van Godswege is geworden tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en een volkomen verlossing. Wijzen vonden de Wijsheid in persoon. Dat is met recht een onvergetelijke belevenis. Ontzaglijk veel verdwijnt uit de samenleving dat ons bond aan de Openbaring van Gods Zoon. Laten we niettemin bidden om de genade, dat we gedurig in ons leven iets mogen ontwaren van de werking van de Koning, die eens aanbeden door de wijzen uit het Oosten, thans heerst aan de rechterhand van Zijn Vader over alle dingen. Als we aanbidden stijgt onze bede vol verering en liefde opwaarts. Nood leert bidden heet het. De uitredding zal het wel gauw afleren. Laten we het er echter even op houden dat nood bidden leert, dan zal de milde overvloed van het verse heil ons leren aanbidden. Wie aanbidt brengt een offer, hij wijdt zichzelf volkomen aan Zijn Koning. Het heidendom ligt hier in Bethlehem voor Zijn stoel — misschien wel de schoot van Zijn moeder — gebogen. God maakt heidenen eerbiedige onderzaten van het onbeweeglijk Koninkrijk. De overlevering maakt van de wijzen koningen en liefst drie. Het zij zo. Al misten ze rechtens koninklijke waardigheden, elk mens, komende in de wereld, u en ik, zijn op onze manieren koningen, koningen in ons eigen vorstendommetje, waar we als god in de tempel pronken. Wie nedervallende aanbidt legt zijn gewaande waardigheid en zijn geroofde kroon neder aan de voeten van de eeuwig Gezegende. Vorsten wilt de wet der wijsheid horen, men kan zich wel uitgeven voor wijs, maar er bestaat een wet der wijsheid, die we moeten horen, want anders zijn we dwaas geworden.
Toen Jozef na Farao tweede werd in diens domein, riep men bij Jozefs nadering: Knielt! Ziedaar de roeping van lieve christenen. Ze zijn hier in welke staat of roeping en in welk ambt of beroep, behalve koningskinderen, tevens konings knechten, die uitroepen: Knielt. Het moet alles voor Hem buigen. Niettemin is het met een simpele uitroep, hoe luid en nadrukkelijk, niet gereed. Hoe kunnen oneerbiedigen oproepen tot eerbied?
*
Laten we in deze ontkerstende wereld nu eens een goed Kerstfeest vieren. Dan moeten we niet te kleinzerig zijn, want we zijn ontzettend kleinzerige mensen. Niet kleinzerig moeten we zijn, wanneer er niets anders meer opzit dan ons neer te werpen voor de voetbank van Zijn voeten. Als we buigen breken we als het ware onze hoge statuur. Op letterlijk alles oefenen we critiek. Ieder mag weet ik wat zijn, maar we zetten er gauw het woordje te voor. Wie knielt voor zijn Heere is echter weltevreên. Handelt verstandig, gebruik het kleine beetje en slecht benutte verstand en laat u tuchtigen. Dit jaar kunnen we nog met de wijzen op reis. Laat uw woord en wandel uit milde overvloed van vrije genade wezen een onweerstaanbare uitnodiging en een heilige verlokking om te knielen voor de Koning van alle joden.
*
En, waar men ooit de wildste volken vond,/ Zal God ontvangen/ Aanbidding, eer en dankb're lofgezangen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's