Kerstfeest op het zendingsveld
’t Is nog een hele tocht naar het dorp, waar we vanavond kerstfeest vieren. Eerst een vijftig kilometer rijden en dan het laatste stuk, zeker 4 à 5 km te voet over een niet al te best begaanbaar bergpad. Maar een brandend hart maakt voeten licht.
Wie staat daar te praten? 't Is de ouderling van de gemeente, waar wij heen gaan. Wat doet die hier nu? We stoppen en vragen hem, met ons mee te gaan. Wanneer hij dan rustig naast ons zit en eerst wat naar buiten tuurt, zegt hij ineens in grote verrukking: 'Wat een schone dag vandaag!' En ter verklaring van wat hij bedoelt voegt hij er aan toe: 'Mijn Redder en Losser is geboren!' En wij antwoorden: 'ja, wij gaan kerstfeest vieren.’
Dan begint Pong T. (zo heet hij) zijn verdere verhaal.
’Jaren terug kwam u ook in het dorp, waar ik toen woonde, kerstfeest vieren. Er waren nog niet zoveel Christenen in ons dorp, maar ik zag het aantal steeds vermeerderen. Dat werkte haat en wrok in mij. Ik zag ramp en ondergang komen over ons dorp omdat zo velen het geloof van onze voorouders de rug toe keerden.
Die avond ging ik ook naar de school, waar u met de Christenen dat kerstfeest zou vieren. Ik ging niet omdat ik ook Christen wilde worden, maar ik wilde horen en zien wat daar gezegd en gedaan werd. Ik zou zeker dingen horen, waarmee ik, nadat u weer weg zou zijn, de Christenen kon belagen. Nee, niemand heeft mij die avond gezien. Ik hield mij verborgen tot allen binnen waren en zocht een plek, waar ik door de reten van de wand alles kon zien en horen.
Toen u begon te spreken vroeg u: 'Waarom vieren wij kerstfeest?’
Uit het boek van God vertelde u toen, dat de Schepper van hemel en aarde ook de mens heeft geschapen. Dat Hij de mens zó mooi, zó rijk en zó gelukkig geschapen heeft, dat wij het ons nu niet meer voor kunnen stellen. Er was vrede en blijdschap in het hart, die door niets gestoord werd. De mens werd door God gesteld als hoofd over alles wat God geschapen had. De mens mocht er in leven en werken zó, dat alles God zou prijzen, omdat Hij het zo geschapen had. De mens leefde zonder vrees en bedreiging, omdat hij leefde 'sisanginaa Puang Matua' (d.i. in wederkerige gemeenschap met zijn God), in dankbare gehoorzaamheid aan zijn God. En God had de mens beloofd, dat dit eeuwig zo zou zijn, wanneer hij bleef leven in die heerlijke gemeenschap met zijn God. Maar zou de mens zijn eigen weg gaan en zich losmaken van de gehoorzaamheid aan God, dan zou als gevolg daarvan de dood in zijn leven komen. Haat en nijd, onvrede, onrust en angst, ziekte en nood. De mensen zouden dat ook nooit meer kunnen herstellen, omdat zij daardoor een verkeerd hart hadden gekregen, dat zelf dat gemeenschapsleven met God had verbroken. De eerste mensen, Adam en Eva, hebben toen, ondanks die ernstige waarschuwing van God, Hem toch verlaten, door te gaan handelen naar hun eigen overlegging, los van de gehoorzaamheid aan God. Uit dat mensenpaar zijn wij, zijn alle volken nu geboren met zo'n verkeerd hart, dat altijd zichzelf zoekt, maar de vrede, rust en heerlijkheid om met God te leven, mist, ook zelfs na ons sterven, levend in een dikke duisternis.
En, zei u toen. God had naar recht het voor altijd zo kunnen laten, want Hij had gewaarschuwd en wij wilden niet luisteren. Maar dit is nu het grote, aanbiddelijke geheim, dat God ons door Zijn Woord doet horen, en dat wij vanavond feestelijk mogen gedenken. God heeft in Zijn toorn ons niet losgelaten, maar een nieuw licht ontstoken. Dat Woord van God leest u geschreven boven deze preekstoel: 'Ik ben het licht der wereld'. Dat zegt Gods Zoon, Die op aarde is gekomen, mens werd door Zijn geboorte uit een vrouw van ons menselijk geslacht, uit Maria. Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwig leven hebben.
Van wat God in Bethlehem deed vertelde u toen verder en u eindigde met de waarschuwing: 'Wij moeten dus allen een nieuw hart hebben, dat God wil scheppen en geven aan ieder, die door Zijn Woord gevormd wordt om het van de Heere te vragen. Verhardt u niet maar laat u leiden’.
