De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zij vieren toch Kerstfeest

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zij vieren toch Kerstfeest

8 minuten leestijd

Kerstfeest 1943.

Het is een sombere dag. Laag hangen de wolken en over het wijde, vlakke polderland komt de wind aanjagen, trekt aan de kale takken van de bomen en raast verder met ontembare en niets ontziende kracht.

Hier en daar pinkt het licht van een eenzame boerderij in de verte als een verdwaalde ster.

Hoor! Flarden van klokgelui overstemmen de stormwind. De kerstklokken luiden. Ze roepen iedereen op om te komen en de grote liefde van God te gedenken, die de mensen Zijn vrede biedt door de komst van Zijn Zoon op deze donkere, harde wereld.

Kerstfeest, vredefeest!

Maar het is geen vrede. Duistere machten hebben het kleine land aan de zee in hun wurgende greep. Er is angst, honger, pijn, dood ... Hunkerend wordt er uitgezien naar het einde van deze verschrikkelijke nacht, maar na elke dag breekt weer een nieuwe aan, boordevol leed.

Kerstfeest, feest van vrede!

Boven het sombere land luiden de klokken maar door; en de wind waait de klanken tot ver over de huizen. Ze dringen aan om te komen en het Kind te aanbidden.

Deuren gaan open, voetstappen klinken op de weg, mensen tornen op tegen de stormwind, die de regen in hun gezicht zwiept.

Ze komen van alle kanten: mannen, vrouwen, kinderen.

Maar uit één huis, gelegen aan een eenzame landweg, diep de polder in, komt niemand. Het staat er als vergeten onder de zware, naakte takken van een eikeboom. Geen licht schijnt door de ramen, geen geluid wordt gehoord dan het bonzen van een luik tegen de muur en het flapperen van een nat, verflenst gordijn door een gebroken ruit.

Een week geleden heerste hier nog bedrijvigheid, toen vulden de zes bewoners het huis met hun vrolijke stemmen. Toen was er nog veiligheid en geborgenheid tussen de muren, vooral 's avonds als ze allemaal in de grote woonkamer zaten: vader met zijn onafscheidelijke pijp, moeder bij de kachel, de breipennen in haar hand, die driftig tikten; Henk en Heleen, de oudste kinderen ieder met hun huiswerk of een boek onder de grote lamp aan tafel. Rietje, de jongste, meestal met haar stoeltje dicht tegen moeder aangeschoven. Behalve de gezinsleden was er nog iemand in huis, een jonge joodse vrouw, Mirjam, met een schichtige, opgejaagde blik in haar ogen, omdat ze wist dat haar leven in gevaar was, ieder ogenblik van de dag. Hier in dit gezin was ze veilig, maar voor hoe lang?

Zo zaten ze ook bij elkaar op die avond, precies een week voor kerstfeest.

Zonder dat ze het wisten, deed het verraad zijn moordend werk en kwam het gevaar aansluipen om zijn prooi te vangen en het geluk van een gezin te vernietigen.

Motorgeronk klonk op de weg, een portier sloeg dicht, voetstappen op het grint. Als een opgejaagd dier was Mirjam naar boven gevlogen waar een schuilplaats haar nog enige bescherming bood.

Voor vader was het te laat om zich te redden. De Grüne Polizei stond al in de gang voor hij zich had kunnen verbergen. Nog geen kwartier later werd hij het huis uitgedreven met een pistool in de rug. Zich verdedigen mocht hij niet en slechts enkele minuten werden hem gegeven om afscheid van zijn gezin te nemen.

Ze stapten in de auto, de motor sloeg aan en ze reden weg, een duistere toekomst tegemoet.

Nu, een week later, is het kerstfeest. In een voor hen totaal vreemde omgeving zitten moeder, Henk, Heleen en Rietje bij elkaar. Vrienden hadden hen hier gebracht, het was niet vertrouwd meer in het eigen huis te blijven.

Op straat horen ze mensen voorbij lopen op weg naar de kerkdienst. Voor hen zou het te gevaarlijk wezen zich buiten te vertonen. Zij behoren nu tot de vervolgden en ontheemden. Het is stil in de kamer, ieder heeft zo zijn eigen gedachten. Henk en Heleen denken aan het kerstfeest. Wat hadden ze er zich op verheugd samen het feest te vieren, samen te luisteren naar het kerstverhaal en te zingen over het Kind in de kribbe.

Kapot zijn hun heerlijke dromen, aan flarden gescheurd door de oorlog. Hoe zouden ze feest kunnen vieren nu vader gevangen zit en Mirjam ergens anders ondergedoken is.

Het licht van Kerstfeest lijkt in hun harten gedoofd door de duisternis van de wereld.

Dan staat moeder op en pakt de bijbel van de schoorsteenmantel.

’Schuif wat dichter bij, Henk en Heleen en jij Rietje, kom maar op mijn schoot zitten; we gaan kerstfeest vieren.’

