Hij poogt d’ Onnooz’le te vernielen door ’t moorden van onnooz’le zielen
Openbaring 12
De kleine beek slingert zich door het vlakke polderland. We wandelden over de weg, die al kronkelend zich voegde naar haar stroomgebied. Maar ineens duikt de beek weg achter een oude boerderij en we verliezen haar uit het oog. Straks vinden we haar terug, maar even later verdwijnt ze achter een hoge rietkraag. Later hervinden we haar, als we een bruggetje zijn overgegaan, maar nu aan onze andere hand. Het is moeilijk een beeld te vormen van haar loop door het land.
Dan naderen we het dorp, waar een kerkje zijn spitse toren naar de hemel heft. De koster geeft ons de grote sleutel en over krakende trappen gaan we naar boven. Een luik wordt opengestoten, de wind blaast ons fel om de oren. Beneden ligt het dorp, de weiden en de akkers. Ook de kleine beek, die nu haar geheimen niet langer verbergt. Als een lint van zilver slingert zij zich tussen de weilanden door, zichtbaar en met het oog te volgen van het begin tot waar zij wegduikt in de donkere sluis.
Op onze wandeling zagen we gedeelten, die iets toonden van haar schoonheid, nu zien wij de beek geheel en kunnen haar overzien.
Dit nu wil Johannes ons in hoofdstuk twaalf van zijn openbaring, die Gods openbaring is, ook doen zien.
Wij staan in de adventstijd telkens stil bij een van de bochten in de beek van de beloften van God. Stil verwonderd hebben wij iets gezien van de heerlijkheid van de komende Messias. Telkens weer anders, altijd weer vol heerlijkheid.
In de verdere tijd van het kerkelijk jaar zullen we de beek blijven volgen. Soms een beek rood van bloed, dan weer schoon en blij als Gods lentemorgens zelf zijn. Steeds weer gedeelten, die een evangelie zouden kunnen vullen.
Maar in Openbaring twaalf neemt de ziener van Patmos ons mee naar zijn hoogte, vanwaar wij veel meer kunnen en mogen overzien. Niet alleen gedeelten maar het geheel van het verlossend werk van de Heere, dat ons in beloften is gegeven. En de vervulling van die beloften, ondanks de felle tegenkanting van de machten der duisternis.
De Schrift doet ons hier de eeuwen overzien.
*
Hoog heft zich de hemel boven het hoofd van Johannes. Hij ziet omhoog en schouwt een groot teken.
Groot in omvang.
Groot van betekenis.
Een vrouw wordt zichtbaar, bekleed met de zon; de maan is de schabel, de bank voor haar voeten. Een sterrenkrans omringt haar.
Het is een vrouw in verwachting, schreeuwend in toenemende pijn. Wie dit is?
Zeker in de adventstijd hebben wij de neiging om meteen aan Maria te denken. Een gedachte die we in de loop van de eeuwen zien vertolkt en verbeeld. Ik denk aan een van goudse kerkglazen, waar de rode mantel van Maria gloeit van licht en heerlijkheid.
Nu is dit niet onjuist, maar het beeld, het grote teken, is veel meer. Het is het volk, dat zijn Messias verwacht.
Israël, dat vol verlangen bidt om de komst van Immanuël.
En straks is het beeld nog wijder geworden. Dan gaat het om 'Gods lieve, arme, gekwelde en innerlijke verheerlijkte volk' van alle tijden.
Daarom behoort Adam bij deze vrouw. Adam, die in adventsgeloof zijn vrouw, die sterven zal, de naam geeft van moeder van leven, Eva.
En Eva zelf, die haar eerste kind begroet met de jubel, dat zij een man van de Heere, met behulp van de Heere, kreeg. En Lamech, die het eerste kind, dat na Adams dood geboren wordt, aanduidt als de trooster, Noach.
En Abraham, die de dag van de Messias ziet en gelooft en zich verblijdt.
En Jacob, die op de zaligheid van deze God wacht.
En allen, die de verlossing te Jeruzalem verwachten in Jezus' dagen.
En Simeon, die de belofte draagt, dat hij niet sterven zal, voordat hij de Messias van de Heere heeft aanschouwd.
Een verwachting in pijn, die schreeuwen doet.
Een verwachting de eeuwen door:
Kom, o kom, Immanuël,/ naar U ziet uit Uw Israël.