Maar wat werd het mij moeilijk, toen ik al maar luisterde en niet kon weggaan, 't Was als werd mijn keel dicht geknepen. Ik werd boos en dacht: hij ziet mij en vertelt aan al die mensen wat hij in mij ziet. Ik wilde schreeuwen en schelden maar kon niet. Ik ben toen naar huis gegaan, maar bleef onrustig. Later ben ik een keer naar de Evangelist gegaan en vroeg hem of hij wist dat u mij die avond gezien had. Hij wist het niet maar dacht van niet. Ik zei weer: maar hoe kon hij dan aan de mensen zeggen wat hij in mij zag, wie ik ben. De Evangelist zei toen, de pandita heeft je niet gezien, maar God zag je en opende door de Heilige Geest je hart, dat je zou zien wie je voor God bent. En God kwam je zeggen dat je een nieuw hart moest vragen. Het Evangelie, het Woord van God zegt: Ik heb in Jezus Christus ook voor jou redding gegeven. Pong T. vertelde nog veel meer en eindigde zijn verhaal weer met de woorden waarmee hij begonnen was: 'Puang Pela' bakku dadimo' d.i. Mijn Redder, mijn Losser is geboren.
*
Wij zijn inmiddels in het dorp gekomen, 't Is een hele drukte bij het kerkgebouwtje, een eenvoudig bamboegebouwtje. De mensen hebben een varken geslacht, en rijst gekookt voor een eenvoudige maaltijd straks en zijn nog druk bezig met het aanbrengen van groen tegen de wanden en voor de preekstoel om het gebouwtje ook een feestelijke aanblik te geven,
’t Wordt echt feest, en in mijn hart hoor ik weer wat Pong T. zei: 'Mijn Redder en Zaligmaker is geboren'. Zou dat nu de blijdschap mogen zijn van allen met wie wij vanavond in grote feeststemming bij elkaar zijn?
’t Duurt nog wel even voor alles klaar is. Die tijd benutten wij maar om met deze en gene een praatje te maken.
Kijk, daar is Indo' R. Haar leven is een geschiedenis op zichzelf. Zij woonde met haar man in een mohammedaans dorp hier ver vandaan. Na al jaren getrouwd te zijn, was haar eindelijk een zoon geboren. Een aardige jongen. Maar toen hij zo ongeveer tien, elf jaar was werd hij ziek. En wat er ook gedaan werd, niets bracht genezing, 't Werd wel steeds erger. De mensen van het dorp begonnen te zeggen, dat hij melaats was. Hij mocht niet in het dorp bij zijn ouders blijven. Hij moest apart in een hutje ver van het dorp verblijf zoeken. Wie beschrijft wat het moederhart leed? In die tijd kwam zijn vader op de markt in gesprek met een paar mannen van dit dorp. Hij vertelde hen het leed van hem en zijn vrouw. Zij toonden medeleven, maar konden ook niet helpen.
Weken daarna kwamen een paar andere mannen uit dit dorp, gestuurd door het dorpshoofd, hen bezoeken. Ze hadden een boodschap.
Na een kerkdienst hadden die eerste twee mannen verteld over het leed, dat er in het gezin van Indo' R. en haar man was. Onder het spreken was het dorpshoofd toen met het voorstel gekomen: die mensen moeten maar bij ons in het dorp komen wonen. Wij kunnen een huisje voor ze bouwen met een apart kamertje voor die jongen. Hij kan dan bij zijn ouders blijven, als hij maar alleen slaapt op zijn eigen mat en de voorwerpen, die de anderen gebruiken, maar niet gebruikt. Alle dorpsbewoners hadden met dit voorstel ingestemd en nu moesten zij komen vragen of ook zij er mee accoord gingen. Zij namen dit aanbod aan en vader ging met de mannen naar hun dorp om mee te helpen het huis te bouwen.
Zo zijn ze met hun drieën hier komen wonen. Daardoor zijn ze als vanzelf ook in aanraking gekomen met de prediking en het geloof in Jezus Christus. Ze zijn nu alle drie gedoopt en nu zijn ze ook op het kerstfeest om met alle andere dorpsbewoners samen te gedenken het grote werk, dat God de Heere gedaan heeft in het geven van Zijn Zoon tot Redding van verloren zondaren.
Indo’ R. kan 't niet nalaten om ook nog even uiting te geven aan wat er in haar hart leeft; voor wat God haar in haar man gegeven heeft.
Hoewel ik hem geen kinderen heb kunnen geven, behalve onze R., die zo'n stakker is, blijft hij trouw bij ons. Andere mannen zouden zeker al lang een andere vrouw er bij genomen hebben of mij verstoten hebben. Maar hij is vol liefde en zorg voor ons beiden. En dan zegt ze, als met een snik van dank uit haar hart: 'Mijn man is heel erg lief, maar onze Heere God is nog oneindig veel liever. Hij gaf Zijn eniggeboren Zoon tot in de helse verlating, om ons tot een Vader te kunnen zijn. Hij is het die ons nu met Vaderliefde verzorgt.’