Bevreemd kijken de oudsten elkaar aan. Moeder ziet het wel en begrijpt wat er omgaat in het hart van haar kinderen. Een glimlach trekt over haar bleek gezicht als ze zegt: 'We kunnen wel Kerstfeest vieren, ook al is vader er niet bij en al is het oorlog. Het is het feest van de komst van de Here Jezus op de aarde. Hij kan ons werkelijk geluk schenken en echte blijdschap. Hij kent ook ons verdriet; hij kan ons helpen.’

Nog nooit hebben ze zo geluisterd naar het kerstevangelie. Het is of de oude woorden opnieuw voor hen gaan leven: 'En het geschiedde in diezelve dagen dat er een gebod uitging van de keizer Augustus, dat de hele wereld beschreven zou worden . . .’. Zo vieren zij toch kerstfeest.

*

Op een zolderkamertje in een van de grote steden zit Mirjam op haar bed, een deken om zich heengeslagen. Scherp luistert ze naar de geluiden die van beneden tot haar doordringen, onbekende geluiden van een onbekend huis.

O, de mensen waar ze onderdak heeft gevonden, zijn goed en vriendelijk, maar toch leeft er diep in haar hart heimwee naar het vorige tehuis, waar alles zo vertrouwd was.

Onwillekeurig gaan haar gedachten terug naar die vreselijke avond, naar de angst die als een wild dier in haar was opgesprongen, toen ze in haar schuilplaats lag en hoorde hoe de Duitsers het huis doorzochten. Zou er dan nooit een einde komen aan die vreselijke oorlog, zou ze dan nooit rust krijgen en altijd opgejaagd worden als een stuk wild!

Rust! ..., hoe intens verlangt ze ernaar. En nu is het Kerstfeest, feest van vrede. Vrede ... een woord dat klinkt als het gelui van klokken die hun klanken uitstrooien over de wereld.

Vrede.

Peinzend staart Mirjam uit het kleine dakvenster. Ze ziet de donkere wolkentroepen haastig voorbijdringen, groot, zwart, dreigend. Plotseling stokken de wolkenstoeten even, ze waaien uiteen en een zwartblauwe opening ontstaat. Een ster glanst op tegen de donkere hemel.

Eeuwen geleden had ook een ster geschenen en de Wijzen uit het Oosten hadden geluisterd naar zijn lokkende roep, ze waren gegaan en vonden het Kind van Bethlehem.

Het is Mirjam of de ster ook haar roept: 'Kom, Mirjam, met je angst en eenzaamheid naar het Kind in de kribbe. Kom tot dit Kind, allen die vermoeid en beladen zijt. Hij zal rust geven. Kom!’

Hunkerend houden Mirjams ogen de ster vast, die haar spreekt van Gods liefde in een koude en vijandige wereld. Het is of iets van dit licht doordringt tot in haar eenzame hart.

'Ik kom, Here Jezus, ja ik kom!', fluistert Mirjam.

De ster verdwijnt weer achter de sombere, jagende wolken, maar daarachter is de hemel, daar zingen de engelen.

Zo viert ook Mirjam toch Kerstfeest.

*

Vier grauwe muren, een klein getralied venster, een houten tafel, een bank. Een cel! In deze cel zit vader. Het enige dat hij om zich heen hoort, is het rumoer van de wind langs het raam en soms het holle geluid van voetstappen op de gang. Verder is er de stilte, die ontzettende stilte die hem mateloos kan beklemmen en beangstigen. Hij zou de deur wel in elkaar willen trappen, de tralies uit het venster rukken om buiten te komen waar de vrijheid is. Wanhopig ziet hij om zich heen naar de kille schaduwen van de schaars verlichte cel. Waar zouden ze zijn, zijn gezin ... en Mirjam? Kon hij ze maar even zien, maar hij weet dat de deur onverbiddelijk gegrendeld is. Hij is een gevangene, opgesloten tussen kale muren, alleen ... en bang voor elke nieuwe dag ...

Plotseling heft hij zijn hoofd op. Hoor, enkele cellen verder zet een zware mannenstem een lied in: ’Stille nacht, heilige nacht.’

Vader gaat rechtop zitten en luistert gespannen.

Het is Kerstfeest, het feest van Gods liefde, het feest van de vrede op aarde.

Zijn strakke en sombere gezicht wordt zachter, zijn lippen vormen de woorden mee die de mannenstem zingt: 'Stille nacht, heilige nacht. Heil en vreê wordt gebracht'

Vrede!

Al staat de wereld in brand, al vieren haat en vijandschap hun triomfen, toch is er vrede voor ieder die gelooft, dat het Kind van Bethlehem gekomen is om ook hem te verlossen uit de macht van de zonde. Als het vers uit is, is het even stil, maar dan klinkt de stem weer, krachtiger nog dan daarnet:

*

’Daar is uit 's werelds duist're wolken/ Een licht der lichten opgegaan./ Komt tot zijn schijnsel, alle volken/ En gij, mijn ziele, bidt het aan.’

*

Als balsem zijn de woorden van het lied voor het hart van de gevangene. Ze doorbreken de muur van eenzaamheid en angst en geven hem uitzicht op een open hemel. Zo viert ook vader toch Kerstfeest.

*

(Verkort overgenomen uit ’Kerstvertellingen’ verzameld door H. te Merwe).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Zij vieren toch Kerstfeest

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's