Een ander beeld tekent zich af aan de hemel. Een ander, niet een groot teken, want Gods teken ten goede is meer en groter dan het teken van het kwaad.
Een vuurrode draak, rood van bloeddorst, rood door het bloed van Gods martelaren.
Zeven koppen verbeelden een zevenvoudig verstand.
Tien horens een tienvoudige macht.
De koppen dragen kronen; de draak is immers de overste van de wereld.
Zijn staart zwiept een derde deel van de sterren van de hemel.
Het is niet moeilijk om deze draak te herkennen. En zou dit niet zo zijn, hij wordt ons voorgesteld als de oude slang, de slang van het paradijs, de duivel, de lasteraar, de satan, tegenstander van God, de verleider van de wereld.
De rode draak staat voor de vrouw, die haar Kind verwacht, gereed om het Christuskind te verslinden, zodra het ter wereld komt.
Zoals we de neiging hadden om bij de vrouw meteen aan Maria te denken, zo willen we nu dadelijk spreken van de kindermoord van Bethlehem.
Maar ook hier moeten we zeggen, dat dit meer is, veel meer.
Het is de aanslag van de oude slang, de draak op de vervulling van de belofte, dat de Verlosser zal komen.
De aanslag, die zich telkens herhaalt, als Gods volk, dat de belofte draagt, bedreigd wordt met ondergang en vernieling.
De draak staat aan de Nijl, die zich kleurt met het bloed van de kinderen van Israël. De draak heeft de hand in het spel, wanneer vorsten en volken Israël ten ondergang willen doemen.
De rode draak valt aan, als de kinderen van Bethlehem worden vermoord:
Hij poogt d' Onnooz'le te vernielen/ door 't moorden van onnooz'le zielen/ en wekt een stad en landgeschrei/ in Bethlehem en op de akker/ en maakt de geest van Rachel wakker,/ die waren gaat door beemd en wei.
Daar is dus de beek van de beloften voor de vrouw, die wacht.
Daar is de bloedrode stroom van kwaad, die de vrouw in haar verwachting bedreigt.
Wat zal er gebeuren?
Komt de Messias van Israël en van de volken in een wereld, waar de draak heerst? Een wereld, waar voor het Kind, door toedoen van de draak, geen plaats is in de herberg?
De draak staat voor de vrouw, maar de vrouw baart haar Zoon, een mannelijke Zoon, die de volken zal hoeden met een ijzeren roede.
Gods goede beloften, waardoor de verwachting van de vrouw, van Gods volk, werden gewekt, kunnen niet door de draak worden gekeerd.
Der wereld zwellend ongeduld/ ving eindelijk te bloeien aan./ God heeft zijn heerlijkheid verhuld,/ is als een Kind ontstaan.
Snel stroomt nu de beek van de gedachten verder.
Het Kind wordt weggerukt tot Gods troon.
Johannes spreekt nu niet van lijden en kruis, van opstanding, maar alleen van de hemelvaart. Het bedreigde Kind Gods, waarop de verwachting van de hele kerk in leven en dood is gebouwd, is veilig bij God.
Jezus is veilig in Gods armen, veilig aan Gods hart.
Maar daarom ook allen, die in hem geloven.
De draak kan de doorwerking van Gods plan niet meer keren.
Maar hij probeert het wel.
Daarom vlucht de vrouw, de gemeente de woestijn in.
Een onherbergzaam oord, maar toch veilig, want de Heere heeft haar daar een plaats bereid.
Daar zal zij leven twaalfhonderd zestig dagen.
Een wonderlijk getal.
Evenals het getal, dat daarna wordt aangeduid als een tijd, tijden en een halve tijd. Het gaat in beide gevallen om drie en een half jaar.
Een jaar dan gerekend op 360 dagen, een tijd, als aanduiding ook van een jaar, tijden als twee jaar en een halve tijd als een half jaar. Drie en een half jaar is immers in de Schrift de aanduiding voor de tijd van de heerschappij van het kwaad, de tijd dus van de rode draak.
Nu verplaatst het beeld zich weer naar de hemel. Nu de draak er niet in geslaagd is om de geboorte van het Kind te verhinderen en hij het Kind, dat naar Gods troon is weggerukt, niet meer kan deren, ontstaat een strijd onder leiding van de aartsengel Michael, die optreedt voor Gods volk, met zijn engelen tegen de draak en zijn aanhangers. Dezen worden verslagen, neergeworpen op de hemel.