Weer denk ik aan Pong T. 's vreugdeuiting: 'Wat een schone dag, mijn Redder en mijn Verlosser is geboren!'
Ja, daar staat hij te praten met Lai' B. Die gaan wij ook nog even de hand drukken. Pong T. maakt toch even zijn gesprek met haar af. 'Ik zag je zondag niet aan de Avondmaalstafel. Waarom bleef je plaats leeg?’
Lai’ B. wordt even stil en zegt dan: 'Ik wist dat het viering van het Heilig Avondmaal was. Maar omdat ik toch niet kon mee aanzitten, ben ik maar thuis gebleven. Zij buigt haar hoofd en vertelt verder: een paar dagen eerder had ik ruzie met mijn zuster gehad, 't Was wel niet zo'n erge oorzaak, waarom wij ruzie maakten, maar ik heb toen nog al lelijke dingen tegen en over haar gezegd. Nu was mijn hart nog niet bereid om aan het Avondmaal te kunnen komen, 'k Hoop een volgende keer weer.’
Pong T. schraapt een paar keer zijn keel en zegt: 'Je bedoelt te zeggen: ik kon die morgen de Heere niet ontmoeten aan Zijn tafel.’
Ja, ja dat was het.
’Maar, gaat hij dan verder, mag ik je eens één ding vragen? Zondagmorgen is het je misschien gelukt om God te ontvluchten. Maar je weet, dat de Heere eenmaal geheel onverwachts komt om ons allen voor Zijn rechterstoel te roepen om dan rekenschap af te leggen van wat er in ons hart leeft. Wat zou je hebben gedaan, als de Heere dat nu eens had laten samenvallen met het ogenblik toen Hij je riep om de dood van onze Heere Jezus Christus te gedenken?’
’t Wordt even angstig stil. Lai' B. schuifelt wat verlegen met haar voet. Dan kijkt ze op. Ze ziet het 't is Pong T. niet te doen om haar wat verlegen te maken. Hij is haar ouderling.
Dan ... wat schokkend met haar schouders zegt ze: 'Dan zou ik Mijn Verlosser vast grijpen, achter Hem gaan staan en smekend fluisteren: Heere help Gij mij!' 'Kijk, zegt Pong T., zo ben ik zondag aan de tafel gaan zitten, denkend aan wat de Heere in het formulier van de doop zegt: en als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen. Jezus neemt de met berouw vervulde zondaar, die tot Hem komt, aan. Wij mogen niet wijzer zijn dan onze God, Die ons Zijn Woord en sacramenten juist gegeven heeft, om ons in ons zwakke geloof te sterken. Door weg te blijven denken wij goed te doen, maar wij blijven weg, omdat wij onze schuld en zonde niet voor de Heere willen belijden. Wij verachten onze Heere in Zijn liefde door weg te blijven.
De Heere geeft ons nu Christus' geboorte als mens te gedenken. Hoe vieren wij nu dit feest?
*
Alle voorbereidselen zijn nu klaar gekomen. De evangelist nodigt alle aanwezigen binnen te komen en te gaan zitten.
Langs de wanden branden kleine lampjes en overal zien wij brandende kaarsen tussen het groen. Alles geeft een echte feeststemming.
De oudste bewoner van het dorp heeft de evangelist gevraagd vanavond ook het eerste vers van psalm 42 te zingen. De evangelist begint met ons de hele 42ste Psalm te laten zingen, 't Zijn in de Toradjabundel drie verzen, de berijming van wat bij ons staat in de verzen 1, 3 en 5.
Het zingen is geen koorzang. Maar je voelt het aan, de oude man, die naast mij zit, zingt met z'n hele hart ... ja mijn ziel dorst naar den Heer' ... en dan straks dat slot. . . 'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht, Zingen, daar ik Hem verwacht; En mijn hart wat mij moog' treffen. Tot de God mijns levens heffen.
De evangelist leest ons het schone kerstevangelie uit Lucas 2 en houdt daarna zijn predikatie. De schoolkinderen zingen daarna de vele kerstliederen. Dan is er een tijdje pauze. De aanwezigen wordt een maaltijd aangeboden. Ieder krijgt een portie rijst met wat varkensvlees. Aan de belangstellenden uit het dorp hier een paar kilometer vandaan is ook gedacht. Zij zijn mohammedanen. Zij eten geen varkensvlees, maar voor hen zijn een aantal kippen geslacht.
