Het geheim van de kribbe
En het Woord is vlees geworden. Johannes 1:14a
Het lijkt wel zeer merkwaardig bij een pasgeboren kind te vragen naar zijn herkomst.
Als wij echter naderen tot de kribbe van Bethlehem om te aanschouwen, wat God ons in Maria's Kind te zien geeft, is deze vraag noodzakelijk. In het antwoord op die vraag wordt immers het geheim van de kribbe onthuld.
Dat geheim bezingt Johannes in zijn kerstjubel: 'En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid’.
Het Kind van Bethlehem wordt niet, als elk ander kind, in de wereld gebracht, maar het kòmt in de wereld.
Is dat niet het geheim der godzaligheid, dat Hij er was vóór de kerstnacht op aarde daalde?
Hij was er al, voor Zijn moeder Hem baarde en in de kribbe neerlegde. Zijn voorloper heeft van Hem getuigd: 'Die na mij komt, is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik’.
Hij was er al vóór de profeten, die Zijn komst in de wereld hebben aangekondigd.
Hij was er vóór Zijn vader David.
Hij was er vóór Abraham, die verlangde Zijn dag te zien.
Hij was er, eer de wereld was.
Want Zijn herkomst is uit de dagen der eeuwigheid.
In de duistere armoede van Bethlehems stal laat Johannes dit licht der eeuwigheid over de kribbe vallen.
En deze adelaar onder de evangelisten openbaart ons met zijn eerste pennestreek het wondere mysterie van de volheid des tijds.
'In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God’.
’En . . . het Woord is vlees geworden.’
Van de transen der eeuwigheid daalde de Eniggeborene van de Vader af tot de diepte van de kribbe.
De Schepper van hemel en aarde sluimert in de slaap van het pasgeboren Kind.
Dat is het onbegrepen geheim van de kribbe, dat ons met verwondering vervult.
Met verwondering, als wij bedenken, wat dit voor dit heilig Kind betekende, toen Hij de schoot des Vaders verliet om in te gaan in de schoot van Zijn moeder.
Aan Zijn komst in de wereld ging immers aan gene zijde van het gordijn der eeuwigheid Zijn afscheid vooraf.
Om vlees te worden en in te gaan in de gemeenschap van verloren zondaren, moest Christus uitgaan van de Vader.
In de eerste levenskreet van Maria's Kind horen wij reeds de schreeuw der verlatenheid: 'Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’
Alleen door die vernedering en vereenzaming van de geliefde Zoon des Vaders kon het verlossingsplan uitgevoerd worden om zondaren te redden van de dood.
Wie anders zou daartoe in staat zijn om de last der zonde te dragen? Zelfs onder de heilige engelen was er niet één, die dit gewicht kon torsen.
Er bleef maar één mogelijkheid over.
De Vader riep Zijn geliefd Kind, dat voor Zijn aangezicht speelde. Hij zou de Vader kunnen verheerlijken en zondaren bevrijden. En dat Kind heeft gewild en sprak: 'Ik zal gaan om het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen, te voleindigen’.
Zie, daar ligt het Kind in de kribbe.
Ontluisterd en vernederd.
Zijn heerlijkheid als van de Eniggeborene des Vaders verborgen in de schamele doeken, waarin Maria Hem wikkelde.
Zou er ooit een zwaarder heengaan denkbaar zijn, dan toen Hij, die rijk was, arm werd; toen de Zone Gods de slavengestalte aannam?
Het Woord is vlees geworden.
De Immanuëls-profetie is vervuld.
De geliefde Zoon, eeuwig voorwerp van des Vaders liefde, is in de kribbe de mens gelijk geworden.
Hij, de vreugde van engelen en verlosten, aanvaardt de gelijkheid van het zondige vlees en gaat in in de wortel van de stam der mensheid. Dat is Zijn nederheid, waarin Hij de afstand tussen de heilige God en de verloren zondaar overbrugt.
Daarbij vergeten wij niet, dat dit Kind van meetaf kwam te liggen onder de schuld en de vloek.
Alle ongerechtigheid liep op Hem aan.
Hij wordt verbrijzeld.
Hij, de onwaardigste onder de mensen, wordt verwond en verdrukt.
De sprekende armoede van de kribbe tekent Zijn vernedering. In plaats van de glorie des hemels ontvangt Hij de schande en verachting.
Het Woord is vlees geworden.
Het is een zalig en heerlijk geheim.
Het Kind daalt diep af tot daar, waar de mens verloren ligt in schuld. Dan spreken die doeken en die kribbe een wondere taal, waarin genade vertolkt wordt voor de grootste der zondaren.
In de kribbe worden goddelozen gerechtvaardigd. Nu behoeft niemand meer te wanhopen.
Het kerstevangelie gaat uit tot het verslagen hart.
En de klaagtonen verstommen voor het lied van verloste zondaren, dat dieper en schoner klinkt, dan het lied der engelen.
De hemel looft, o Heer, Uw wond'ren dag en nacht;/ Uw waarheid wordt op aard' de glorie toegebracht,/ Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;/ Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?/ En welke vorsten ooit het aardrijk moog' bevatten./ Wie hunner is, o Heer, met U gelijk te schatten?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's