Luide jubel breekt los. De draak verslagen, geen aanklacht meer in de hemel tegen de kinderen van God. Zoals Jezus dankte, toen hij de Satan als een bliksem uit de hemel zag vallen, zo dankt de kerk van God nu de aanklacht tegen haar voor Gods troon voor altijd is verstomd.
Gods kinderen overwinnen.
Niet door eigen kracht maar door de kracht van het bloed van het Lam.
Door het getuigenis van het Lam.
Daarom zijn zij bereid tot het offer van hun leven:
Het brengt de draak geen gewin,/ zij gaan de hemel in/ en erven koninkrijken.
Maar de draak gunt de gemeente geen rust.
Hij gaat de kerk vervolgen. Kan hij het Kind niet deren, dan zal hij Hem treffen in zijn kerk.
Maar de vrouw krijgt vleugels als van een arend. Zoals de Heere, naar Mozes lied, Israël heeft gedragen als een adelaar, zo wordt de kerk gedragen door Gods machtige vleugels.
Werpt de draak water uit zijn muil om de vrouw mee te voeren, de aarde, die des Heeren is, opent zich en het water vloeit weg.
Houdt Christus zijn kerk in stand,
dan mag de draak vrij woeden.
Dat zal hij ook doen!
Daar hij weet, dat hem weinig tijd is gelaten, zal hij zijn tijd gebruiken. De kleine tijd drijft hem tot groter toorn.
Maar de kerk leest het omgekeerd: de grote toorn is het teken, dat hem weinig tijd is gelaten.
Hij heeft de kerk in haar geheel niet kunnen vernietigen, maar nu gaat hij de afzonderlijke gelovigen te lijf.
Dreigend staat hij op het zand aan de zee.
De aarde zal zwaar moeten lijden.
Gods kinderen gaan door nood en dood heen.
Maar zij horen de overwinningszang van de hemel klinken over geschonden land: de overwinning is aan God en aan het Lam.
*
Johannes nam ons mee naar de hoogte, waarop de God der eeuwen hem stelde en vanwaar hij de wereldgeschiedenis mocht overzien.
De strijd van de draak, bloedrood.
De vervulling van de beloften, ondanks de draak.
De overwinning van de Heere.
Ondanks alles de veiligheid van zijn kerk.
De beelden zijn heet en fel, maar ieder, die onze tijd kent, heeft ze herkend.
Nog is daar de strijd van de draak, te feller naarmate de tijd korter wordt.
Gods kerk wordt meer en meer de woestijn in gedrongen.
Maar ook daar is er een plaats, die God voor haar heeft bereid.
De woestijn is de wildernis, de ontbering, maar in het hart der woestijn
verkwikken en laven
haar hemelse gaven.
Dat zijn weer de beloften, waaruit de kerk leeft.
Ook zij is een volk van verwachting, vol heimwee.
Vaak schreeuwend in nood.
Maar met een uitzicht naar de toekomst, die al nader komt. De grimmigheid van de draak maakt hem, tegen zijn wil, tot een kroongetuige van de komende Verlosser van zijn volk.
Zo wordt de kerk van alle tijden als een vrouw.
Inderdaad een vrouw, weerloos en zwak. Maar de zon omstraalt haar, de maan is onder haar voeten en de sterren stralen om haar heen.
Het is de luister niet van haarzelf, maar/ van hem, wiens troon zal heerlijk pralen/ zo duurzaam als de zon, zo glansrijk als haar stralen,/ bevestigd als de maan ...
De draak trilt van bloeddorst en nijd.
Maar het Kind komt en komt wéér en overwint!
*
De kleine beek duikt weg achter boerderij en rietkraag.
Ik kan zijn loop niet overzien.
Maar van de toren af, zie ik haar zich kronkelen als een zilveren lint van het begin tot het eind.
De beek van de beloften van God in de wereldgeschiedenis duikt weg in duizend vragen en duisterheden.
Maar wie door Gods genade mag staan op de hoogte, waarop de Openbaring ons stelde, ziet, dat zij ontspringt in het paradijs en doorstroomt, soms rood van bloed door de macht van de draak, totdat zij uitmondt klaar als kristal in het nieuwe paradijs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's