Onder het eten praten wij nog wat met één van de gasten. De Opu Tomarilalan is voor bijwoning van deze kerstfeestviering ook naar hier gekomen. (Opu is de titel van de rijksgroten hier). Hij is mohammedaan, evenals de leden van zijn gevolg die hij bij zich heeft.
De mensen van dit dorp zijn eigenlijk een beetje anders dan andere mensen zegt hij. Zij zijn hier gekomen uit enkele dorpen in de bergen. Maar ze wonen hier toch zeker al heel lang? Hun voorouders woonden zeker in boomwoningen, zo vraag ik, en wijs naar resten van een oude boomwoning. Hij wijst die veronderstelling af. Die balken daar in die bomen wijzen zeker op vroegere boomwoningen. Maar de mensen, die daar gewoond hebben, zijn of uitgestorven of al heel lang geleden vertrokken. Nee, deze mensen wonen hier pas een tien à vijftien jaar. Zij vonden hier een niet gebruikte ruimte met vruchtbare grond en vroegen zich hier te mogen vestigen. Wij hebben er geen spijt van dit te hebben toegestaan. Wij horen nooit van onderlinge moeilijkheden. Worden ze opgeroepen om diensten te verrichten voor het land of voor het districtshoofd, zij komen altijd trouw op. Ze bouwden zelfs een huis voor mensen, die uit een ander dorp werden uitgewezen. Ze leven als een familie. Kijk, zelfs die melaatse, daar gaan ze mee om alsof alles gewoon is. Ze zijn allemaal Christen. Ja dat is het, wat mij ook vanavond in het bijzonder wat zegt. Het Christelijk geloof is toch eigenlijk zo heel anders dan dat van ons mohammedanen. Wij geloven in Allah en Zijn Profeet en allen, die daarin niet geloven, verachten wij en moeten feitelijk door ons vernietigd worden. Wij leven uit de geest van de heilige oorlog tegen alles en allen die niet tot de Islam behoren. Wij leven uit en door de Wil van Allah. Maar bij de Christenen is dat anders. Zij leven uit en door de liefde van hun God. Dit maakt hen tot andere mensen die ook van die liefde worden vervuld. Zij leven met blijdschap en zekerheid omdat Jezus Christus voor hen de Overwinnaar is.
Aan het eind van de pauze bieden wij de Opu een Bijbel aan als kerstgeschenk. Hij neemt die graag aan en vraagt mij af en toe eens bij hem te komen om dan samen te spreken over wat hij er dan uit gelezen heeft. Wij nemen dat verzoek graag aan en hebben dan ook menig uur samen gesproken over wat de Bijbel ons leert. Eens zei hij: u moet niet denken dat u mij Christen kunt maken. Ik gaf tot antwoord: nee, dat kan God alleen. Maar u moet niet denken mij Islam te kunnen maken, dan zou ik daarmee alle blijdschap en zekerheid, die ik nu in Jezus Christus heb, gaan missen. Hij keek mij aan en zei tegen zichzelf: dat kan wel eens waar zijn.
*
Na de pauze zingen de schoolkinderen weer enige kerstliederen. Zelf mag ik dan ook nog een korte meditatie houden en tenslotte krijgt een andere evangelist nog het woord. Hij is de zoon van een vroegere heidenpriester en leerde van zijn vader de verheven priestertaal onberispelijk spreken. Op dichterlijke wijze spreekt hij ons van de heerlijkheid van Gods genade. Wij horen hem spreken van Gods grootheid in Zijn scheppingswerk. Van de zondeval en verdorvenheid van het hart der mensen. Hij sprak van Gods innerlijke bewogenheid om zondaren te redden. Het kerstevangelie werd gepredikt, Christus' lijden en sterven en de vervulling van Zijn belofte: ons na Zijn heengaan de Heilige Geest te zullen zenden, die ons in alle waarheid leiden zou door de verkondiging van Gods Heilig Woord.
Tot slot zingen wij dan nog Psalm 68:10.
Geloofd zij God met diepst ontzag,/ Hij overlaadt ons dag aan dag,/ met Zijne gunstbewijzen./ ... Hij kan en wil en zal in nood/ zelfs bij het naad'ren van de dood/ Volkomen uitkomst geven.
Bij het weggaan vraagt ouderling Pong T. nog: is het u duidelijk geworden waarom ik vanmiddag zo ver van huis was? Ik had de Opu beloofd hem tot bijwoning van de viering van ons kerstfeest uit te nodigen op de dag dat wij het zouden vieren. Onze Heiland zei voor zijn heengaan naar de Vader: Gij zult Mijn getuigen zijn.
*
Lezer het was kerstfeest. Die in Hem herboren zijn, zeggen: 'Schone gedenkdag. Mijn Redder en Mijn Losser is geboren en Mij gegeven’.
W.
P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's